Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 26-07-2017, nr. C-112/16
ECLI:EU:C:2017:597
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
26-07-2017
- Magistraten
T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-112/16
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Persidera
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:597, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑07‑2017
ECLI:EU:C:2017:250, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑03‑2017
Uitspraak 26‑07‑2017
T. von Danwitz, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-112/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) bij beslissing van 2 juli 2015, ingekomen bij het Hof op 24 februari 2016, in de procedure
Persidera SpA
tegen
Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni,
Ministero dello Sviluppo Economico, delle Infrastrutture e dei Trasporti,
in tegenwoordigheid van:
Radiotelevisione italiana SpA (RAI),
Reti Televisive Italiane SpA (RTI),
Elettronica Industriale SpA,
Television Broadcasting System Spa,
Premiata Ditta Borghini e Stocchetti di Torino Srl,
Rete A SpA,
Centro Europa 7 Srl,
Prima TV SpA,
Sky Italia Srl,
Elemedia SpA,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, C. Vajda, K. Jürimäe (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 februari 2017,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Persidera SpA, vertegenwoordigd door F. Pace, L. Sabelli en B. Caravita di Toritto, avvocati,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,
- —
Radiotelevisione italiana SpA (RAI), vertegenwoordigd door G. de Vergottini, avvocato,
- —
Reti Televisive Italiane SpA (RTI), vertegenwoordigd door L. Medugno, G. Rossi, I. Perego, G. M. Roberti en M. Serpone, avvocati,
- —
Elettronica Industriale SpA, vertegenwoordigd door G. Rossi en L. Medugno, avvocati,
- —
de Sloveense regering, vertegenwoordigd door A. Vran als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Nicolae, L. Malferrari en G. Braun als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 maart 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 37) (hierna: ‘machtigingsrichtlijn’), artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140 (hierna: ‘kaderrichtlijn’), de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB 2002, L 249, blz. 21; hierna: ‘mededingingsrichtlijn’) alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrije mededinging, het evenredigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van pluriformiteit op informatiegebied.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen enerzijds Persidera SpA en anderzijds de Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni (autoriteit voor telecommunicatie, Italië; hierna: ‘AGCOM’) en het Ministero dello Sviluppo Economico, delle Infrastrutture e dei Trasporti (ministerie van Economische Ontwikkeling, Infrastructuur en Transport, Italië) over de toewijzing van gebruiksrechten voor radiofrequenties voor terrestrische digitale televisie-uitzendingen.
Toepasselijke bepalingen
3
Het nieuwe gemeenschappelijke regelgevingskader voor elektronischecommunicatiediensten, voor elektronischecommunicatienetwerken alsook voor de bijbehorende faciliteiten en diensten (hierna: ‘NGR’) bestaat uit de kaderrichtlijn en uit vier bijzondere richtlijnen, waaronder de machtigingsrichtlijn, die worden aangevuld door de mededingingsrichtlijn.
Kaderrichtlijn
4
Artikel 2, onder g), van de kaderrichtlijn definieert de ‘nationale regelgevende instantie’ (NRI) als ‘één of meer lichamen die door een lidstaat zijn belast met een van de regelgevende taken die in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen worden opgelegd’. Uit punt l) van dit artikel 2 blijkt dat de machtigingsrichtlijn een van de bijzondere richtlijnen is.
5
Artikel 8, lid 1, eerste alinea, en lid 4, onder b), van die richtlijn, luidt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de [NRI's] bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen.
[…]
- 4.
De [NRI's] bevorderen de belangen van de burgers van de Europese Unie, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- b)
zij waarborgen de consument een hoog niveau van bescherming […]’.
6
Artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiofrequenties een publiek goed zijn dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de radiofrequenties voor elektronischecommunicatiediensten op hun grondgebied efficiënt worden beheerd overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis. Zij zorgen ervoor dat de spectrumtoewijzing voor elektronischecommunicatiediensten en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor die radiofrequenties door de bevoegde nationale instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria.
Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de [Internationale Telecommunicatie Unie], en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.
- 2.
De lidstaten bevorderen de harmonisatie van het gebruik van radiofrequenties in de [Unie] in overeenstemming met de noodzaak een daadwerkelijk en efficiënt gebruik daarvan te waarborgen en met als doel voordelen voor de consumenten, zoals schaalvoordelen en interoperabiliteit van diensten. Zij handelen daarbij in overeenstemming met artikel 8 bis en beschikking nr. 676/2002/EG (radiospectrumbeschikking).’
Machtigingsrichtlijn
7
Artikel 3 van de machtigingsrichtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is [om] de in artikel [52, lid 1, VWEU] bedoelde redenen.
- 2.
Het aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken of het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten kan, onverminderd de specifieke verplichtingen van artikel 6, lid 2, en de gebruiksrechten van artikel 5, alleen worden onderworpen aan een algemene machtiging. Van de betrokken onderneming kan worden verlangd dat zij een kennisgeving indient, maar niet dat zij een expliciet besluit of andere bestuurshandeling van de [NRI] moet verkrijgen alvorens de uit de machtiging voortvloeiende rechten te kunnen uitoefenen. Na de eventueel vereiste kennisgeving kan een onderneming haar activiteiten aanvangen, waar nodig met inachtneming van de bepalingen inzake gebruiksrechten van de artikelen 5, 6 en 7.
[…]’
8
Artikel 5 van die richtlijn luidt:
- ‘1.
De lidstaten vergemakkelijken het gebruik van radiofrequenties in het kader van algemene machtigingen. De lidstaten kunnen zo nodig individuele gebruiksrechten verlenen teneinde:
- —
schadelijke interferentie te vermijden;
- —
de technische kwaliteit van de dienst te verzekeren;
- —
een efficiënt spectrumgebruik te waarborgen; of
- —
andere doelstellingen van algemeen belang te vervullen die door de lidstaten overeenkomstig het [Unierecht] worden bepaald.
- 2.
Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiofrequenties en nummers, verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging [als bedoeld in artikel 3], met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11, lid 1, onder c), van deze richtlijn en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig [de kaderrichtlijn].
Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het [Unierecht] na te streven worden dergelijke rechten verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van [de kaderrichtlijn]. De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiofrequenties voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de lidstaten van tevoren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de […] wetgeving [van de Unie].
[…]
- 5.
De lidstaten beperken het aantal te verlenen gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van radiofrequenties te waarborgen overeenkomstig artikel 7.
- 6.
De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat radiofrequenties daadwerkelijk en efficiënt worden gebruikt in overeenstemming met de artikelen 8[, lid 2,] en 9, lid 2, van [de kaderrichtlijn]. Zij zorgen er ook voor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. Voor dergelijke doeleinden nemen de lidstaten passende maatregelen zoals een vermindering, intrekking of gedwongen verkoop van een recht om radiofrequenties te mogen gebruiken.’
9
Artikel 7 van genoemde machtigingsrichtlijn betreft de procedure voor het beperken van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties, en bepaalt:
- ‘1.
Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, dient hij onder meer:
- a)
voldoende rekening te houden met de noodzaak de voordelen voor de gebruikers te maximaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen,
[…]
- 3.
Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn.’
Mededingingsrichtlijn
10
In artikel 2 van de mededingingsrichtlijn, dat ziet op uitsluitende en bijzondere rechten voor elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten, heet het:
- ‘1.
De lidstaten kennen geen uitsluitende of bijzondere rechten toe noch handhaven dergelijke rechten voor het aanleggen en/of het beschikbaar stellen van elektronischecommunicatienetwerken, of voor het verrichten van openbare elektronischecommunicatiediensten.
- 2.
De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat elke onderneming gerechtigd is elektronischecommunicatiediensten te verrichten, uit te breiden of elektronischecommunicatienetwerken aan te leggen.
[…]
- 4.
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat een aan een onderneming verleende algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of het aanleggen en/of aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken alsook de hieraan verbonden voorwaarden op objectieve, niet-discriminerende, evenredige en doorzichtige criteria gebaseerd is.
[…]’
11
Artikel 4 van die richtlijn, dat ziet op gebruiksrechten voor frequenties, luidt:
‘Zonder afbreuk te doen aan de specifieke criteria en procedures zoals goedgekeurd door de lidstaten voor de verlening van machtigingen voor het gebruik van radiofrequenties aan aanbieders van diensten in verband met de inhoud op televisie of radio met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang in overeenstemming met het [Unierecht]:
- 1.
verlenen lidstaten geen uitsluitende of bijzondere rechten voor het gebruik van radiofrequenties voor de verstrekking van elektronischecommunicatiediensten,
- 2.
dient de toewijzing van radiofrequenties voor elektronischecommunicatiediensten te geschieden op basis van objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en evenredige criteria.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12
Het hoofdgeding betreft de toewijzing van radiofrequenties voor terrestrische digitale televisie-uitzendingen aan marktdeelnemers die al in het bezit waren van analoge radiofrequenties en analoge kanalen exploiteerden. De digitale technologie kenmerkt zich door een hogere doorgifte-efficiëntie dan de analoge technologie doordat het daarmee mogelijk is om, anders dan bij analoge technologie, gelijktijdig verschillende programma's over dezelfde radiofrequentie uit te zenden. De daarmee vrijgekomen radiofrequenties vormen het ‘digitale dividend’.
13
De overgang van analoge naar digitale televisie (hierna: ‘digitale overgang’) is in Italië begonnen terwijl er tegen deze lidstaat een in 2006 opgestarte niet-nakomingsprocedure gaande was over de vraag of de Italiaanse regelgeving ter zake van het beheer van radiofrequenties voor televisie-uitzendingen, de digitale overgang en de toewijzing van digitale radiofrequenties verenigbaar is met de kader-, de machtigings- en de mededingingsrichtlijn. In haar met redenen omklede advies van 19 juli 2007 heeft de Europese Commissie in essentie opgemerkt dat die regelgeving marktdeelnemers die al via analoge technologie programma's uitzonden, onttrok aan mededinging op de markt voor digitale radio en televisie, doordat enkel aan hen toegang tot die markt werd verleend. De Italiaanse regering heeft verschillende maatregelen genomen om die regelgeving in overeenstemming te brengen met het recht van de Unie.
