Rb. Gelderland, 04-03-2021, nr. 21/27 HO/RK
ECLI:NL:RBGEL:2021:2343
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
04-03-2021
- Zaaknummer
21/27 HO/RK
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2021:2343, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 04‑03‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBGEL:2021:363, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 21‑01‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2021-0147
JOR 2021/215 met annotatie van Tekstra, A.J.
INS-Updates.nl 2021-0035
Uitspraak 04‑03‑2021
Inhoudsindicatie
Voornemen tot benoeming observator in WHOA-procedure, tussenbeschikking.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team Insolventies – meervoudige kamer
Tussenbeschikking aanstelling observator
rekestnummer: 21/27 HO/RK
uitspraakdatum: 4 maart 2021
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster]
handelende onder de namen [bedrijf 1] en [verzoekster]
ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd in de [woonplaats 1] , kantoorhoudende te [woonplaats 2] ,
[adres] ,
verzoekster,
advocaat: mr. R.H.P. van de Venne te Zutphen.
Verzoekster zal hierna [verzoekster] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 21 januari 2021,
- de e-mail van [verzoekster] van 23 februari 2021 met bijlagen.
2. De beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 21 januari 2021 heeft de rechtbank een afkoelingsperiode gelast voor de duur van twee maanden. In deze beschikking heeft de rechtbank aan [verzoekster] gevraagd haar binnen een gestelde termijn nader te informeren, waarbij ten minste moest blijken welke acties [verzoekster] heeft ondernomen om tot een akkoord te komen, in hoeverre is voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan het indienen van een akkoord (onder meer artikel 374 en 375 Fw) en wanneer een akkoord aan de schuldeisers zal worden voorgelegd. Verder heeft de rechtbank gevraagd om nadere informatie over de volgende punten:
- Het eigen vermogen van verzoekster was in 2019 nog € 134.000. Wat zegt dat over de reorganisatiewaarde van verzoekster?
- De liquidatie waarde van verzoekster lijkt vooral lager doordat er kennelijk in het pand is geïnvesteerd. Niet duidelijk is echter van wie het betreffende pand is. Wie is eigenaar van het door verzoekster gebruikte bedrijfspand en onder welke voorwaarden wordt dat door verzoekster gebruikt?
- Er is sprake van een fiscale eenheid en mogelijk is – in tegenstelling tot wat verzoekster heeft verklaard – toch sprake van een fiscale schuld.
2.2.
[verzoekster] heeft op 23 februari 2021 nadere informatie overgelegd. Uit die informatie blijkt het volgende.
2.3.
Alle aandelen van [verzoekster] worden gehouden door de besloten vennootschap [bedrijf 2] (hierna: “ [bedrijf 2] ”). Deze vennootschap is houdt ook alle aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [bedrijf 3] B.V. (hierna “ [bedrijf 3] ”). De uiteindelijke aandeelhouder en bestuurder van al deze vennootschappen is de heer [bestuurder 1].
2.4.
[verzoekster] heeft een conceptaanbod aan haar schuldeisers overgelegd. Het moment waarop het aanbod zal worden gedaan, is niet bekendgemaakt. Voor het akkoord is een bedrag tot € 75.000 beschikbaar gesteld door [bedrijf 3] . Dit bedrag zal in acht driemaandelijkse termijnen beschikbaar komen, zodat uitbetaling twee jaar zal duren. Het bedrag van het akkoord moet beschikbaar komen uit de bedrijfsresultaten van [bedrijf 3] . De concurrente schuldeisers ontvangen iets meer dan 20%. De preferente schuldeisers ontvangen 41%. De aandeelhouder, [bedrijf 2] , wordt niet in het akkoord betrokken.
2.5.
Uit de bijlagen bij het conceptaanbod blijkt dat de activiteiten van [verzoekster] in 2020 nagenoeg volledig zijn afgebouwd, terwijl de activiteiten van [bedrijf 3] werden uitgebreid. Het totale actief van [verzoekster] daalde van € 486.124 (2019) naar € 85.408 (2020). Het totale actief van [bedrijf 3] is gestegen van € 18.659 (2019) naar € 366.267 (2020). Deze verschuivingen in het actief worden mede verklaard door mutaties in de vorderingen die de concernvennootschappen onderling hebben. De omzet van [verzoekster] daalde van € 881.479 (2019) naar € 254.081 (2020). De omzet van [bedrijf 3] steeg van € 0 (2019) naar € 649.721 (2020). Het bedrijfsresultaat van [bedrijf 3] is gestegen van een verlies van € 8.513 (2019) naar een winst van € 222.285 (2020).
