De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.5.1:7.5.1 De verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.5.1
7.5.1 De verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369728:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorbeelden, die in par. 7.6 worden besproken, demonstreren dat het niet altijd duidelijk is tot welk resultaat een richtlijnconforme interpretatie van het Nederlandse recht leidt. Ook zal er twijfel kunnen optreden over de vraag of nationale bepalingen met een oorsprong in het EU-recht buiten toepassing mogen worden gelaten. Het EU-recht biedt een oplossing voor dergelijke twijfelgevallen. De ondernemingskamer kan omtrent de uitleg van EU-richtlijnen prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad is daartoe zelfs verplicht,1 tenzij het antwoord op de prejudiciële vraag reeds is gegeven, of aan de hand van vaste rechtspraak over andere soortgelijke vragen kan worden gevonden.2 Ook hoeven geen prejudiciële vragen te worden gesteld, indien dusdanig duidelijk is wat het antwoord op de vraag moet zijn dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. Bij de vraag of zich een dergelijk geval voordoet moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het gemeenschapsrecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de gemeenschap.3