Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.12
10.12 QE
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451687:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 8.8; BVerfG 18 juli 2017, 2BvR 859/15 e.a. (nog niet verschenen in BVerfGE; bekend bij het Hof van Justitie onder C-493/17).
BVerfG 18 juli 2017, 2BvR 859/15 e.a., r.o. 76-123.
BVerfG 18 juli 2017, 2BvR 859/15 e.a., r.o. 124-134.
BVerfG 18 juli 2017, 2BvR 859/15 e.a., r.o. 136.
BVerfG 10 oktober 2017, 2 BvR 859/15 e.a., r.o. 16.
BVerfG 10 oktober 2017, 2 BvR 859/15 e.a.
Zie bijvoorbeeld: Banking union faces legal challenge in Germany, EUobserver, 28 juli 2014, https://euobserver.com/economic/125117; Hinarejos 2015b, p. 149. Zie over de bankenunie par. 9.6.1.
De voorlopig laatste ontwikkeling in de reeks van arresten van het Bundesverfassungsgericht over Europese integratie bestaat uit de prejudiciële vragen die het Duitse constitutionele hof stelde over het besluit van de ECB tot QE.1 De gestelde vragen lijken sterk op die uit de OMT-zaak. Wederom is het volgens het Bundesverfassungsgericht de vraag of het besluit tot QE past binnen het mandaat van de ECB en of er geen sprake is van strijd met het verbod op monetaire financiering. Opnieuw besteedde het Hof in dat kader veel aandacht aan de precieze omstandigheden en voorwaarden waaronder QE wordt uitgevoerd en benadrukte het dat het doel dat de ECB met QE zegt na te streven, indringend getoetst moet worden.2 Ook voerde het Bundesverfassungsgericht wederom een toetsing aan de constitutionele identiteit uit.3 In dat kader overwoog het Hof dat eventuele verliezen van QE deels ten laste zouden komen van nationale begrotingen. Of dit ook daadwerkelijk zou leiden tot een schending van het budgetrecht, hangt volgens het Bundesverfassungsgericht af van de manier waarop de risico’s van QE verdeeld worden. Dit is afhankelijk van de beantwoording van de prejudiciële vragen. Gelet op de grote financiële consequenties van QE en de onomkeerbare effecten ervan, heeft het Bundesverfassungsgericht verzocht om toepassing van de versnelde procedure.4 Hoewel het Hof van Justitie dit verzoek heeft afgewezen, heeft het wel toegezegd om de zaak met voorrang te behandelen.5 In afwachting daarvan heeft het Bundesverfassungsgericht verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen.6 Op korte termijn zal het Hof van Justitie dus met antwoorden komen, waarna het Bundesverfassungsgericht weer aan zet is. Ook is al een nieuwe zaak aangekondigd over de bankenunie.7 Dat deze jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht over Europese integratie nog een vervolg zal krijgen, staat dus vast.