Ook blijkt uit de bijlagen dat er forse mutaties zijn geweest in de intercompany / rekening-courantvorderingen van de bovengenoemde vennootschappen.
2.6.
In het conceptaanbod aan de schuldeisers wordt de volgende informatie gegeven met betrekking tot de “waarderealisatie en waarderingsgrondslag”, onder verwijzing naar een activastaat:
“- roerende zaken. De boekwaarde van de roerende zaken […] bedraagt per ultimo 2020 bijna € 20.000. […] Vermoedelijk zal de onderhandse verkoopwaarde niet veel afwijken van de boekwaarde. […]
- goodwill. Deze wordt door de accountant thans gewaardeerd op nihil […];
- huurdersinvestering. [verzoekster] heeft in 2019 ruim € 40.000 geïnvesteerd in een gebouw dat eigendom is van [bestuurder 1] en zijn echtgenote. De investering is gedaan om het gebouw geschikt te maken als kantoor, opslag en werkplaats. Als zodanig maakt [verzoekster] er gebruik van samen met [bedrijf 3] . Er zijn onder meer muren, binnenwanden en sanitair geplaatst, installatiewerk en dakwerk gedaan en een airconditioner en loopkat aangebracht. Naar het oordeel van [bestuurder 1] zullen de kosten die gemaakt zullen moeten worden om de toegevoegde zaken weg te nemen hoger zijn dan de opbrengsten van die zaken, zodat de liquidatiewaarde van de huurdersinvestering nihil is. […]
- onderhanden werk. […]De waarde per ultimo 2020 is in overleg met de accountant gesteld op € 26.188. […] Echter is er nog niets opeisbaar (na 31 december 2020 is er in overleg met opdrachtgever, ook vanwege onwerkbaar weer, geen werk verricht) en gelet op het pandrecht mag aangenomen worden dat de liquidatiewaarde van het onderhanden werk nihil is.
In geval van een faillissement zal een curator de activa te gelde maken. Waarschijnlijk geldt dat dan alleen de roerende zaken, die ongeveer een bedrag gelijk aan de boekwaarde zouden kunnen opbrengen. Van deze opbrengst dienen eerst het salaris van de curator en eventuele andere boedelkosten te worden voldaan. Indien na betaling van het salaris van de curator een bedrag resteert dan komt dit volledige restant toe aan de preferente schuldeisers, vooral de Belastingdienst. De uitkering die de preferente schuldeisers in dat geval ontvangen bedraagt beduidend minder dan het bedrag dat zij ontvangen uit het onderhavige akkoord. Voor de concurrente schuldeisers resteert dan niets.
De waarde die met dit akkoord wordt gerealiseerd bedraagt voor de concurrente schuldeisers € 29.363,01 en voor de preferente schuldeisers € 45.158,27. De nakoming van het akkoord wordt ‘verzekerd’ doordat [bedrijf 3] een winstgevende onderneming heeft met goede vooruitzichten.”
2.7.
[verzoekster] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Onderdeel van het conceptakkoord is de sanering van een fiscale schuld van ongeveer € 100.000.
Voorziening
2.8.
Artikel 379 Fw biedt de rechtbank de mogelijkheid om ambtshalve voorzieningen te treffen, of nadere bepalingen te maken, om de belangen van de schuldeisers of aandeelhouders te waarborgen. Een voorziening kan zijn de aanstelling van een observator op grond van artikel 380 Fw.
2.9.
De belangen van schuldeisers gedurende de akkoordprocedure zijn gebaat bij volledige en transparantie informatie over de financiële gevolgen van het akkoord. Uitgangspunt is daarom dat het akkoord alle informatie moet bevatten die de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders nodig hebben om zich vóór het plaatsvinden van de stemming een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen over het akkoord (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35249, 3, p. 50). De omstandigheden van het geval, waaronder: wat voor onderneming het betreft, wat voor een akkoord wordt aangeboden (complex of juist niet), en aan wie (professionele partijen of juist kleine leveranciers en particulieren), bepalen welke eisen moeten worden gesteld aan de te verstrekken informatie. De schuldeisers moeten onder meer informatie krijgen over de waarde die naar verwachting gerealiseerd kan worden als het akkoord tot stand komt (reorganisatiewaarde), de opbrengst die naar verwachting gerealiseerd kan worden bij een vereffening van het vermogen van [verzoekster] in faillissement en de bij de berekening van deze waardes gehanteerde uitgangspunten en aannames.
