Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/6.1:6.1 Inleiding
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349747:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De hoeveelheid rechtspraak op het gebied van bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW is echter groot en een allesomvattend onderzoek naar deze rechtspraak is in het kader van dit proefschrift uitgebleven, overigens ook omdat een dergelijk onderzoek in het kader van het in dit proefschrift gevoerde betoog niet nodig is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In mijn onderzoek naar de grote hoeveelheid rechtspraak over interne bestuurdersaansprakelijkheid waarin de ernstigverwijtmaatstaf wordt toegepast, ben ik niet gestuit op uitspraken die voor wat betreft hun uitkomst overduidelijk strijdig zijn met het rechtsgevoel.1 Dat zou ook niet ‘Nederlands’ zijn. Ik merk daarbij wel op dat ik in mijn onderzoek voornamelijk heb gekeken naar de rechtstheoretische onderbouwingen in deze rechtspraak verband houdende met art. 2:9 BW en dat ik mij niet steeds in de inhoudelijke merites van de zaak heb verdiept. Beschouwt men de rechtstheoretische onderbouwing van sommige uitspraken waarin de ernstigverwijtmaatstaf bij art. 2:9 BW werd toegepast, dan kan men echter wel concluderen dat die uitspraken een stuk eenvoudiger (en daarmee begrijpelijker) eruitgezien zouden hebben zonder de ernstigverwijtmaatstaf. Daarnaast blijkt uit die rechtstheoretische onderbouwing vaak ook dat de toepassing van de ernstigverwijtmaatstaf leidt tot een redenering die niet lijkt te stroken met de ratio en systematiek van art. 2:9 BW. Dit is vanzelfsprekend onwenselijk, omdat rechtspraak zo veel mogelijk moet zijn terug te voeren op de door de wetgever bepaalde regels (zie par. 2.2 en 2.3). Ik zal hierna – allerminst uitputtend – bij een aantal uitspraken stilstaan.