14
In dit kader heeft AGCOM besluit 181/09/CONS van 7 april 2009 vastgesteld. Dit besluit is vervolgens tot wet verheven bij legge n. 88 (wet nr. 88) van 7 juli 2009. Bij dit besluit heeft AGCOM de criteria vastgesteld voor de integrale digitalisering van de terrestrische televisienetwerken.
15
Dit besluit voorzag onder meer in de toewijzing van 21 nationale multiplexen, waarmee verschillende signalen in één gezamenlijke gegevensstroom kunnen worden gebundeld en tegelijkertijd verschillende digitale televisiediensten kunnen worden overgebracht. Met het oog op de verdeling hiervan onder nieuwe marktdeelnemers, marktdeelnemers die al digitale netwerken hadden aangelegd en marktdeelnemers die al analoge netwerken bedreven, zijn deze multiplexen in drie groepen met elk hun eigen toewijzingscriteria opgesplitst. Voorts was bepaald dat elke marktdeelnemer aan het eind van de selectieprocedure niet meer dan vijf nationale multiplexen mocht ontvangen.
16
Het hoofdgeding betreft slechts één van deze drie groepen. Deze groep bestaat uit acht multiplexen die zijn bestemd voor de omzetting van bestaande analoge kanalen in digitale netwerken. Gelet op het aantal beschikbare digitale radiofrequenties, dat kleiner is dan het aantal analoge kanalen, is in besluit 181/09/CONS uitgegaan van een zogeheten ‘redelijk’ omzettingscriterium, dat berust op de continuïteit van de analoog uitgezonden programma's. Voorts was erin voorzien dat elke marktdeelnemer die al actief was op de analoge markt, ten minste één multiplex zou ontvangen. Op basis hiervan zijn aan exploitanten met één netwerk drie multiplexen toegewezen. Vijf multiplexen zijn verdeeld onder de exploitanten met verschillende netwerken. Van die vijf hebben Radiotelevisione italiana SpA (RAI) en Mediaset, die elk drie analoge kanalen exploiteerden, twee multiplexen gekregen, terwijl Telecom Italia Media Broadcasting, die twee analoge kanalen exploiteerde, één multiplex heeft ontvangen.
17
Telecom Italia Media Broadcasting heeft bij de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) beroep ingesteld tot nietigverklaring van de toewijzingsbesluiten wat betreft deze laatste multiplexen en van de besluiten die daarvoor de rechtsgrondslag hebben gevormd. Met haar beroep vordert deze onderneming dat haar recht op een extra multiplex wordt erkend, dat de bevoegde autoriteiten wordt gelast haar deze multiplex toe te wijzen of dat zij worden veroordeeld om haar schadevergoeding te betalen.
18
Nadat haar beroep bij uitspraak nr. 1398/2014 was verworpen, heeft Telecom Italia Media Broadcasting hiertegen bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld.
19
Hangende het hoger beroep is Telecom Italia Media Broadcasting veranderd in Persidera, nadat Rete A SpA haar maatschappelijk kapitaal had ingebracht. Laatstgenoemde hield de gebruiksrechten voor twee nationale multiplexen. Als gevolg van deze operatie heeft Persidera nu vijf nationale multiplexen in bezit. Daarmee heeft zij het in punt 15 van dit arrest bedoelde maximum bereikt.
20
Bij de verwijzende rechter komt Persidera met name op tegen het criterium dat is toegepast voor de omzetting van bestaande analoge kanalen in digitale netwerken. Zij beroept zich op verschillende bepalingen van het Unierecht en stelt dat het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. Zij betoogt dat in haar geval een omzettingsfactor van 50 % is toegepast, aangezien er van de twee analoge kanalen één is omgezet in een digitaal netwerk, terwijl voor RAI en Mediaset een omzettingsfactor van 66 % is toegepast, aangezien er van de drie analoge kanalen twee in digitale netwerken zijn omgezet. Verder laakt zij het feit dat bij de omzetting voor deze twee exploitanten rekening is gehouden met op onrechtmatige wijze geëxploiteerde kanalen.
21
In deze omstandigheden heeft de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet het recht van Unie, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van [de kaderrichtlijn], de artikelen 3, 5 en 7 van [de machtigingsrichtlijn], en de artikelen 2 en 4 van [de mededingingsrichtlijn], alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale netwerken dat bij de omschakeling van analoge netwerken aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen, bepaalt dat ook analoge netwerken die in het verleden zijn geëxploiteerd in strijd met de concentratiegrenzen voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof […] of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd, in gelijke mate in aanmerking worden genomen als de analoge netwerken die rechtmatig zijn geëxploiteerd?
- 2)
Verzet het recht van de Unie, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van [de kaderrichtlijn], de artikelen 3, 5 en 7 van [de machtigingsrichtlijn], en de artikelen 2 en 4 van [de mededingingsrichtlijn], alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale netwerken dat bij de omschakeling van analoge netwerken aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen — waarbij alle tot op dat moment geëxploiteerde netwerken in aanmerking worden genomen, ook indien zij de concentratiegrenzen overschreden die waren voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof […] of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd — in concreto tot gevolg heeft dat de vermindering van het aantal digitale netwerken ten opzichte van het aantal in het analoge systeem geëxploiteerde netwerken in het geval van een marktdeelnemer met meerdere netwerken naar verhouding groter is dan de vermindering die aan zijn concurrenten wordt opgelegd?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
22
In de eerste plaats merkt de Italiaanse regering op dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ziet op een hypothetisch probleem dat niet van belang is voor de uitkomst van het hoofdgeding. Volgens de Italiaanse regering is het hoger beroep in het hoofdgeding namelijk gericht op verkrijging van een extra multiplex. Persidera heeft echter het toegestane maximum van vijf multiplexen bereikt.
23
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof in beginsel dus verplicht daarop te antwoorden (arrest van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, EU:C:2016:630, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het recht van de Unie die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid ervan te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 14 april 2016, Polkomtel, C-397/14, EU:C:2016:256, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 oktober 2016, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej en Petrotel, C-231/15, EU:C:2016:769, punt 16).
25
In dit geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het door Persidera ingestelde hoger beroep niet enkel strekt tot toewijzing van een extra multiplex, maar ook tot toekenning van schadevergoeding. Met haar beroep bestrijdt Persidera dat de voorschriften die zijn toegepast bij de omzetting van de analoge kanalen in digitale netwerken in overeenstemming zijn met het Unierecht, en met de gestelde vragen wordt juist beoogd de verwijzende rechter in staat te stellen zich daarover en over het verzoek om schadevergoeding een oordeel te vormen. Gelet hierop is niet gebleken dat het geschil in het hoofdgeding kennelijk hypothetisch is.
26
In de tweede plaats betogen de Italiaanse regering en Reti Televisive Italiane SpA in essentie dat het Hof niet over de nodige feitelijke en juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen.
27
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk is dat deze rechter nauwgezet de vereisten naleeft met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing, die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, en die de verwijzende rechter wordt geacht te kennen (zie in deze zin arresten van 5 juli 2016, Ognyanov, C-614/14, EU:C:2016:514, punten 18 en 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 oktober 2016, Audace e.a., C-114/15, EU:C:2016:813, punt 35).
28
Zo is het onontbeerlijk dat, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering, de verwijzingsbeslissing zelf de uiteenzetting bevat van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van een aantal Unierechtelijke bepalingen vragen te stellen alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
29
Het is eveneens onontbeerlijk dat, zoals is bepaald in artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering, de verwijzingsbeslissing zelf ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens bevat waarop de vragen berusten. Volgens de rechtspraak van het Hof gelden deze eisen in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt (zie in deze zin arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C-380/05, EU:C:2008:59, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 12 december 2013, Umbra Packaging, C-355/13, niet gepubliceerd, EU:C:2013:867, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
In dit geval dient ten eerste te worden opgemerkt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen toelichting bevat op de relevantie van de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU voor de beslechting van het hoofdgeding.
31
Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt dat in het hoofdgeding een situatie aan de orde is waarvan alle aspecten zich binnen Italië afspelen. Artikel 56 VWEU is in een dergelijk geval niet van toepassing (zie in deze zin arrest van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Verder bevat de verwijzingsbeslissing geen feitelijke of juridische gegevens aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of en in hoeverre een van de deelnemers in het hoofdgeding die analoge kanalen exploiteren, kan worden aangemerkt als onderneming in de zin van artikel 106 VWEU, en of en in hoeverre op grond van de nationale regelgeving in het hoofdgeding, die is toegepast bij de digitale overgang, bijzondere rechten kunnen worden toegekend die in strijd zijn met de artikelen 101 en 102 VWEU.
33
Ten tweede dient te worden opgemerkt dat de gestelde vragen berusten op de feitelijke veronderstelling dat bepaalde bij de omzetting in aanmerking genomen analoge kanalen op onregelmatige of illegale wijze zijn geëxploiteerd, en wel in strijd met de concentratiegrenzen of zonder vergunning. Juist is dat deze veronderstelling door de verwijzende rechter niet is toegelicht en verder door de Italiaanse regering alsmede Reti Televisive Italiane en RAI wordt betwist.
