Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.7.3
4.7.3 Parlementaire geschiedenis WS 1956
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383697:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit blijkt ook uit de hiervoor genoemde uitspraak Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953, 317 (Stichting B.W.T.).
Kamerstukken I 1955-1956, 3463, nr. 100b, par. 4, p. 6. Minister Van Oven merkte hierbij echter op dat de praktijk stichtingen kent met een zogenaamd dagelijks bestuur en daarnaast een zogenaamd algemeen bestuur, dat in wezen niets anders is dan de ledenvergadering. Ik ga er echter van uit dat hij doelde op een bestuursmodel waarin de algemene bestuurders geen bestuurders in de zin van de wet zijn.
Handelingen II 1955-1956, p. 2129.
Handelingen II 1955-1956, p. 2093.
Handelingen II 1955-1956, p. 2129.
Handelingen II 1955-1956, p. 2114.
Handelingen II 1955-1956, p. 2131. Uit het schriftelijk verslag van het mondeling overleg tussen Minister Donker en de Vaste Commissie voor Justitie (Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 4, p. 6-7) blijkt dat de Minister aanvankelijk onder leden verstond “zij, van wie het bestuur in algemene zin afhankelijk is, met name doordat zij het recht van benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders hebben.” Daarna volgende een enigszins verwarrende discussie. Onder meer werd aan de Minister gevraagd of donateurs als leden worden aangemerkt als zij bij meerderheidsbesluit één of meer bestuurders kunnen ontslaan of dat van zeggenschap pas sprake is indien een groep van aangeslotenen bevoegd is het bestuur bindende aanwijzingen te geven. Minister Donker antwoordde dat “contribuanten” die de bevoegdheid hebben tot benoeming, ontslag en schorsing van bestuurders “in wezen leden zijn”. Een aantal leden van de Vaste Commissie wees op het feit dat leden bijvoorbeeld door middel van een kascommissie de “financiële gestie” van het bestuur kunnen controleren, hetgeen juist toegejuicht zou moeten worden. Andere leden noemden de mogelijkheid dat een stichtingsbestuur op grond van de statuten onder toezicht wordt gesteld van commissarissen die door donateurs worden benoemd. De Minister antwoordde dat toezicht zonder sanctie (de bevoegdheid bestuurders te ontslaan en nieuwe te benoemen) weinig zin had, maar dat het aan de rechtspraak wordt overgelaten in concrete gevallen de grens te trekken.
Handelingen II 1955-1956, p. 2129. De bevoegdheden van leden zijn “van deze aard, dat zij hebben een recht van benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders, maar ook de middelen om het beleid van het bestuur te bepalen. Wanneer er voldoende van die bevoegdheden aanwezig zijn om te concluderen tot een lidmaatschap, is een vraag, die aan de hand van die concrete bevoegdheden te zijner tijd door de rechter zal moeten worden beslist”. Voorts zegt Minister Donker dat het denkbaar is “dat de rechter van een commissie van geïnteresseerden, die alleen de bevoegdheid van kascontrole heeft, zal zeggen: dat ligt niet op het terrein van het lidmaatschap, m.a.w. daarmee zijn deze personen nog niet als lid te kwalificeren”.
Kamerstukken I 1955-1956, 3463, nr. 100b, par. 4, p. 6.
Handelingen I 1955-1956, p. 2358.
In de WS 1956 werd – in aansluiting op het arrest inzake Stichting B.W.T. – in artikel 1 opgenomen dat de stichting “geen leden kent”. Dezelfde bewoordingen staan in het huidige artikel 2:285 lid 1 BW.
Achtergrond
Hiervoor kwam de achtergrond van diverse materiële kenmerken al aan de orde. Uit het verslag van het overleg tussen de vaste Commissie voor Justitie en de Minister van Justitie blijkt dat de meerderheid van de Commissie aanvankelijk niet kon inzien waarom de wetgever burgers het recht zou dienen te ontnemen een stichting met leden in het leven te roepen indien daartoe blijkens de praktijk behoefte gevoeld werd.1 Minister Donker merkte op dat indien uit artikel 1 zowel de vermogenseis geschrapt zou worden (hetgeen uiteindelijk gebeurde) als de eis van het niet hebben van leden geschrapt zou worden, elk onderscheid tussen de stichting en de vereniging zou komen te vervallen. De Kamer stemde eerder in met handhaving van het preventief toezicht bij de vereniging en om die reden ging het naar de mening van de Minister niet aan om bij de regeling van de stichting een ontsnappingsmogelijkheid op onbeperkte schaal te scheppen waarmee men de regeling van de vereniging illusoir maakt. Het ledenverbod werd opgenomen om misbruik van de stichtingsvorm te voorkomen.