2.10.
Uit de inmiddels beschikbare informatie blijkt dat de reorganisatie niet alleen gevolgen heeft voor [verzoekster] , maar ook voor haar directe aandeelhouder ( [bedrijf 2] ), haar indirecte aandeelhouder en bestuurder, de heer [bestuurder 2] en voor [bedrijf 3] . Dit blijkt onder meer uit het volgende:
- Tijdens de zitting van 14 januari 2021 heeft [verzoekster] onder meer verklaard dat zij, in verband met een geschil met één van haar schuldeisers, nieuwe opdrachten gedurende 2020 heeft aangenomen in [bedrijf 3] .
- Er is sprake van sanering van een fiscale schuld die ingevolge de fiscale eenheid ook [bedrijf 2] en [bedrijf 3] aangaat.
- De investeringen die het bedrijfspand geschikt hebben gemaakt om te worden gebruikt door een bouwbedrijf worden in het kader van de reorganisatiewaarde op nihil gesteld, terwijl in het kader van de reorganisatie het weldegelijk de bedoeling is in hetzelfde pand dezelfde bouwonderneming te drijven.
- Tot slot wordt een schuld waarvoor de heer [bestuurder 2] privé borg staat, overgenomen door [bedrijf 3] en aldus feitelijk buiten het akkoord gehouden.
2.11.
De informatie in het conceptaanbod is beperkt tot informatie over de waarde van de activa van [verzoekster] per ultimo 2020. Onder de gegeven omstandigheden lijkt de informatie voorshands niet voldoende. Informatie over de reorganisatie van de activiteiten van [verzoekster] door middel van het overbrengen van activiteiten naar [bedrijf 3] , wordt niet gegeven. De reorganisatiewaarde wordt in het geciteerde deel van het aanbod aan schuldeisers niet geplaatst in het bredere verband van de reorganisatie die [verzoekster] heeft ondergaan gedurende 2020. In het conceptaanbod wordt vermeld dat [bedrijf 3] een winstgevende onderneming heeft met goede vooruitzichten. Uit de verstrekt informatie blijkt niet in hoeverre deze winsten en goede vooruitzichten van [bedrijf 3] te danken zijn aan een overname van activiteiten van [verzoekster] . Een deel van de informatie is mogelijk wel te herleiden uit de bijlagen bij het aanbod, maar dit lijkt onvoldoende.
2.12.
[verzoekster] heeft aan schuldeisers geen inzicht gegeven in de financiële gevolgen van de reorganisatie voor de aandeelhouders, [bedrijf 2] en uiteindelijk de heer [bestuurder 2]. De aandeelhouder wordt niet in het akkoord betrokken, zodat zij haar volledige waarde behoudt. Omdat de activiteiten van [verzoekster] zijn overgegaan naar [bedrijf 3] , lijkt de positie van de aandeelhouder ook in het bredere verband van de reorganisatie niet te zijn verslechterd, maar mogelijk juist te zijn verbeterd.
2.13.
Het is uiteindelijk primair aan de schuldeisers om de informatie te beoordelen en, als zij menen dat die informatie te beperkt is, tegen het akkoord te stemmen. In dit geval is het echter de vraag of schuldeisers op basis van de beperkte informatie die zij hebben, en bij de aanbieding van het akkoord lijken te zullen gaan, ontvangen, zich voldoende een oordeel kunnen vormen over het aanbod. De schuldeisers, waaronder kleine ondernemingen en particulieren, krijgen mogelijk onvoldoende informatie om te “weten wat zij niet weten”. Zij kunnen hierdoor in hun belangen worden geschaad. Daar komt bij dat de rechtbank in het kader van de behandeling van een eventueel verzoek tot homologatie van het akkoord ambtshalve zal moeten toetsen of aan de informatieverplichting in het kader van de aanbieding van het akkoord is voldaan. Ook de rechtbank heeft op dit moment onvoldoende informatie om die toetst te kunnen uitvoeren.
2.14.
De rechtbank acht het op basis van het voorgaande voorshands nodig een observator aan te stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank [verzoekster] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van deze voorziening, de persoon en het specialisme van de te benoemen observator en over de onderwerpen waarop de observator zich voornamelijk zal moeten gaan richten.
2.15.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat met name de navolgende onderwerpen door de observator moeten worden onderzocht:
- 1.
- 2.
Wat is de reorganisatiewaarde als daarbij niet uitsluitend wordt gekeken naar de waarden per ultimo 2020, maar ook naar de reorganisatiemaatregelen gedurende 2020?