34
Evenwel dient, afgezien van het feit dat het overeenkomstig de in punt 24 van dit arrest genoemde rechtspraak niet aan het Hof is om de juistheid van het door de verwijzende rechter geschetste feitelijke kader na te gaan, te worden opgemerkt dat de gestelde vragen niet zien op de regelmatigheid van de exploitatie van de betrokken analoge kanalen vanuit het oogpunt van het NGR. Deze vragen zien immers op de kwestie of de veronderstellenderwijs op onregelmatige wijze geëxploiteerde analoge kanalen op dezelfde wijze als op regelmatige wijze geëxploiteerde kanalen in aanmerking kunnen worden genomen bij de omzetting ervan in digitale netwerken. Zoals de advocaat-generaal in de punten 37 tot en met 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het Hof in staat om de verwijzende rechter een ter zake dienend antwoord te geven aan de hand van de gegevens in het door hem toegezonden dossier, door uit te gaan van de feitelijke veronderstelling — die enkel de verwijzende rechter eventueel ter discussie kan stellen — dat er analoge kanalen waren die vanuit het oogpunt van het nationale recht en/of de bepalingen van het NGR op onregelmatige of illegale wijze zijn geëxploiteerd.
35
Uit het voorgaande volgt dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU.
Ten gronde
36
Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden beoordeeld, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9 van de kaderrichtlijn, de artikelen 3, 5 en 7 van de machtigingsrichtlijn, de artikelen 2 en 4 van de mededingingsrichtlijn alsmede het beginsel van non-discriminatie en het evenredigheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling waarin met het oog op de omzetting van de bestaande analoge kanalen in digitale netwerken rekening wordt gehouden met op onrechtmatige wijze geëxploiteerde kanalen en met op rechtmatige wijze geëxploiteerde kanalen, en die, hoewel op die kanalen hetzelfde omzettingscriterium wordt toegepast, leidt tot een relatief grotere afname van het aantal toegewezen digitale netwerken ten opzichte van het aantal geëxploiteerde analoge kanalen, hetgeen voor de betrokken marktdeelnemer ten opzichte van zijn concurrenten een nadeel vormt.
37
In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat artikel 8 van deze richtlijn de lidstaten de verplichting oplegt om erop toe te zien dat de NRI's alle redelijke maatregelen treffen ter bevordering van de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatiediensten, door ervoor te zorgen dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is en door de laatste belemmeringen voor het verrichten van die diensten op het niveau van de Unie weg te nemen (arresten van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C-380/05, EU:C:2008:59, punt 81; 3 december 2009, Commissie/Duitsland, C-424/07, EU:C:2009:749, punt 92, en 7 november 2013, UPC Nederland, C-518/11, EU:C:2013:709, punt 50).
38
Op grond van lid 1 van dit artikel moeten de NRI's bij de uitvoering van de in de kaderrichtlijn en, voor zover hier van belang, de machtigingsrichtlijn omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2 tot en met 4 van dat artikel genoemde doelstellingen, bestaande in het bevorderen van de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, het bijdragen aan de ontwikkeling van de interne markt en het bevorderen van de belangen van de Unieburgers (zie in deze zin arresten van 19 juni 2014, TDC, C-556/12, EU:C:2014:2009, punt 39, en 15 september 2016, Koninklijke KPN e.a., C-28/15, EU:C:2016:692, punt 46).
39
Ingevolge artikel 4, lid 2, van de mededingingsrichtlijn, artikel 5, lid 2, tweede alinea, en artikel 7, lid 3, van de machtigingsrichtlijn alsmede artikel 9, lid 1, van de kaderrichtlijn, dienen gebruiksrechten voor radiofrequenties te worden toegewezen op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria. Deze laatste voorwaarde houdt in dat die criteria geschikt moeten zijn voor de verwezenlijking van de daarmee nagestreefde doelstelling en dat zij niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken (zie in deze zin arrest van 23 april 2015, Commissie/Bulgarije, C-376/13, niet gepubliceerd, EU:C:2015:266, punten 65en 84).
40
Zoals de advocaat-generaal in punt 47 van haar conclusie heeft opgemerkt, moeten deze criteria niet alleen bij de oorspronkelijke radiofrequentietoewijzing in acht worden genomen, maar ook bij elke volgende toewijzing, verlenging of, zoals in het hoofdgeding, omzetting van radiofrequenties in de context van de digitale overgang.
41
Ten slotte blijkt uit artikel 5, lid 6, van de machtigingsrichtlijn dat de NRI's ervoor moeten zorgen dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van onder meer een accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties.
42
Uit deze bepalingen volgt dat het NGR onder meer is gebaseerd op de doelstelling van daadwerkelijke en onverstoorde mededinging, en ertoe strekt deze in het bijzonder te bevorderen onder eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel.
43
In deze zin is al geoordeeld dat de bepalingen van het NGR, met name artikel 9, lid 1, van de kaderrichtlijn, artikel 5, lid 1, van de machtigingsrichtlijn en artikel 4, punt 1, van de mededingingsrichtlijn, zich verzetten tegen nationale maatregelen die leiden tot verstarring van de structuur van de nationale markt en tot bescherming van de positie van nationale marktdeelnemers die reeds actief waren op de genoemde markt door belemmering of beperking van de toegang tot die markt voor nieuwe marktdeelnemers, tenzij die maatregelen zijn gerechtvaardigd om redenen van algemeen belang en daarin objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria worden gehanteerd (zie in deze zin arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7, C-380/05, EU:C:2008:59, punten 95–107).
44
Geoordeeld dient te worden dat het ook strijdig zou zijn met de bepalingen van het NGR om een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel dat een al op de markt aanwezige marktdeelnemer in strijd met de wettelijke eisen en de doelstelling van een daadwerkelijke en onverstoorde mededinging heeft verkregen, te laten voortduren of zelfs te versterken en tegelijkertijd de markttoegang voor nieuwe marktdeelnemers te belemmeren of beperken.
45
Dat betekent dat, zoals de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, de bepalingen van het NGR zich ertegen verzetten dat op onrechtmatige wijze geëxploiteerde analoge kanalen met het oog op de digitale omzetting in aanmerking worden genomen, aangezien dit ertoe leidt dat een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel wordt bestendigd of zelfs versterkt.
46
In de tweede plaats dient — om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven voor het geval dat hij mocht oordelen dat alle betrokken kanalen op rechtmatige wijze zijn geëxploiteerd — eraan te worden herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling, als algemeen beginsel van het Unierecht, vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C-127/07, EU:C:2008:728, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De vergelijkbaarheid van de situaties moet met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling die het betrokken onderscheid invoert. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder die handeling valt (zie in deze zin arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C-127/07, EU:C:2008:728, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Ten eerste dient, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van haar conclusie heeft opgemerkt, erop te worden gewezen dat marktdeelnemers zoals Persidera, RAI en Mediaset, die in Italië analoge kanalen hebben geëxploiteerd, zich ten aanzien van de omzetting van die kanalen in digitale netwerken in het kader van de digitale overgang, in beginsel in een vergelijkbare situatie bevinden.
48
Ten tweede volgt uit de aan het Hof overgelegde gegevens dat de analoge kanalen die werden geëxploiteerd door deze drie marktdeelnemers die in het bezit zijn van verschillende netwerken, met toepassing van het zogeheten ‘redelijke’ omzettingscriterium als bedoeld in punt 16 van dit arrest zijn omgezet in digitale netwerken. In lijn daarmee blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het aantal door elke marktdeelnemer geëxploiteerde kanalen met aftrek van één kanaal in een gelijk aantal digitale netwerken is omgezet. Aan Persidera, die twee analoge kanalen exploiteerde, is dus één digitaal netwerk toegekend, terwijl RAI en Mediaset, die elk drie analoge kanalen exploiteerden, ieder twee digitale netwerken hebben ontvangen. De omzettingsverhouding bedroeg in het geval van Persidera met andere woorden slechts 50 %, aangezien zij één digitaal netwerk heeft ontvangen voor haar twee analoge kanalen, terwijl voor RAI en Mediaset die omzettingsverhouding 66,67 % was, aangezien elk van hen twee digitale netwerken voor drie analoge kanalen heeft ontvangen. De toepassing van een en dezelfde maatregel tot intrekking van een analoog kanaal in het kader van de digitale overgang, heeft zich zodoende vertaald in uiteenlopende omzettingspercentages, waardoor Persidera zwaarder is getroffen dan RAI en Mediaset.
49
Gelet hierop moet, zoals de advocaat-generaal in de punten 54 tot en met 57 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat een nationale bepaling zoals die in het hoofdgeding leidt tot een verschil in behandeling van concurrerende marktdeelnemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
50
Ten derde volgt uit de bij het Hof ingediende opmerkingen dat de stelling wordt ingenomen dat het zogeheten ‘redelijke’ omzettingscriterium wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de continuïteit van het televisieaanbod te waarborgen. Verder wordt gesteld dat het verschil in behandeling is terug te voeren op materiële vereisten die samenhangen met de technische onmogelijkheid om radiofrequenties op te splitsen.
51
In dit verband moet, zoals de advocaat-generaal in punt 64 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat de continuïteit van het televisieaanbod onderdeel is van de consumentenbescherming, die verder uitdrukkelijk is genoemd als een van de doelstellingen in artikel 8, lid 4, van de kaderrichtlijn. De NRI's kunnen bij de omzetting van bestaande analoge kanalen in digitale netwerken dus rekening houden met de doelstelling van de continuïteit van het televisieaanbod, wanneer er daarbij op wordt toegezien dat die omzetting plaatsvindt onder eerbiediging van alle in artikel 8 van de kaderrichtlijn genoemde doelstellingen en van de noodzaak om radiofrequenties efficiënt te beheren, zoals vereist volgens artikel 9, lid 1, van die richtlijn.
52
Juist is dat de omzetting van bestaande analoge kanalen in digitale netwerken geschikt is om de continuïteit van het tot die tijd via analoge technologie verspreide televisieaanbod te waarborgen.
