Bestaande uit -/- € 2.868 aandeel resultaat en -/- € 920 persoonlijke afschrijving.
Rb. Gelderland, 28-10-2026, nr. ARN 24/7170
ECLI:NL:RBGEL:2026:8296
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
28-10-2026
- Zaaknummer
ARN 24/7170
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2026:8296, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 28‑10‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2026110401
NLF 2026/2365
Uitspraak 28‑10‑2026
Inhoudsindicatie
IB/PVV 2021. Belanghebbende en haar echtgenoot exploiteren in maatschapsverband een melkveebedrijf. Belanghebbende werkt 1.250 uur binnen de maatschap, haar echtgenoot 3.150. Bij de resultaatsverdeling wordt aan de echtgenoot een arbeidsvergoeding toegekend van € 57.000 voor de extra gewerkte uren. In geschil is of de resultaatsverdeling zakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een onzakelijke resultaatsverdeling. De stelling van de inspecteur dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn om mee te betalen aan die arbeidsvergoeding is voor de rechtbank onbegrijpelijk. Dat het toekennen van de arbeidsbeloning tot een verlies lijdt bij belanghebbende maakt geen verschil.
Partij(en)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7170
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 28 oktober 2025
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2021 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente (de belastingrentebeschikking). Belanghebbende is het niet eens met de aanslag. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking niet te hoog zijn vastgesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking te hoog zijn vastgesteld. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrente worden verminderd. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.023.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 52 belastingrente in rekening gebracht en het bedrag van de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek vastgesteld op € 6.670.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juli 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] en namens de inspecteur [persoon 4] en [persoon 5] .
Feiten
1. Belanghebbende is samen met haar echtgenoot per 1 januari 2017 een maatschap aangegaan. Binnen dit maatschapsverband exploiteren zij een melkveebedrijf. Voor 1 januari 2017 exploiteerde de echtgenoot de onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
2. Door belanghebbende en haar echtgenoot is in de maatschap ingebracht hun kennis, arbeid en vlijt en relaties en vergunningen. Door de echtgenoot is tevens ingebracht - met voorbehoud van de per aanvangsdatum aanwezige stille reserves - de economische eigendom van de bedrijfsgebouwen en de grond, de productierechten en de tot het bedrijf behorende roerende zaken.
3. In de maatschapsakte is in artikel 6 over de verdeling van de winsten en verliezen het volgende bepaald:
1. De jaarlijkse winsten of verliezen worden als volgt verdeeld:
a. voor zover van toepassing ontvangt een vennoot eerst de winstafhankelijke vergoeding als in artikel 5 lid 5 sub a bedoeld;
b. in onderling overleg kunnen de vennoten aan één van hen of aan hen beiden vooraf een extra vergoeding voor de geleverde arbeidsprestaties toekennen;
c. in onderling overleg kunnen de vennoten voorts jaarlijks overeenkomen dat zij een rente genieten over het creditsaldo van hun kapitaalrekening zoals dat per aanvang boekjaar op de balans van de maatschap is vermeld;
d. de alsdan resterende winsten of verliezen worden jaarlijks in onderling overleg verdeeld en bij gebreke van overeenstemming als volgt: vennoot A 50% en vennoot B 50%.
(…)
4. De resultaatsverdeling tussen belanghebbende en haar echtgenoot heeft in 2021 als volgt plaatsgevonden:
Resultaat volgens winst- en verliesrekening | € 23.914 | ||
Persoonlijke afschrijving | |||
Echtgenoot | € 26.430 | ||
Belanghebbende | € 920 | ||
€ 27.350 | |||
Arbeidsvergoeding echtgenoot | € 57.000 | -/- | |
Te verdelen winst | -/- € 5.736 | ||
Aandeel echtgenoot | 50% | -/- € 2.868 | |
Aandeel belanghebbende | 50% | -/- € 2.868 |
5. Bij de resultaatverdeling is uitgegaan van 1.250 gewerkte uren door belanghebbende en 3.150 uren door haar echtgenoot.
6. Belanghebbende werkte in 2021 ook in loondienst bij [bedrijf] BV. Het bruto salaris in 2021 vanuit dit dienstverband bedroeg € 26.481.
7. Op 21 juli 2022 is de aangifte IB/PVV 2021 voor belanghebbende ingediend. Daarin is aangegeven een loon uit dienstbetrekking van € 26.481 en een verlies uit onderneming van € 8.182. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Investeringsaftrek | € 5.725 |
Saldo fiscale winstberekening | -/- € 3.7881. |
MKB-winstvrijstelling | -/- € 1.331 |
8. De inspecteur is een onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV 2021. Naar aanleiding van dit onderzoek is op 23 maart 2023 een controlerapport opgemaakt. Daarin zijn de volgende correcties aangekondigd op de aangifte IB/PVV 2021:
Correctie | Bedrag na correctie | |
Winstaandeel | + € 2.868 | -/- € 920 |
Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek | -/- € 1.462 | € 4.263 |
MKB-winstvrijstelling | + € 606 | -/- 725 |
9. De inspecteur heeft op 20 april 2023 de aanslag IB/PVV 2021 vastgesteld. Daarbij is hij afgeweken van de aangifte conform de hierboven genoemde correcties.