- 3.
Wat is het effect van de overgang van de activiteiten van [verzoekster] naar [bedrijf 3] op de reorganisatiewaarde? Heeft dit ook effect op de waarde die in een faillissementsscenario kan worden gerealiseerd?
- 4.
In hoeverre zijn de mutaties die in de periode 2019 tot en met heden hebben plaatsgevonden in de intercompany / rekening-courantvorderingen tussen de genoemde (groeps)vennootschappen van belang voor de schuldeisers bij het bepalen van hun standpunt met betrekking tot het akkoord en (indien relevant) wat zijn die mutaties?
- 5.
Indien de informatie te beperkt is, welke aanvullende informatie moeten de schuldeisers krijgen om zich een goed oordeel te kunnen vormen over het akkoord?
- 6.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens de observator kennis moet nemen bij de beoordeling van eventueel homologatieverzoek?
2.16.
De rechtbank is voornemens een van de volgende personen tot observator aan te stellen. Indien [verzoekster] zich wenst uit te laten over de persoon van de te benoemen observator, dient zij daarbij aan te geven tegen wie zij gemotiveerd bezwaar heeft.
- de heer mr. C. Houtman (DAAN Advocatuur), advocaat te Arnhem,
- de heer mr. R. Faasse (Dirkzwager), advocaat te Nijmgen,
- de heer mr. D. Vrijbergen (JPR Advocaten), advocaat te Doetichem.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat [verzoekster] zich uiterlijk op 10 maart 2021 door middel van een akte kan uitlaten over de voorgenomen voorziening,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. E. Boerwinkel, voorzitter, mr. P.J. Neijt enmr. M.C. Bosch, rechters, en is in aanwezigheid van G.V. Cassese, griffier, uitgesproken op
4 maart 2021.
Uitspraak 21‑01‑2021
Inhoudsindicatie
WHOA. Wet Homologatie Onderhands Akkoord. Toewijzing verzoek afkoelingsperiode.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team Insolventies – meervoudige kamer
afkondigen afkoelingsperiode
rekestnummer: 21/27 HO/RK
uitspraakdatum: 21 januari 2021
beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 376 Fw, met bijlagen, van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1] ,
handelende onder de namen [bedrijf 1] en [bedrijf 1] ,
ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
[adres] ,
verzoekster,
advocaat: mr. R.H.P. van de Venne te Zutphen.
1. De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 8 januari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd en verzocht een afkoelingsperiode ex
artikel 376 Fw te gelasten voor een periode van twee maanden. Verzoekster heeft op 12, 14 en 15 januari 2021 nadere producties in het geding gebracht.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Het verzoek is op 14 januari 2021 in aanwezigheid van de heer [bestuurder] , bestuurder en aandeelhouder van verzoekster, en zijn advocaat in raadkamer behandeld.
1.4.
Ter terechtzitting is het verzoek nader toegelicht.
2. De feiten
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
2.1.
Verzoekster is gevestigd in [vestigingsplaats] en oefent daar een bedrijf uit. De bedrijfsactiviteiten van verzoekster bestaan uit algemene burgerlijke en utiliteitsbouw.
2.2.
[schuldeiser] heeft een vordering van ongeveer € 20.000,00 op verzoekster en deze schuldeiser dreigt het faillissement van verzoekster aan te vragen. Daarnaast heeft crediteur [crediteur] , in verband met een door hem gestelde vordering waarover partijen thans een bodemprocedure voeren bij de burgerlijke rechter, conservatoir verhaalsbeslag laten leggen op roerende zaken en op vorderingen van verzoekster op andere opdrachtgevers. De laatstbedoelde beslagen op de vorderingen zijn opgeheven tegenover verstrekking aan [crediteur] van een pandrecht op een (gedeelte van de) vordering die verzoekster heeft op één van haar opdrachtgevers (c.q. de in verband daarmee in depot gehouden gelden).
2.3.
In de op 8 januari 2021 gedeponeerde startverklaring en in het verzoekschrift heeft verzoekster toegezegd dat zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden, een akkoord zal worden aangeboden.
3. Het standpunt van verzoekster
3.1.
Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat begin 2020 een geschil is ontstaan met een opdrachtgever ( [crediteur] ). Het geschil en de in verband hiermee gelegde beslagen op vorderingen van verzoekster op andere opdrachtgevers hadden financiële gevolgen die leidden tot de stagnatie van verzoeksters bouwactiviteiten, waardoor er in 2020 een fors verlies is geleden. Geprobeerd is om (verdere) financiële gevolgen af te wenden door middel van het voeren van procedures tegen de opdrachtgever, maar door een voor verzoekster ongunstig tussenvonnis van 30 september 2020 is duidelijk geworden dat dit niet op korte termijn zal gaan lukken. Daarnaast heeft [schuldeiser] een vordering van ongeveer€ 20.000,00 op verzoekster en [schuldeiser] dreigt het faillissement van verzoekster aan te vragen. De schuldenlast van verzoekster bedraagt ongeveer € 330.000,00.
3.2.
Verzoekster vreest dat [crediteur] , indien deze crediteur op de hoogte raakt van (het voornemen tot het aanbieden van) een akkoord en beschikt over een titel voor de executie van de vordering op verzoekster, over zal gaan tot inning van de verpande vorderingen en verkoop van de beslagen zaken, en daarnaast tot het leggen van executoriaal verhaalsbeslag op vorderingen die verzoekster heeft op opdrachtgevers, voor zover nog niet verpand. Dit kan als gevolg hebben dat het akkoord geen doorgang kan vinden. Voorwaarde voor homologatie van het akkoord is immers dat het bedrijf na homologatie voortgezet kan worden. Als er geen inventaris of bedrijfsmiddelen meer zijn, of als er geen inkomsten meer zijn om het afmaken van (winstgevend) onderhanden werk te financieren, dan moet het bedrijf noodgedwongen worden gestaakt en is een faillissement waarschijnlijk onvermijdelijk. In dat geval worden de crediteuren die geen verhaal hebben genomen op het vermogen van verzoekster benadeeld doordat (althans een groot deel van het) vermogen (vorderingen, roerende zaken en nog niet opeisbare vorderingen) is verdwenen, terwijl zij door een akkoord een uitkering kunnen krijgen.
4. De beoordeling
4.1.
Het onderhavige verzoek is gegrond op de tweede afdeling van titel III van de Faillissementswet (homologatie van een onderhands akkoord). Het verzoek ziet op het afkondigen van een afkoelingsperiode (artikel 376 Fw).
4.2.
Verzoekster heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure en heeft daarbij aangevoerd welke redenen daaraan ten grondslag liggen. Nu verzoekster de keuze heeft gemaakt voor een besloten akkoordprocedure is dit verzoek in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om derden in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven op het verzoek.
Rechtsmacht
4.3.
Verzoekster is gevestigd in de gemeente [vestigingsplaats] . Gezien het bepaalde in
artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om dit verzoek in behandeling te nemen.
Startverklaring en afkoelingsperiode
4.4.
Verzoekster heeft op 8 januari 2021 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. Verzoekster heeft toegezegd dat zij zo snel mogelijk doch uiterlijk binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden. Verzoekster heeft op dit moment voldoende onderbouwd op welke wijze zij binnen deze termijn een akkoord kan aanbieden aan haar schuldeisers.
Noodzaak afkoelingsperiode
4.5.
Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door verzoekster gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten. Zo is er een schuldeiser die heeft gedreigd om het faillissement van verzoekster aan te vragen. Daar komt bij dat als crediteur [crediteur] op de hoogte komt van (het voornemen) tot het aanbieden van een akkoord en beschikt over een titel voor executie van haar vordering op verzoekster, hij mogelijk over zal gaan tot verkoop van de beslagen zaken waardoor verzoekster haar bedrijfsvoering niet voort kan zetten. Dit kan als gevolg hebben dat het akkoord geen doorgang kan vinden. Voorwaarde voor de financiering van het akkoord is immers dat het bedrijf na homologatie kan worden voortgezet. Als er geen inventaris of bedrijfsmiddelen meer zijn, of als er geen inkomsten meer zijn om het afmaken van (winstgevend) onderhanden werk te financieren, dan moet het bedrijf noodgedwongen worden gestaakt en is een faillissement onvermijdelijk.
Belangen schuldeisers
4.6.
Uit de stellingen van verzoekster volgt dat indien de onderneming kan worden gecontinueerd het aan te bieden akkoord kan worden gefinancierd uit (winstgevend) onderhanden werk. Daarnaast kunnen de voor het akkoord benodigde gelden beschikbaar worden gesteld door een andere vennootschap van de heer [bestuurder], te weten [bedrijf 2] of door de bestuurder zelf. Uit hetgeen door verzoekster ter zitting naar voren is gebracht volgt dat met een akkoord een hogere uitkering aan de schuldeisers zal kunnen plaatsvinden dan ingeval van een faillissement, dat zonder totstandkoming van een akkoord onafwendbaar zal zijn. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat summierlijk is gebleken dat op dit moment de belangen van de gezamenlijke schuldeisers gediend zijn met het gelasten van een afkoelingsperiode, die noodzakelijk is ter voorbereiding van een akkoord dat in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is. Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode zal dan ook worden toegewezen met de hierna te noemen beperking.