Benaming “leden”
De benaming “leden” is niet van doorslaggevende betekenis voor de vraag of het ledenverbod wordt overtreden. De rechter dient materieel te toetsen; ook degenen die in de statuten worden aangeduid als “deelhebbers”, “aangeslotenen” of “contribuanten” kunnen onder het begrip leden vallen.2 Overigens volgt uit de wetsgeschiedenis dat het bestuur zelf het ledenverbod niet kan overtreden.3
Van belang is welke bevoegdheden het orgaan, dat wordt gevormd door deelnemers, aangeslotenen, etc. heeft.4 Het gaat om de juridische constructie, waarbij beslissend is welke bevoegdheden de statuten aan het orgaan toekennen en niet welke bevoegdheden het orgaan daadwerkelijk uitoefent. In de MvT is hierover te lezen:
“Personen, die bij een stichting zijn aangesloten, doch geen zeggenschap hebben, kunnen niet als leden worden beschouwd. Er bestaat dus geen bezwaar, dat een stichting aangeslotenen in evenbedoelde zin heeft.”5
Bevoegdheid om bestuurders te benoemen
Hiervoor kwam aan de orde dat bij corporatieve rechtspersonen de leden of aandeelhouders het doel en de organisatie van de rechtspersoon kunnen bepalen. Bij een stichting worden doel en organisatie in aanvang bepaald door de oprichter die vaak geen deel uitmaakt van een stichtingsorgaan. Wordt het ledenverbod dan al overtreden indien een stichtingsorgaan, net zoals de algemene vergadering, de organisatie van de stichting kan bepalen, dat wil zeggen: bestuurders kan benoemen?
De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de enkele bevoegdheid van een stichtingsorgaan om bestuurders te benoemen nog niet leidt tot overtreding van het ledenverbod (zie ook artikel 1 lid 2WS 1956 en artikel 2:285 lid 2 BW). Naar aanleiding van een vraag van Kamerlid Ten Hagen6 antwoordde Minister Donker dat het immers niet zo zou moeten zijn dat het bestuur van een stichting slechts door middel van coöptatie benoemd kan worden.7 Minister Donker zei daarover:
“Ik zou in artikel 1 willen bepalen: Indien de statuten één of meer personen de bevoegdheid geven in de vervulling van ledige plaatsen – dat wil dus zeggen vacatures – in organen van de stichting te voorzien, wordt zij niet uit dien hoofde aangemerkt leden te kennen. Dat komt derhalve hierop neer dat de benoemingsbevoegdheid op zich zelf nog niet tot lid stempelt. Wil de rechter tot deze laatste kwalificatie komen, dan zal er iets bij moeten komen of, liever gezegd, er zullen verschillende dingen bij moeten komen. De rechter zal moeten nagaan of de positie van deze geïnteresseerden of hoe men hen ook noemen wil – want de naam doet uiteraard niet ter zake, zoals de geachte afgevaardigde de heer Ten Hagen terecht heeft gezegd –, zodanig geregeld is, dat hun positie overeenkomt met die van leden van een vereniging.”8
Indien een stichtingsorgaan naast de bevoegdheid tot benoeming, de bevoegdheid tot schorsing en ontslag van bestuurders heeft, dan is men volgens Minister Donker “al dicht bij de figuur van leden met volledige bevoegdheid, hoewel men die dan misschien nog niet helemaal benaderd heeft”.9 Het is aan de rechter om te bepalen of in een concreet geval sprake is van overtreding van het ledenverbod, aldus Minister Donker.10 De rechter dient daarbij te kijken naar het “totaalpakket aan bevoegdheden” dat het stichtingsorgaan heeft.
Hoogste gezag
Minister Van Oven, de opvolger van Minister Donker, deed bij de behandeling van de WS 1956 in de Eerste Kamer pogingen om het ledenverbod verder te verduidelijken. Hij herhaalde dat uiteindelijk de rechter beslist of de toegekende bevoegdheden zodanig zijn dat er personen zijn die de positie hebben van leden van een vereniging. Dit zal naar zijn mening het geval zijn als er personen anders dan bestuurders zijn die “krachtens de statuten zodanige zeggenschap hebben, dat zij het hoogste gezag in de stichting vormen”. Indien er personen zijn die cumulatief jegens het bestuur bepaalde benoemings- en schorsingsrechten alsmede “controlerechten” hebben (bijvoorbeeld het recht om de kas te controleren), dan kan de grens van het toelaatbare zijn overschreden, aldus Minister van Oven. Hij vervolgt:
“Maar beslissend blijft, of de concrete uitwerking van de bevoegdheden zodanig is, dat het hoogste gezag niet bij het bestuur, doch bij hen berust.”11
Volgens Minister Van Oven is beslissend of er naast het bestuur personen zijn, bij wie bevoegdheden dusdanig zijn geconcentreerd, dat “in wezen zij het beleid van de stichting kunnen bepalen”. Tot slot zei Minister Van Oven tijdens de behandeling in de Eerste Kamer over dit onderwerp, vlak voordat het wetsontwerp werd aangenomen, nog het volgende:
“Een stichting is per definitionem gescheiden van een vereniging door artikel 1. Zij is, om het met andere woorden te zeggen dan dit artikel het aangeeft, een organisatie tot beheer van een vermogen met een onbaatzuchtig doel; zij is geen vereniging en zij heeft geen “leden”. Dit is het beginsel, maar dat beginsel is verder soepel uitgewerkt. Vermogen hoeft er niet te zijn, als het maar kan komen. Leden mogen er desnoods zijn, maar zij mogen niet in het wezen, dat is het werk van de stichting beslissend ingrijpen. Dat is het ontwerp in a nutshell.”12
Hoewel “het wezen” of “het werk” van de stichting een enigszins cryptische formulering is, ga ik er van uit dat de Minister doelde op de werkzaamheden, het (hoofd)doel van de stichting. Naar mijn mening vat de Minister in voornoemd citaat de kern van het ledenverbod samen. Aan een stichtingsorgaan kunnen allerlei bevoegdheden worden toegekend, zolang het orgaan maar niet de “hoogste macht” vormt, die net als een algemene vergadering de voornaamste activiteiten van de stichting kan bepalen.