Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/2.3.4
2.3.4 Art. 81 lid 1 Wet RO
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS350939:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Davids 2015, p. 1011, die schrijft dat “die basis niet erg stevig is” en Hammerstein 2009, p. 674 die schrijft “dat een ruimere grondslag dan deze bepaling voor de rechtsvormende taak noodzakelijk is”.
W.D.H. Asser, ‘Van selectie achter de poort naar selectie aan de poort’, in: A.M. Hol,I. Giesen en F.G.H. Kirsten (red.), De Hoge Raad in 2025. Contouren van de toekomstige cassatierechtspraak, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 74.
Kortmann 2008, p. 33.
Vgl. Davids 2015, p. 1011.
Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3 (MvT), p. 1 bij Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cas-satierechtspraak (versterking cassatierechtspraak).
Hammerstein 2009, p. 674.
Art. 81 Wet RO luidt als volgt:
“Indien de Hoge Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.”
Men zou kunnen betogen dat dit artikel een wettelijke basis biedt voor de Hoge Raad om zich met rechtsvorming in strikte zin bezig te houden, althans om zich in verdergaande mate met rechtsvorming bezig te houden dan lagere rechters. Ik meen echter dat dit op een misvatting berust.1
Om te beginnen is art. 81 Wet RO in 1988 ingevoerd met als doel een bepaalde selectie aan de poort te creëren, omdat door de toenemende werklast en oplopende achterstanden bij de Hoge Raad de kwaliteit en de rechtspraak van de Hoge Raad in het gedrang was gekomen.2 Het artikel is niet ingevoerd om de Hoge Raad een ruimere bevoegdheid te geven dan die voor de invoering van het artikel reeds bestond.
Voorts geldt dat de term ‘rechtsontwikkeling’ betrekking heeft op het uitbreiden, verfijnen, verklaren en bijsturen van iets, te weten het recht dat reeds bestaat. Rechtsvorming (in strikte zin) is iets anders, te weten het creëren van iets dat nog niet bestond.3 ‘Rechtsontwikkeling’ is daarnaast niet iets dat is voorbehouden aan de Hoge Raad. Iedere rechter draagt bij aan de rechtsontwikkeling door in iedere aan hem voorliggende zaak de wet toe te passen op de hem voorgelegde feiten en omstandigheden (zie par. 2.3.3, waar in dit verband wordt gesproken over rechtsvorming en rechtsvormende rechtsvinding). De wet is immers niets anders dan geschreven tekst die uitgelegd moet worden in het concrete geval, terwijl het recht zich uit in de rechterlijke beslissing over de vraag welke partij in het concrete geval in het gelijk wordt gesteld. Bovendien is het zo dat ook de lagere rechter in voorkomende gevallen aan rechtsvorming in strikte zin moet doen, wanneer hij aanloopt tegen een leemte in de wet of een tegenstrijdigheid. Nu art. 81 Wet RO niet voor de lagere rechter is geschreven, terwijl ook de lagere rechter aan rechtsontwikkeling en (soms) aan rechtsvorming in strikte zin doet, moet, aldus ook oud-President van de Hoge Raad Davids, worden vastgesteld dat art. 81 Wet RO geen wettelijke basis biedt voor de Hoge Raad om in verdergaande zin aan rechtsvorming dan wel rechtsontwikkeling te doen dan de lagere rechter.4
Het voorgaande neemt niet weg dat de Hoge Raad vanzelfsprekend het laatste woord heeft in die rechtsvorming en rechtsontwikkeling. De Hoge Raad speelt als hoogste rechter daarin een belangrijke rol. In de parlementaire geschiedenis is hierover gezegd:
“In de praktijk wordt de cassatietaak van de Hoge Raad opgevat als de opdracht om in hoogste instantie de rechtseenheid te bewaken, de rechtsontwikkeling te bevorderen en rechtsbescherming te verlenen op de aan de Hoge Raad bij de wet toebedeelde rechtsgebieden. Bij het bewaken van de rechtseenheid gaat het om de eenvormige uitleg en toepassing van de rechter van rechtsregels en rechtsbegrippen, zowel binnen afzonderlijke rechtsgebieden als in samenhang tussen afzonderlijke rechtsgebieden. De rechtsontwikkeling wordt bijvoorbeeld bevorderd als de Hoge Raad open wettelijke normen nader invult, of wettelijke voorschriften uitlegt. Invulling aan zijn rol op het vlak van het bieden van rechtsbescherming geeft de Hoge Raad onder meer door toetsing van de motivering van de feitenrechter op begrijpelijkheid. In concrete zaken overlappen de uitoefeningen van deze functies elkaar veelal. Wanneer de Hoge Raad bijvoorbeeld uitleg geeft aan de wettelijke regeling van het aanwezigheidsrecht in strafzaken, wordt daarmee niet alleen de rechtsontwikkeling bevorderd. Doordat feitenrechters zich naar de uitspraak van de Hoge Raad richten, wordt tevens de rechtseenheid gediend.