53
Evenwel zou een maatregel die ertoe leidt dat aan marktdeelnemers die al op de markt aanwezig zijn, een groter aantal digitale radiofrequenties wordt toegewezen dan voldoende is om de continuïteit van hun televisieaanbod te waarborgen, verder gaan dan wat nodig is om die doelstelling te bereiken, en dus onevenredig zijn.
54
Hierbij dient nog te worden opgemerkt dat NRI's bij de omzetting van bestaande analoge kanalen in digitale netwerken rekening moeten houden met materiële vereisten die samenhangen met de technische onmogelijkheid om de betrokken radiofrequenties op te splitsen. In een dergelijke situatie kan de doelstelling van het bevorderen van een efficiënt gebruik en een efficiënt beheer van de radiofrequenties zoals bedoeld in onder meer artikel 8, lid 2, onder d), van de kaderrichtlijn rechtvaardigen dat minder of meer digitale netwerken worden toegewezen dan het aantal geëxploiteerde analoge kanalen.
55
In dit geval volgt uit de aan het Hof overgelegde gegevens dat een digitale multiplex vijf tot zes kanalen kan doorgeven met dezelfde kwaliteit als bij analoge doorgifte, of drie digitale HD-kanalen, dat wil zeggen doorgifte met behulp van een geavanceerdere techniek. Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het dus, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, zo dat één multiplex had kunnen volstaan om marktdeelnemers als RAI en Mediaset in staat te stellen de continuïteit van hun drie analoge kanalen met een vergelijkbare kwaliteit te waarborgen, en dat de toekenning van een tweede multiplex verder ging dan voor dat doel nodig was. Zoals verder uit punt 79 van haar conclusie blijkt, kan het behoud van de ondeelbaarheid van de frequenties de ongelijke behandeling in het hoofdgeding niet rechtvaardigen. Het is aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
56
Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen als volgt te worden geantwoord:
- —
artikel 9 van de kaderrichtlijn, de artikelen 3, 5 en 6 van de machtigingsrichtlijn alsmede de artikelen 2 en 4 van de mededingingsrichtlijn moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling waarin met het oog op de omzetting van de bestaande analoge kanalen in digitale netwerken rekening wordt gehouden met op onrechtmatige wijze geëxploiteerde kanalen, aangezien deze bepaling ertoe leidt dat een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel wordt bestendigd of zelfs versterkt;
- —
het beginsel van non-discriminatie en het evenredigheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die met toepassing van een en hetzelfde omzettingscriterium leidt tot een relatief grotere afname van het aantal toegewezen digitale netwerken ten opzichte van het aantal geëxploiteerde analoge kanalen, hetgeen voor de betrokken marktdeelnemer ten opzichte van zijn concurrenten een nadeel vormt, tenzij die bepaling objectief gerechtvaardigd is en evenredig is in verhouding tot het daarmee nagestreefde doel. De continuïteit van het televisieaanbod vormt een legitieme doelstelling die een dergelijk verschil in behandeling kan rechtvaardigen. Evenwel zou een maatregel die ertoe leidt dat aan marktdeelnemers die al op de markt aanwezig zijn, een groter aantal digitale radiofrequenties wordt toegewezen dan voldoende is om de continuïteit van hun televisieaanbod te waarborgen, verder gaan dan nodig is om die doelstelling te bereiken, en dus onevenredig zijn.
Kosten
57
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, alsmede de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling waarin met het oog op de omzetting van de bestaande analoge kanalen in digitale netwerken rekening wordt gehouden met op onrechtmatige wijze geëxploiteerde kanalen, aangezien deze bepaling ertoe leidt dat een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel wordt bestendigd of zelfs versterkt.
- 2)
Het beginsel van non-discriminatie en het evenredigheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die met toepassing van een en hetzelfde omzettingscriterium leidt tot een relatief grotere afname van het aantal toegewezen digitale netwerken ten opzichte van het aantal geëxploiteerde analoge kanalen, hetgeen voor de betrokken marktdeelnemer ten opzichte van zijn concurrenten een nadeel vormt, tenzij die bepaling objectief gerechtvaardigd is en evenredig is in verhouding tot het daarmee nagestreefde doel. De continuïteit van het televisieaanbod vormt een legitieme doelstelling die een dergelijk verschil in behandeling kan rechtvaardigen. Evenwel zou een maatregel die ertoe leidt dat aan marktdeelnemers die al op de markt aanwezig zijn, een groter aantal digitale radiofrequenties wordt toegewezen dan voldoende is om de continuïteit van hun televisieaanbod te waarborgen, verder gaan dan nodig is om die doelstelling te bereiken, en dus onevenredig zijn.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑07‑2017
Conclusie 30‑03‑2017
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-112/16(1)
Persidera SpA
tegen
Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni en Ministero dello Sviluppo Economico delle Infrastrutture e dei Trasporti
[verzoek van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het fundamentele belang van een grote verscheidenheid aan en integriteit van de media in een vrije, democratische samenleving, kan in het huidige tijdsgewricht hoegenaamd niet voldoende worden benadrukt. Met name de elektronischecommunicatienetwerken en -diensten worden inmiddels bijna door iedereen in het dagelijkse leven gebruikt en zijn als voorwaarde voor een moderne democratie, maar ook voor de ontwikkeling van de bevolking en voor het culturele leven in Europa niet meer weg te denken. Tegelijkertijd blijkt altijd weer hoe broos en vatbaar voor problemen de mechanismen zijn, waarop dergelijke netwerken en diensten berusten.
2.
In Italië hebben er in de laatste decennia herhaaldelijk felle discussies plaatsgevonden met betrekking tot het pluralisme op de televisie. Dienovereenkomstig is het niet verwonderlijk dat ook de overgang van analoge naar digitale televisie aldaar tot geschillen betreffende een rechtvaardige toewijzing van de nieuwe digitale televisiefrequenties heeft geleid.
3.
In het onderhavige geval gaat het met name om de toewijzing van de digitale frequenties die door de overheid uitdrukkelijk voor de voortzetting van de bestaande analoge televisieprogramma's waren gereserveerd. Persidera (voorheen Telecom Italia Media Broadcasting — TIMB)2., een van de Italiaanse netwerkexploitanten, voelt zich bij de omschakeling van analoge frequenties naar digitale ten opzichte van haar concurrenten — namelijk ten opzichte van de marktleiders Rai en Mediaset — benadeeld.
4.
Het Hof moet in het onderhavige geval verduidelijken welke eisen het recht van de Unie stelt aan een rechtvaardige frequentietoewijzing. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de Italiaanse Republiek met de thans betwiste methode van frequentietoewijzing niet in de laatste plaats rekening diende te houden met de bezwaren van de Europese Commissie in een lopende niet-nakomingsprocedure3. en een prejudicieel arrest van het Hof4..
5.
Van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling van deze problematiek is het sinds 2002 geldende ‘nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader’, dat uit meerdere richtlijnen van de wetgevers van de Unie bestaat en uit de algemene beginselen van het recht van de Unie.
6.
De onderhavige procedure in zaak C-112/16 hangt nauw samen met de prejudiciële procedure in zaak C-560/15, waarin ik eveneens vandaag conclusie neem. De aldaar opgeworpen rechtsvragen hebben weliswaar in wezen betrekking op dezelfde bepalingen en beginselen van het recht van de Unie, maar betreffen niet de in casu in het geding zijnde omschakeling van oude analoge frequenties naar nieuwe digitale en werpen ook overigens duidelijk andere rechtskwesties op.
II. Toepasselijke bepalingen
7.
Het regelgevingskader van de Unie wordt in dit geval bepaald door drie richtlijnen uit 2002 inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, die allemaal tot het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatiediensten, voor elektronischecommunicatienetwerken alsook voor de bijbehorende faciliteiten en diensten behoren: de kaderrichtlijn (richtlijn 2002/21/EG)5., de machtigingsrichtlijn (richtlijn 2002/20/EG)6. en de mededingingsrichtlijn (richtlijn 2002/77/EG)7.. De twee eerstgenoemde richtlijnen gelden in de versie die zij bij richtlijn 2009/140/EG8. hebben verkregen.
A. Kaderrichtlijn (richtlijn 2002/21)
8.
Ter inleiding wijs ik op de overwegingen 6 en 19 van richtlijn 2002/21, waarin onder meer het volgende valt te lezen:
- ‘(6)
Audiovisueel beleid en inhoudregulering beogen doelstellingen van algemeen belang, zoals vrijheid van meningsuiting, pluralisme van de media, onpartijdigheid, culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale insluiting, consumentenbescherming en de bescherming van minderjarigen te realiseren. […]
[…]
- (19)
Radiofrequenties zijn een essentiële voorwaarde voor elektronischecommunicatiediensten die op radioverbindingen zijn gebaseerd en dienen dan ook, voor zover zij betrekking hebben op deze diensten, door de nationale regelgevende instanties te worden ingedeeld en toegewezen volgens een verzameling geharmoniseerde doelstellingen en beginselen waarop deze hun optreden steunen, en volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria, een en ander met inachtneming van de democratische, sociale, taalkundige en culturele belangen die een rol spelen bij het gebruik van frequenties. […]’
9.
Onder het opschrift ‘Beleidsdoelstellingen en regelgevingsbeginselen’ is vervolgens in artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/21 onder andere het volgende geregeld:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen.
[…]
- 2.
De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze
[…]
- b)
zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is, met inbegrip van de doorgifte van inhoud;
[…]
- d)
zij bevorderen efficiënt gebruik en zorgen voor een efficiënt beheer van de radiofrequenties en de nummervoorraad.’
10.