4.7.
[crediteur] heeft een openbaar pandrecht verkregen op een vordering. Over de betalingen op deze vorderingen hebben partijen afspraken gemaakt in de pandakte. [crediteur] is daarmee op dit moment de enige bekende schuldeiser met een voorrangspositie. Gelet op de positie van een pandhouder in faillissement, zal [crediteur] ook in het geval van totstandkoming van een akkoord zich op basis van de pandakte kunnen verhalen. Een gevolg van de afkoelingsperiode is daarom uitdrukkelijk niet dat de bevoegdheid van [crediteur] die volgen uit de pandakte worden beperkt. [crediteur] behouden dus de bevoegdheid om de vordering te innen op de wijze als in de pandakte omschreven. Voor zover nodig zal de rechtbank het bereik van de afkoelingsperiode bovendien beperken in die zin dat [crediteur] zich vervolgens ook mag voldoen uit het geïnde, op de in artikel 7 van de pandakte omschreven wijze.
Voorzieningen
4.8.
Hoewel verzoekster voor dit moment voldoende heeft onderbouwd op dat aanbieding van een akkoord mogelijk is, valt op dat verzoekster nog weinig concreet is in haar plannen voor reorganisatie. De rechtbank zal daarom bepalen dat verzoekster de rechtbank uiterlijk 21 februari 2021 moet informeren over de voortgang van de (voorbereidingen van) de akkoordprocedure. Dit dient te gebeuren door middel van een schriftelijk verslag waaruit ten minste moet blijken welke acties verzoekster heeft ondernomen om tot een akkoord te komen, in hoeverre is voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan het indienen van een akkoord (onder meer artikel 374 en 375 Fw) en wanneer een akkoord aan de schuldeisers zal worden voorgelegd. Daarnaast wenst de rechtbank bij dit volgende informatiemoment een concreter plan met zicht op financiering van het akkoord te zien en een lijst van in het akkoord betrokken schuldeisers met vermelding van de vorderingen van die schuldeisers.
4.9.
Verder wenst de rechtbank in voornoemd schriftelijk verslag nader geïnformeerd te worden over de volgende punten, die uit de na de zitting van 14 januari 2021 overlegde jaarrekening over het jaar 2019 naar voren zijn gekomen:
- Het eigen vermogen van verzoekster was in 2019 nog € 134.000. Wat zegt dat over de reorganisatiewaarde van verzoekster?
- De liquidatie waarde van verzoekster lijkt vooral lager doordat er kennelijk in het pand is geïnvesteerd. Niet duidelijk is echter van wie het betreffende pand is. Wie is eigenaar van het door verzoekster gebruikte bedrijfspand en onder welke voorwaarden wordt dat door verzoekster gebruikt?
- Er is sprake van een fiscale eenheid en mogelijk is – in tegenstelling tot wat verzoekster heeft verklaard – toch sprake van een fiscale schuld.
5. De beslissing
De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw af voor een periode van twee maanden, ingaande 21 januari 2021, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van
verzoeker behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoeker bevinden, gedurende een periode van twee maanden niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt voorbereid;
- dat [crediteur] bevoegd blijft tot het innen van gelden voor zover de in rechtsoverweging 4.7. bedoelde pandakte hem die bevoegdheid verleent;
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surséance van betaling,
een eigen aangifte of een door de schuldeiser jegens de schuldenaar ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst;
- bepaalt dat verzoekster de rechtbank uiterlijk 21 februari 2021 informeert over de voortgang van de akkoordprocedure, op de wijze zoals hiervoor onder r.o. 4.8. beschreven;
- bepaalt dat verzoekster de rechtbank uiterlijk 21 februari 2021 informeert over de in r.o. 4.9. van deze beslissing genoemde vraagpunten terzake de jaarrekening over het jaar 2019.
Deze beslissing is gegeven door mr. E. Boerwinkel, voorzitter, mr. P.J. Neijt enmr. M.C. Bosch, rechters, en is in aanwezigheid van G.V. Cassese, griffier, uitgesproken op 21 januari 2021.