10. De correctie van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek staat tussen partijen niet ter discussie.
11. Partijen zijn op de zitting overeengekomen er voor deze zaak vanuit te gaan dat de geldwaarde van een gewerkt uur voor belanghebbende en haar echtgenoot gelijk is.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft de inspecteur het aangegeven verlies ten onrechte gecorrigeerd?
12. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte heeft gecorrigeerd. Aan de echtgenote van belanghebbende is een arbeidsvergoeding toegekend voor de uren die hij extra heeft gewerkt ten opzichte van belanghebbende. Volgens belanghebbende leidt dit tot een resultaatsverdeling die in overeenstemming is met de in de maatschapsakte gemaakte afspraak en is dit een zakelijke resultaatsverdeling. Het is aan de inspecteur om te bewijzen dat de resultaatsverdeling onzakelijk is.
13. De inspecteur is van mening dat de arbeidsvergoeding onderdeel is van de te verdelen winst en niet meer kan bedragen dan het gerealiseerde resultaat van de maatschap. Een arbeidsvergoeding die berekend is op grond van meerarbeid en daardoor hoger is dan het resultaat van de maatschap is volgens de inspecteur onzakelijk. Een onafhankelijke derde zou namelijk niet bereid zijn om mee te betalen aan die arbeidsvergoeding, zeker niet wanneer deze onafhankelijke derde zelf ook substantiële werkzaamheden binnen de maatschap heeft verricht.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Een maatschap is volgens de wettelijke definitie ‘eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen’.2.Dit impliceert dat de winst gemeenschappelijk moet zijn en dat alle vennoten moeten meedelen in het voordeel. Civielrechtelijk bestaat een grote mate van vrijheid om afspraken te maken over de resultaatsverdeling. Fiscaalrechtelijk wordt in beginsel de civielrechtelijke resultaatsverdeling gevolgd, tenzij deze onzakelijk is. Dat is het geval als de overeengekomen resultaatsverdeling tussen van elkaar onafhankelijke partijen niet op die manier zou zijn overeengekomen. In zo’n geval moet fiscaalrechtelijk een correctie worden toegepast op de resultaatsberekening.3.De zakelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van de inbreng van de vennoten. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, zoals de hoeveelheid arbeid en de soort arbeid die door de vennoten wordt verricht, de interne draagplicht voor verliezen, de externe aansprakelijkheid en de omvang van het ingebrachte vermogen.4.De bewijslast dat sprake is van een onzakelijke resultaatsverdeling rust op de inspecteur.
15. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van een onzakelijke resultaatsverdeling. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de winst per subjectieve onderneming wordt bepaald en dat gekeken moet worden naar het geheel van afspraken en de inbreng van iedere vennoot en niet alleen naar de (hoogte van de) arbeidsvergoeding. De gemachtigde van belanghebbende heeft verklaard dat de eerste 1.250 uren door beide vennoten ‘gratis’ wordt ingebracht. De beloning die aan de echtgenoot is toegekend, is puur voor de extra arbeid (1.900 uren) die hij heeft ingebracht in vergelijking met belanghebbende. Anders dan de inspecteur lijkt te veronderstellen wordt dus alleen voor de door de echtgenoot meer gewerkte uren een arbeidsbeloning toegekend. De stelling van de inspecteur dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn om mee te betalen aan die arbeidsvergoeding is voor de rechtbank onbegrijpelijk. De rechtbank acht het toekennen van een dergelijke beloning voor meerarbeid niet onzakelijk. Gelet op de rest van de overeengekomen resultaatsverdeling zou eerder het niet toekennen van een arbeidsbeloning onzakelijk zijn geweest. Dat het toekennen van de arbeidsbeloning tot een verlies lijdt bij belanghebbende, maakt geen verschil. Dit zou anders kunnen zijn als het verlies enkel gecreëerd zou zijn vanuit fiscale motieven, maar dat is gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat er geen fiscaalrechtelijke regel bestaat dat in een geval van een positief vennootschapsresultaat een individuele vennoot geen negatief resultaat uit zijn eigen onderneming kan genieten.
16. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de inspecteur het aangegeven verlies ten onrechte heeft gecorrigeerd met € 2.868. De aanslag IB/PVV 2021 is dus te hoog vastgesteld. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV 2021 daarom als volgt verminderen5.:
Loon uit dienstbetrekking € 26.481
Investeringsaftrek € 4.263 -/-
Saldo fiscale winstberekening € 3.788 -/-
MKB-winstvrijstelling - € 1.128 -/- (- € 8.051 * 14%)
Belastbaar inkomen box 1 € 19.558
17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Omdat de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag wordt verminderd, vermindert de rechtbank het bedrag aan belastingrente dienovereenkomstig.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.558 en vermindert het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig.
19. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.200 en is als volgt opgebouwd: Voor de bezwaarfase een punt voor het bezwaarschrift en een punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1. Voor de beroepsfase een punt voor het beroepschrift en een punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2021 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.558 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 28 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier | rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑10‑2026
Artikel 7A:1655 Burgerlijk Wetboek.
Hoge Raad 12 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2098 en Hoge Raad 9 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8960.
Vergelijk Rechtbank Arnhem 20 februari 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BH4789.
De rechtbank wijkt daarbij af van de berekening van belanghebbende, omdat daarin geen rekening is gehouden met de terechte correctie op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.