Bovendien bevat artikel 9 van richtlijn 2002/21 de volgende bepalingen inzake het ‘Beheer van de radiofrequenties voor elektronischecommunicatiediensten’:
- ‘1.
Naar behoren rekening houdend met het feit dat radiofrequenties een publiek goed zijn dat een belangrijke maatschappelijke, sociale en economische waarde heeft, zorgen de lidstaten ervoor dat de radiofrequenties voor elektronische communicatiediensten op hun grondgebied efficiënt worden beheerd overeenkomstig de artikelen 8 en 8 bis. Zij zorgen ervoor dat de spectrumtoewijzing voor elektronischecommunicatiediensten en de afgifte van algemene machtigingen of individuele gebruiksrechten voor die radiofrequenties door de bevoegde nationale instanties gebaseerd zijn op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria.
Bij de toepassing van dit artikel eerbiedigen de lidstaten de desbetreffende internationale overeenkomsten, met inbegrip van de radioregelgeving van de ITU, en mogen zij overwegingen van openbare orde in aanmerking nemen.
[…]
- 4.
[…]
Maatregelen die vereisen dat een elektronischecommunicatiedienst in een specifieke voor elektronischecommunicatiediensten beschikbare band wordt aangeboden, worden gerechtvaardigd door de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang zoals door de lidstaten in overeenstemming met de communautaire wetgeving gedefinieerd, zoals, maar niet beperkt tot:
- a)
veiligheid van het menselijk leven;
- b)
het bevorderen van de sociale, regionale of territoriale samenhang;
- c)
het vermijden van een ondoelmatig gebruik van radiofrequenties; of
- d)
de bevordering van culturele en taalkundige diversiteit en pluralisme van de media, bijvoorbeeld door het aanbieden van radio- en televisieomroepdiensten.
[…]
- 7.
Onverminderd het bepaalde in de bijzondere richtlijnen en rekening houdend met de relevante nationale omstandigheden, kunnen de lidstaten voorschriften vaststellen om hamsteren van spectrum te voorkomen, met name door strikte termijnen te bepalen waarbinnen de gebruiksrechten door de houder van de rechten daadwerkelijk moeten worden geëxploiteerd en door sancties toe te passen, met inbegrip van geldboetes of intrekking van de gebruiksrechten indien de termijnen niet worden nageleefd. Deze voorschriften moeten op evenredige, niet-discriminerende en transparante wijze worden opgesteld en toegepast.’
B. Machtigingsrichtlijn (richtlijn 2002/20)
11.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/20 bevat de volgende regeling met betrekking tot de ‘Algemene machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten’:
‘De lidstaten waarborgen de vrijheid om, mits aan de door deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voldaan is, elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden. Te dien einde mogen de lidstaten een onderneming niet beletten elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden, tenzij dat noodzakelijk is omwille van de in artikel 46, lid 1, van het Verdrag bedoelde redenen.’
12.
In artikel 5 van richtlijn 2002/20 bevinden zich onder andere deze bepalingen betreffende ‘Gebruiksrechten voor radiofrequenties en nummers’:
- ‘1.
De lidstaten vergemakkelijken het gebruik van radiofrequenties in het kader van algemene machtigingen. De lidstaten kunnen zo nodig individuele gebruiksrechten verlenen teneinde:
[…]
- —
andere doelstellingen van algemeen belang te vervullen die door de lidstaten overeenkomstig het gemeenschapsrecht worden bepaald.
- 2.
Wanneer individuele gebruiksrechten moeten worden verleend voor radiofrequenties en nummers, verlenen de lidstaten die rechten op verzoek aan alle ondernemingen die diensten of netwerken aanbieden of gebruiken in het kader van de algemene machtiging, met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 6, 7 en 11, lid 1, onder c), van deze richtlijn en alle andere regels die een efficiënt gebruik van deze middelen moeten waarborgen overeenkomstig richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn).
Onverminderd de door de lidstaten vooraf aangenomen specifieke criteria voor het verlenen van gebruiksrechten voor radiofrequenties aan aanbieders van inhoud voor radio- en televisieomroepen welke noodzakelijk zijn om de doelstellingen van algemeen belang overeenkomstig het gemeenschapsrecht na te streven worden dergelijke rechten verleend door middel van procedures die objectief, transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en in het geval van frequenties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). De procedures moeten open zijn behalve in gevallen waarin kan worden aangetoond dat het verlenen van individuele gebruiksrechten voor gebruik van radiofrequenties voor aanbieders van diensten inzake inhoud voor radio- en televisiediensten van fundamenteel belang is om te kunnen voldoen aan een specifieke verplichting die door de lidstaten van te voren is gedefinieerd als noodzakelijk met het oog op het algemeen belang overeenkomstig de communautaire wetgeving.
[…]
- 5.
De lidstaten beperken het aantal te verlenen gebruiksrechten niet, tenzij dat noodzakelijk is om een efficiënt gebruik van radiofrequenties te waarborgen overeenkomstig artikel 7.
- 6.
De nationale regelgevende instanties zorgen ervoor dat radiofrequenties daadwerkelijk en efficiënt worden gebruikt in overeenstemming met de artikelen 8 en 9, lid 2, van richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn). Zij zorgen er ook voor dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een overdracht of accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties. […]’
13.
Met betrekking tot de ‘[p]rocedure voor het beperken van het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties’ is in artikel 7 van richtlijn 2002/20 bovendien het volgende bepaald:
- ‘1.
Wanneer een lidstaat overweegt het aantal gebruiksrechten voor radiofrequenties te beperken of de duur van bestaande rechten te verlengen op andere wijze dan in overeenstemming met de in dergelijke rechten gespecificeerde voorwaarden, dient hij onder meer:
- a)
voldoende rekening te houden met de noodzaak de voordelen voor de gebruikers te maximaliseren en de ontwikkeling van de mededinging te bevorderen,
[…]
- 3.
Wanneer de verlening van gebruiksrechten voor radiofrequenties moet worden beperkt, verlenen de lidstaten deze rechten op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige selectiecriteria. Dergelijke selectiecriteria moeten naar behoren belang hechten aan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG (kaderrichtlijn) en aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn.
[…]’
C. Mededingingsrichtlijn (richtlijn 2002/77)
14.
Artikel 2 van richtlijn 2002/77, met het opschrift ‘Uitsluitende en bijzondere rechten voor elektronischecommunicatienetwerken en elektronischecommunicatiediensten’, bevat onder andere de volgende bepalingen:
‘[…]
- 2.
De lidstaten nemen de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat elke onderneming gerechtigd is elektronischecommunicatiediensten te verrichten, uit te breiden of elektronischecommunicatienetwerken aan te leggen.
[…]
- 4.
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat een aan een onderneming verleende algemene machtiging voor het aanbieden van elektronischecommunicatiediensten of het aanleggen en/of aanbieden van elektronischecommunicatienetwerken alsook de hieraan verbonden voorwaarden op objectieve, niet-discriminerende, evenredige en doorzichtige criteria gebaseerd is.
[…]’
15.
Ten slotte bevat artikel 4 van richtlijn 2002/77 deze bepalingen inzake het ‘Gebruiksrecht voor frequenties’:
‘Zonder afbreuk te doen aan de specifieke criteria en procedures zoals goedgekeurd door de lidstaten voor de verlening van machtigingen voor het gebruik van radiofrequenties aan aanbieders van diensten in verband met de inhoud op televisie of radio met het oog op de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang in overeenstemming met het gemeenschapsrecht:
[…]
- 2.
dient de toewijzing van radiofrequenties voor elektronischecommunicatiediensten te geschieden op basis van objectieve, doorzichtige, niet-discriminerende en evenredige criteria.’
III. Feiten en hoofdgeding
16.
De overgang van analoge naar digitale televisie in Italië maakte een procedure noodzakelijk voor de toewijzing van de nieuwe digitale zendfrequenties, die performanter zijn dan de analoge.9. Daartoe heeft de Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni10. (AGCOM) op 7 april 2009 besluit 181/09/CONS11. vastgesteld, waarin zij de criteria vaststelde voor de volledige digitalisering van de terrestrische netwerken en tegelijkertijd een mechanisme invoerde voor de toekenning van de daarvoor toe te wijzen frequenties. Dat besluit is vastgesteld tegen de achtergrond van een lopende niet-nakomingsprocedure12., waarmee de Europese Commissie Italië heeft aangemaand dat zij bij de toekenning van haar digitale frequenties niet de tot nu toe reeds op de markt actieve aanbieders van analoge televisiezenders mocht bevoordelen.
17.
Thans was voorzien in de toewijzing van digitale frequenties in de vorm van 21 zogenaamde multiplexen voor landelijke terrestrische uitzending.13. Daarbij maakt een multiplex het mogelijk om verschillende audio-, video- en datasignalen te bundelen tot een gemeenschappelijke gegevensstroom, waardoor het gebruik van de ter beschikking staande frequenties en lijnen wordt geoptimaliseerd.
18.
Teneinde een rechtvaardige verdeling van deze digitale multiplexen te waarborgen, waarbij niet alleen de bestaande exploitanten van analoge televisiezenders in aanmerking werden genomen, maar ook degenen die reeds eerder in de totstandkoming van digitale netwerken hadden geïnvesteerd, evenals bovendien degenen die als nieuwkomer tot deze markt wilden doordringen, zijn de 21 multiplexen in drie groepen onderverdeeld, die volgens verschillende criteria dienden te worden toegekend. Bovendien werd als bovengrens vastgelegd dat geen netwerkexploitant alleen over meer dan in totaal vijf multiplexen mocht beschikken; ook de Commissie had in de niet-nakomingsprocedure aangemaand tot een dergelijk maximumaantal van vijf multiplexen.
19.