Daarnaast treedt een rechtsbeschermend effect op, doordat ook in zaken waarin de rechtzoekende niet doorprocedeert tot aan de Hoge Raad, de feitenrechters het recht toepassen met inachtneming van de rechtspraak van de Hoge Raad.”5
Hammerstein merkte terecht op dat de Hoge Raad ongetwijfeld tot taak heeft:
“leiding te geven aan de gewone rechtspraak door in de hem voorgelegde gevallen waarin dat mogelijk is de richting te bepalen waarin het recht zich ontwikkelt, hetzij door de knoop van de rechtseenheid door te hakken waar verschil van opvatting bestaat, hetzij normen verder in te vullen of te ontwikkelen waarvan ook in toekomstige gevallen in beginsel (want we kennen geen precedentwerking) wordt uitgegaan.”6
Art. 81 Wet RO laat dan ook voornamelijk zien dat de Hoge Raad een doorslaggevende rol heeft in het zorgen voor rechtseenheid bij het proces van (rechtsvormende) rechtsvinding, zijnde de uitleg en toepassing van rechtsregels door hemzelf en door de rechters in feitelijke instanties. Daarbij hoort vanzelfsprekend ook het geven van invulling en uitleg aan (open) wettelijke normen, zeker wanneer feitenrechters zich daar verschillend over hebben uitgelaten. Daarmee zorgt de Hoge Raad tezamen met de lagere rechtspraak voor rechtsontwikkeling. Die ‘rechtsontwikkeling’ moet mijns inziens voornamelijk worden begrepen in de context dat wettelijke bepalingen noodzakelijkerwijs soms algemeen geformuleerd zijn en niet zijn toegesneden op specifieke feitelijke omstandigheden, omdat deze wettelijke bepalingen anders te beperkt toepasbaar zijn in het complexe en dynamieke maatschappelijk leven waarin elke handeling en omstandigheid steeds feitelijk anders zal zijn, maar wettelijk toch op eenzelfde wijze gekwalificeerd kan worden. Met de uitleg en toepassing van een dergelijke wettelijke bepaling door een feitenrechter, draagt deze rechter ook bij aan de rechtsontwikkeling. Indien verschillende feitenrechters in gevallen waarin de feiten vergelijkbaar zijn (maar niet gelijk, dat zijn ze vrijwel nooit), een verschillende interpretatie en toepassing geven aan een wettelijke bepaling, kan de Hoge Raad daarin een knoop doorhakken. Dan moet vanzelfsprekend wel cassatie zijn ingesteld. De Hoge Raad kan dan een nieuwe interpretatie geven, maar kan ook ervoor kiezen om de interpretatie van de ene feitenrechter (impliciet) te verwerpen en de andere (impliciet) te volgen. Indien de Hoge Raad meent dat in een hem voorliggende zaak de rechtsontwikkeling door de feitenrechter reeds op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, kan deze de klacht op vereenvoudigde wijze afdoen ex art. 81 Wet RO. Dat de Hoge Raad dus toezicht dient te houden en de lijn in de rechtsontwikkeling dient te bewaken staat buiten kijf, maar een wettelijke grondslag voor het vormen van nieuw recht biedt art. 81 Wet RO niet.