Concreet zou de toewijzing van de genoemde 21 multiplexen als volgt moeten plaatsvinden:
- —
In een eerste groep waren acht multiplexen voorbehouden aan de omzetting van de bestaande analoge televisienetwerken in digitale televisienetwerken. Dat diende op basis van een rechtvaardige toewijzing plaats te vinden, waarbij de continuïteit van het televisieaanbod in aanmerking moest worden genomen. Elke bestaande aanbieder van analoge televisie diende dienovereenkomstig ten minste één multiplex te krijgen toegewezen, aanbieders met meerdere analoge zenders zouden echter telkens een multiplex minder verkrijgen dan overeenkwam met het aantal van hun analoge zenders. Op deze wijze verkregen onder andere Rai en Mediaset, die tot dusver elk drie analoge televisiezenders hadden geëxploiteerd, elk twee multiplexen, terwijl TIMB, dat tot dusver twee analoge televisiezenders in het assortiment had, één multiplex verkreeg; naar Rete A en twee andere netwerkexploitanten gingen eveneens elk één multiplex.
- —
In een tweede groep zouden acht multiplexen aan de netwerkexploitanten worden toegekend die in de totstandkoming van digitale netwerken hadden geïnvesteerd. Daardoor verkregen Rai, Mediaset en TIMB elk twee extra multiplexen, terwijl Rete A en een andere netwerkexploitant elk één multiplex verkregen.
- —
In een derde groep zouden ten slotte de resterende vijf multiplexen, die eveneens als ‘digitaal dividend’ worden aangeduid,14. als additionele nieuwe frequenties volgens objectieve, transparante, evenredige en niet-discriminerende criteria worden toegekend.
20.
Op deze basis heeft het Italiaanse ministerie voor Economische Ontwikkeling15. de digitale multiplexen toegewezen.
21.
In het onderhavige geval heeft het geschil in het hoofdgeding alleen betrekking op een deel van deze multiplexen, namelijk die van de eerste groep. Aangezien zij zich door de methode van omschakeling van de analoge frequenties naar de digitale16. ten opzichte van hun grotere concurrenten benadeeld voelde, heeft TIMB bij de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio17. (TAR) beroep ingesteld, teneinde een aanvullende multiplex uit de genoemde eerste groep en een schadevergoeding te verkrijgen.
22.
Voor de TAR heeft TIMB onder andere aangevoerd dat er in haar geval bij de omschakeling van de bestaande analoge frequenties naar nieuwe digitale frequenties sprake is geweest van een minder gunstige omschakelingsverhouding dan in het geval van Rai en Mediaset: terwijl TIMB namelijk voor twee analoge frequenties één multiplex heeft verkregen, wat leidt tot een omschakelingsverhouding van 50 %, zijn Rai en Mediaset voor telkens drie analoge televisiezenders elk twee multiplexen toegewezen, wat overeenkomt met een gunstiger omschakelingsverhouding van 66,67 %. Bovendien klaagt TIMB dat de omschakeling naar digitale frequenties in het geval van Rai en Mediaset heeft plaatsgevonden met inachtneming van analoge televisiezenders, die tot dusver door beide laatstgenoemde netwerkexploitanten met voorbijgaan aan de wettelijke concentratiegrenzen, en bijgevolg illegaal, waren geëxploiteerd.
23.
Nadat haar vordering in eerste aanleg was afgewezen18., heeft TIMB hoger beroep ingesteld bij de Consiglio di Stato19., de verwijzende rechter. Tijdens dat hoger beroep bij de Consiglio di Stato is TIMB gefuseerd met Rete A, die reeds bezitter van twee multiplexen was. De uit de fusie voortgekomen nieuwe onderneming, Persidera genaamd, beschikt sindsdien in totaal over vijf multiplexen, wat in Italië — zoals ik reeds heb vermeld — overeenkomt met het wettelijk maximum voor elke netwerkexploitant.
IV. Verzoek om een prejudiciële beslissing en procedure bij het Hof
24.
Bij besluit van 2 juli 2015, ingekomen op 24 februari 2016, heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de procedure geschorst en het Hof krachtens artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet het recht van Unie, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van richtlijn 2002/21/EG, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG, en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG, alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale netwerken dat bij de omschakeling van analoge netwerken aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen, bepaalt dat ook analoge netwerken die in het verleden zijn geëxploiteerd in strijd met de concentratiegrenzen voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof van Justitie of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd, in gelijke mate in aanmerking worden genomen als de analoge netwerken die rechtmatig zijn geëxploiteerd?
- 2)
Verzet het recht van de Unie, meer in het bijzonder de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU, artikel 9 van richtlijn 2002/21, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20, en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77, alsmede de beginselen van non-discriminatie, transparantie, vrijheid van mededinging, evenredigheid, doeltreffendheid en pluralisme op informatiegebied, zich tegen een nationale regeling die voor de vaststelling van het aantal digitale netwerken dat bij de omschakeling van analoge netwerken aan de marktdeelnemers moet worden toegewezen — waarbij alle tot op dat moment geëxploiteerde netwerken in aanmerking worden genomen, ook indien zij de concentratiegrenzen overschreden die waren voorgeschreven door nationale regelingen die reeds door het Hof van Justitie of de Europese Commissie zijn bekritiseerd, althans zonder vergunning zijn geëxploiteerd — in concreto tot gevolg heeft dat de vermindering van het aantal digitale netwerken ten opzichte van het aantal in het analoge systeem geëxploiteerde netwerken in het geval van een marktdeelnemer met meerdere netwerken naar verhouding groter is dan de vermindering die aan zijn concurrenten wordt opgelegd?’
25.
Aan de procedure voor het Hof hebben Persidera, Rai en Reti televisive italiane (RTI)20., de Italiaanse en de Sloveense regering, evenals de Europese Commissie met schriftelijke opmerkingen deelgenomen. Met uitzondering van Slovenië waren dezelfde deelnemers ook bij de mondelinge behandeling van 2 februari 2017 vertegenwoordigd, die onmiddellijk na de mondelinge behandeling in zaak C-560/15 heeft plaatsgevonden.
V. Beoordeling
A. Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
26.
Overeenkomstig artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof21. moet het verzoek om een prejudiciële beslissing naast de prejudiciële vraag ook de vereiste gegevens bevatten betreffende het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding. De verwijzende rechter dient verder aan te geven welk verband bestaat tussen de uit te leggen Unierechtelijke bepalingen en het hoofdgeding alsmede de redenen uiteen te zetten die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van deze bepalingen vragen te stellen. Volgens de rechtspraak zijn de gegevens betreffende het feitelijke en juridische kader in het bijzonder in mededingingsrechtelijke procedures van belang.22.
1. Primairrechtelijke bepalingen zijn niet relevant voor de te geven beslissing
27.
Zoals RTI en de Italiaanse regering terecht stellen, bevat het verzoek om een prejudiciële beslissing in het onderhavige geval geen enkele toelichting in hoeverre de primairrechtelijke bepalingen van de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU voor de beslechting van het hoofdgeding relevant zouden zijn.
28.
Met name met betrekking tot artikel 56 VWEU moet worden opgemerkt dat alle elementen van het hoofdgeding binnen één enkele lidstaat gesitueerd zijn en dat de verwijzende rechter in het onderhavige geval — anders dan destijds in de zaak Centro Europa 7 — geen beroep zou kunnen doen op het in de Italiaanse grondwet opgenomen verbod op discriminatie van eigen onderdanen.23. Dientengevolge is niet duidelijk in hoeverre het Hof met de gevraagde uitlegging van artikel 56 VWEU een bijdrage aan de beslechting van het hoofdgeding kan leveren.
29.
Betreffende de mededingingsrechtelijke bepalingen van de artikelen 101, 102 en 106 VWEU volstaat de opmerking dat deze betrekking hebben op het gedrag van ondernemingen, terwijl in het onderhavige geval de handelwijze van overheidsinstanties bij de toewijzing van televisiefrequenties ter discussie staat. Artikel 102, eerste alinea, VWEU juncto artikel 106, lid 1, VWEU verbiedt de lidstaten weliswaar een situatie te creëren waarin het bepaalde ondernemingen — in casu Rai en Mediaset — gemakkelijk wordt gemaakt van hun vermeend bestaande collectieve machtspositie op de markt misbruik te maken.24. Het zou echter te ver voeren om alleen wegens de mogelijkerwijs onjuiste handelwijze van de Italiaanse nationale instanties bij de toewijzing van de digitale televisiefrequenties, een met de mededinging strijdig gedrag van Rai en Mediaset als waarschijnlijk of zelfs onvermijdelijk te beschouwen.
30.
Voor zover de verwijzende rechter slechts de mededinging in het algemeen aan de orde wilde stellen, kan het Hof daarop in het kader van zijn onderzoek van de drie richtlijnen 2002/20, 2002/21 en 2002/77 genoegzaam ingaan; een afzonderlijke uitlegging van de artikelen 101, 102 en 106 VWEU is daartoe niet nodig.
31.
Bijgevolg moeten de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover zij zijn gericht op de uitlegging van de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU.
2. Relevantie van de prejudiciële vragen met betrekking tot Persidera
32.
De Italiaanse regering is verder van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet relevant is omdat Persidera intussen toch al het maximale aantal van vijf multiplexen met uitzendfrequenties voor digitale televisie heeft bereikt.
33.
Het is juist dat een verzoek om een prejudiciële beslissing als niet-ontvankelijk moet worden beschouwd, wanneer vaststaat dat het hoofdgeding zonder voorwerp is geraakt.25. In het onderhavige geval zijn daarvoor echter niet voldoende aanknopingspunten en is al helemaal niet duidelijk dat zulks het geval zou zijn. Uit het dossier blijkt daarentegen dat Persidera bij de nationale bestuursrechters niet alleen de toewijzing van een extra digitale multiplex vordert, maar eveneens een schadevergoeding. Aangezien niet is uitgesloten dat aan de onderneming een schadevergoeding kan worden toegekend wegens onrechtmatig handelen van de Italiaanse instanties in het verleden, blijft het wat dat betreft bij het vermoeden van relevantie van de prejudiciële vragen.26.
34.
Tegen deze achtergrond moet de desbetreffende tegenwerping van de Italiaanse regering worden afgewezen.
3. Toereikende gegevens betreffende de gestelde illegaliteit van twee televisiezenders
35.
Ten slotte moet nog worden besproken of het verzoek om een prejudiciële beslissing mogelijkerwijs niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het te weinig toelichting bevat met betrekking tot de door Persidera gestelde illegale exploitatie van twee televisiezenders van haar concurrenten. Deze illegaliteit vormt de premisse waarop het gehele verzoek om een prejudiciële beslissing berust: zowel de eerste alsook de tweede prejudiciële vraag knoopt daar uitdrukkelijk bij aan.
36.
Erkend moet worden dat de verwijzingsbeslissing van de Consiglio di Stato op dit punt geen schoolvoorbeeld is van duidelijkheid en precisie. Het zou wenselijk geweest zijn dat in de verwijzingsbeslissing concreter en meer gestructureerd zou zijn meegedeeld waaruit de gestelde illegaliteit precies blijkt en welke gevolgen dat heeft. Daarover bevat de verwijzingsbeslissing echter alleen zeer schaarse feitelijke en juridische gegevens.
37.
Desalniettemin ben ik van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing — ondanks de onbetwistbare gebreken ervan — voldoende duidelijk tot uitdrukking brengt welke soort illegaliteit wordt bedoeld. Het gaat hier, zoals reeds uit de bewoordingen van beide prejudiciële vragen blijkt, om een gestelde ‘strijd met de concentratiegrenzen voorgeschreven door nationale regelingen’ en dat daarom de genoemde televisiezenders ‘zonder vergunning zijn geëxploiteerd’.
38.
Zoals overigens uit het dossier blijkt, gaat het bij beide vermeend onrechtmatig geëxploiteerde televisiezenders enerzijds om kanaal ‘RAI 3’ van het televisiestaatsbedrijf Rai en anderzijds om kanaal ‘Rete 4’ van het private Mediaset-concern. Persidera stelt in wezen dat de inaanmerkingneming van deze beide kanalen bij de overgang van analoge naar digitale televisie zou hebben geleid tot een ongerechtvaardigde bevoordeling van Rai en Mediaset ten opzichte van hun kleinere concurrenten. Rai en Mediaset zouden op deze wijze meer digitale frequenties in de vorm van multiplexen hebben ontvangen dan hun eigenlijk toekwamen.
39.
Daarmee beschikt het Hof op dit punt over voldoende gegevens voor een ter zake dienende beantwoording van de prejudiciële vragen. Dat bewijzen niet op de laatste plaats ook de opmerkingen welke de talrijke deelnemers aan de procedure in het onderhavige geval bij het Hof hebben ingediend.27.
40.
Bijgevolg moet het verzoek om een prejudiciële beslissing vanuit het gezichtspunt van de gestelde illegaliteit van twee televisiezenders, als ontvankelijk worden beschouwd.
41.
Daaraan verandert ook de omstandigheid niets, welke meerdere deelnemers aan de procedure — met name Rai, RTI en de Italiaanse regering — nadrukkelijk aanvoeren, dat er met betrekking tot ‘RAI 3’ en ‘Rete 4’ in feite helemaal geen sprake is van illegaliteit. Want volgens vaste rechtspraak28. dient het Hof zich met betrekking tot de voor het hoofdgeding relevante situatie, feitelijk en rechtens, alleen aan de beschrijving van de verwijzende rechter te houden, waarvan hij de juistheid niet onderzoekt29., ook al wordt deze door bepaalde deelnemers aan de procedure — in casu Rai, RTI en Italië — in twijfel getrokken.
4. Voorlopige conclusie
42.
Alles in overweging genomen is derhalve het verzoek om een prejudiciële beslissing slechts niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de artikelen 56, 101, 102 en 106 VWEU. Voor het overige moet het daarentegen als ontvankelijk worden beschouwd.
B. Inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vragen
43.
Zowel de feiten van het hoofdgeding als het toepasselijke recht kenmerken zich door een aanzienlijke ingewikkeldheid. Helaas konden noch de uiteenzettingen van de verwijzende rechter, noch die van de deelnemers aan de procedure licht in de duisternis brengen. Zij hebben er eerder toe bijgedragen het geval onnodig gecompliceerd te maken en de blik op de kern van de zaak te belemmeren.
44.
De onderhavige procedure moet, zoals ik reeds heb vermeld, worden bezien tegen de achtergrond van de overgang van analoge naar digitale televisie in Italië en belicht in juridisch opzicht een deel van deze overgang: het gaat uitsluitend om de berekening van het aantal digitale uitzendfrequenties die de reeds eerder op de analoge televisiemarkt actieve netwerkexploitanten konden worden toegewezen. In welke mate mocht bij de berekening van deze toe te wijzen digitale frequenties het aantal analoge televisieprogramma's in aanmerking worden genomen, dat tot dusver door de desbetreffende ondernemingen werd uitgezonden? Mochten vermeend illegaal geëxploiteerde analoge televisiekanalen worden meegenomen in de berekening (eerste prejudiciële vraag), en mocht deze berekening in rekenkundig opzicht tot verschillende omschakelingsverhoudingen per netwerkexploitant leiden (tweede prejudiciële vraag)?
45.
Mijns inziens zijn beide door de Consiglio di Stato gestelde vragen zo nauw met elkaar verbonden, dat het voor de hand ligt ze gezamenlijk te bespreken.
1. Toepasselijke voorschriften en beginselen van het recht van de Unie
46.
Voor de beantwoording van beide vragen zijn in de eerste plaats verschillende bepalingen van afgeleid recht van het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader toepasselijk, met name de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2002/21, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20 en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77. Al deze bepalingen brengen gemeenschappelijk tot uitdrukking dat de lidstaten bij de frequentietoewijzing over een zekere handelingsvrijheid beschikken, waarvan zij evenwel met inachtneming van de algemene beginselen van het recht van de Unie van non-discriminatie, transparantie en evenredigheid gebruik moeten maken, waarbij zij ook moeten zorgen voor een doelmatig beheer en gebruik van de frequenties en naar behoren rekening moeten houden met de mededinging en het pluralisme van de media.
47.
De genoemde bepalingen en beginselen moeten niet alleen bij de allereerste frequentietoewijzing in acht worden genomen, maar ook bij elke volgende frequentietoewijzing — derhalve bijvoorbeeld bij de in casu aan de orde zijnde overgang van analoge naar digitale frequenties.30. Want in de eerste plaats is het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader toepasselijk op alle handelingen die tot een frequentietoewijzing leiden31.; anders zou het Unierechtelijk vastgestelde doel om permanent een situatie te creëren die voldoet aan de vereisten van het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader, niet kunnen worden bereikt. In de tweede plaats heeft met name de overgang naar de nieuwe technologie van de digitale televisie in feite tot de allereerste toewijzing van deze nieuwe soort uitzendfrequenties geleid.
48.
In het onderhavige geval was duidelijk en begrijpelijk volgens welke methode de omschakeling van de tot dusver gebruikte analoge televisiefrequenties naar digitale in Italië werd uitgevoerd. Dienovereenkomstig ligt het probleem niet zozeer bij bijvoorbeeld een gebrek aan transparantie bij het verloop van de omschakeling. Persidera voelt zich veeleer op grond van de door de nationale instanties in Italië gekozen omschakelingsmethode ten opzichte van haar grotere concurrenten — met name ten opzichte van Rai en Mediaset — benadeeld. Het geschil draait derhalve uiteindelijk om het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie32., bij de toepassing waarvan natuurlijk ook de andere beginselen waarop het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader berust en de evenredigheid, een belangrijke rol spelen.
49.
Zoals alle algemene beginselen van het recht van de Unie, moeten de lidstaten zowel het beginsel van gelijke behandeling als het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen bij de uitvoering van het recht van de Unie.33. De lidstaten mogen zich niet baseren op een uitlegging van de toepasselijke richtlijnen die zou indruisen tegen algemene beginselen van het recht van de Unie.34. Het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader herinnert overigens op het niveau van het afgeleid recht eveneens aan deze primairrechtelijke verplichting en preciseert deze met name in artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, tweede volzin, en in overweging 19 van richtlijn 2002/21, verder in artikel 5, lid 2, tweede alinea, en in artikel 7, lid 3, van richtlijn 2002/20, en ten slotte in artikel 2, lid 4, en in artikel 4, punt 2, van richtlijn 2002/7735..
2. Het beginsel van gelijke behandeling
50.
Het Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling, dat inmiddels ook in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten is verankerd, houdt volgens vaste rechtspraak in dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld.36.
a) Ongelijke behandeling
51.
De vergelijkbaarheid van situaties moet met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de desbetreffende maatregel. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder de betrokken handeling valt.37.
52.
In het onderhavige geval dient derhalve de situatie van Rai, Mediaset en Persidera te worden onderzocht met het oog op de toewijzing van de acht multiplexen, die in de eerste groep van digitale televisiefrequenties waren toe te wijzen.38. Deze frequenties dienden, zoals ik reeds heb vermeld, de continuïteit van het televisieaanbod te waarborgen en konden uitsluitend worden toegewezen aan netwerkexploitanten die reeds tevoren analoge televisiezenders exploiteerden.
53.
Met name met betrekking tot de toewijzing van deze acht multiplexen en de daarmee nagestreefde doelstellingen, bevonden Rai, Mediaset en Persidera zich, voor zover duidelijk, in een absoluut vergelijkbare situatie: alle drie de ondernemingen hadden immers tot dusver in Italië reeds analoge televisiezenders geëxploiteerd. Derhalve kon elk van deze ondernemingen volgens het voor Italië opgestelde frequentietoewijzingsplan aanspraak maken op digitale frequenties uit de eerste groep van acht multiplexen, waardoor zij hun desbetreffende televisieprogramma's zouden kunnen voortzetten.
54.
Er is in dit verband formeel bezien zeker geen sprake van een ongelijke behandeling tussen Rai, Mediaset en Persidera. Integendeel, op alle bestaande exploitanten van analoge televisiezenders in Italië werd dezelfde omschakelingsmethode toegepast. Volgens deze methode verkregen alle netwerkexploitanten die tot dusver reeds analoge televisie hadden aangeboden, ten minste één digitale multiplex en degenen van hen die tot dusver over meerdere analoge televisiezenders beschikten, verkregen telkens een digitale multiplex minder dan eigenlijk overeenkwam met het aantal van hun analoge zenders.
55.
Het beginsel van gelijke behandeling omvat echter niet alleen formele (directe, rechtstreekse) ongelijke behandelingen, maar eveneens materiële (indirecte, verkapte) ongelijke behandelingen, waarbij de toepassing van een schijnbaar neutraal criterium in feite in het bijzonder nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde betrokkene of een bepaalde groep betrokkenen.39.
56.
In het onderhavige geval had de genoemde omschakelingsmethode in het bijzonder nadelige gevolgen voor Persidera (voorheen TIMB), die in tegenstelling tot de beide grote netwerkexploitanten Rai en Mediaset tot dusver niet drie, maar enkel twee analoge televisiezenders in het programma had. Terwijl immers voor Rai en Mediaset een omschakelingsverhouding van elk 66,67 % resulteerde (voor telkens drie analoge televisiezenders werden hun ieder twee digitale multiplexen toegewezen), bedroeg de omschakelingsverhouding in het geval van Persidera — voorheen TIMB — slechts 50 % (voor haar twee analoge televisiezenders werd TIMB één enkele digitale multiplex toegewezen).
57.
Daarmee leidde de door Italië gekozen methode voor de omschakeling van bestaande analoge naar nieuwe digitale zendfrequenties weliswaar niet met betrekking tot de omschakelingsmethode, echter wel met betrekking tot het bereikte omschakelingsresultaat tot een evidente ongelijke behandeling van Persidera ten opzichte van haar beide grotere concurrenten Rai en Mediaset.
b) Rechtvaardiging
58.
Het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader staat uitdrukkelijk toe dat de nationale autoriteiten in het kader van de toewijzing en het gebruik van frequenties maatregelen treffen waarmee doelstellingen van algemeen belang worden nagestreefd (zie met name artikel 9, lid 1, tweede alinea, en lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2002/21, evenals artikel 5, lid 1, tweede volzin, laatste streepje, en lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2002/20).40.
59.
In de procedure voor het Hof zijn in wezen twee rechtvaardigingsgronden voor de beschreven ongelijke behandeling aangevoerd: in de eerste plaats heeft de Italiaanse staat de continuïteit van het televisieaanbod willen waarborgen.41. In de tweede plaats is het onmogelijk gebleken voor iedere netwerkexploitant de exact identieke omschakelingsverhouding te bereiken, aangezien gelet op de ondeelbaarheid van de frequenties aan geen onderneming een breukdeel van een multiplex had kunnen worden toegewezen. Ik zal beide doelstellingen hierna afzonderlijk bespreken en toetsen of de voor het bereiken van deze doelstellingen getroffen maatregelen evenredig zijn.
60.
Volgens het evenredigheidsbeginsel, dat tot de algemene beginselen van het recht van de Unie behoort, mogen de getroffen maatregelen niet buiten de grenzen treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen van de betrokken regeling, met dien verstande dat, wanneer een keuze tussen meerdere geschikte maatregelen mogelijk is, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel.42.
61.
Een stuk eleganter, maar inhoudelijk volkomen hetzelfde is bijvoorbeeld de formulering in de vaste rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties, volgens welke een maatregel ‘voor het daarmee nagestreefde doel geschikt en noodzakelijk alsook aan dit doel evenredig’ moet zijn.43. Even pregnant is de in de Duitse rechtspraak ontwikkelde formule, die vereist dat een inbreuk op een grondrecht ‘een legitiem doel dient en een geschikt, noodzakelijk en passend middel vormt om dit doel te bereiken’.44.
62.
Aangezien in het onderhavige geval met de vrijheid en het pluralisme van de media, een van de fundamentele waarden voor het samenleven in een democratische maatschappij is geraakt (zie eveneens artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten), moeten bij de toetsing van de evenredigheid strenge maatstaven worden aangelegd.45. Een ongelijke behandeling kan derhalve alleen worden aanvaard wanneer deze noodzakelijk is om doelstellingen van algemeen belang coherent en systematisch te bereiken.
i) Waarborgen van de continuïteit van het televisieaanbod
63.
Wat om te beginnen het waarborgen van de continuïteit van het televisieaanbod betreft, gaat het om een legitiem belang waarop de nationale autoriteiten zich bij de opstelling van hun frequentietoewijzingsplan mochten baseren.
64.
De genoemde continuïteit dient met name de bescherming van de consument, die onder andere in overweging 6 van richtlijn 2002/21 op een prominente plaats wordt vermeld en daarenboven wordt weerspiegeld in de eis ‘de voordelen voor de gebruikers te maximaliseren’ [artikel 7, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/20]. De verbruikers wordt op deze wijze de uitoefening van hun grondrecht op vrijheid van informatie (artikel 11, lid 1, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten), maar eveneens de bevrediging van hun culturele behoeften vergemakkelijkt, wanneer hun ondanks de overgang van analoge naar digitale televisie nog steeds hun vertrouwde televisiezenders ter beschikking staan.
65.
Het zal beslist bevorderlijk zijn voor deze continuïteit van het televisieaanbod, wanneer de bevoegde nationale autoriteiten een groep digitale multiplexen voorbehouden aan de netwerkexploitanten die tot dusver reeds analoge televisiezenders hadden, en ieder van hen in het vooruitzicht stellen dat hij voldoende digitale frequenties zal verkrijgen om zijn bestaande analoge aanbod in digitale vorm voort te zetten.
66.
Volgens vaste rechtspraak is een maatregel echter slechts geschikt om de verwezenlijking van het aangevoerde doel te waarborgen, wanneer de verwezenlijking van dat doel werkelijk coherent en systematisch wordt nagestreefd.46.
67.
Wanneer in het hoofdgeding op grond van de — eventueel nog vast te stellen — constateringen van de verwijzende rechter zou blijken dat Rai en Mediaset met de toewijzing van telkens drie multiplexen zijn overbedeeld, omdat zij meer digitale frequenties hebben verkregen dan voor de voortzetting van hun bestaande analoge televisiezenders noodzakelijk zou zijn geweest,47. terwijl Persidera minder digitale frequenties dan noodzakelijk heeft verkregen of in ieder geval niet met dezelfde generositeit is bedeeld, dan zou de door de Italiaanse autoriteiten toegepaste omschakelingsmethode niet coherent zijn en zou deze dus een evenredigheidstoets niet kunnen doorstaan.
68.
Daarenboven zou een overbedeling van de beide marktleiders RAI en Mediaset in strijd zijn met de mededinging. Tot de fundamentele desiderata van het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader behoort immers de bevordering van de mededinging [zie met name artikel 7, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/20 en artikel 8, lid 2, van richtlijn 2002/21]48. en het voorkomen van verstoringen daarvan op het gebied van de elektronischecommunicatienetwerken en -diensten [zie met name artikel 5, lid 6, van richtlijn 2002/20 en artikel 8, lid 2, onder b), van richtlijn 2002/21], gepaard aan inspanningen ter bevordering van het pluralisme van de media [zie daartoe artikel 8, lid 1, derde alinea, artikel 9, lid 4, tweede alinea, onder d), en overweging 6 van richtlijn 2002/21, alsmede artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten]. De mededinging en het pluralisme van de media weerspiegelen zich heel concreet in de door het recht van de Unie gewaarborgde vrijheid om elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan te bieden (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2002/20 en artikel 2, lid 2, van richtlijn 2002/77). In dat verband zijn de nationale regelgevende instanties nadrukkelijk verplicht ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt verstoord als gevolg van een accumulatie van gebruiksrechten voor radiofrequenties (artikel 5, lid 6, tweede volzin, van richtlijn 2002/20), en kunnen zij maatregelen treffen tegen het hamsteren van spectrum (artikel 9, lid 7, van richtlijn 2002/21).
69.
Wanneer echter de twee met afstand grootste, op de Italiaanse televisiemarkt actieve ondernemingen — Rai en Mediaset — meer digitale multiplexen zouden worden toegewezen dan voor de voortzetting van hun bestaande analoge televisieprogramma's noodzakelijk zou zijn, dan kan een dergelijke overbedeling tot een accumulatie van frequenties in de handen van beide marktleiders leiden en hun toch al aanzienlijke concurrentiepositie ten opzichte van hun kleinere concurrenten verder versterken49., wat de keuzemogelijkheden van de verbruikers trendmatig beperkt en uiteindelijk ook leidt tot aantasting van het pluralisme van de media.
70.
De mededinging zou bijzonder ernstig zijn geschonden wanneer de in de verwijzingsbeslissing uitdrukkelijk vermelde veronderstelling van de Consiglio di Stato waar zou blijken te zijn, dat bij de omschakeling van analoge naar digitale frequenties ten gunste van RAI en Mediaset ook twee illegaal geëxploiteerde televisiezenders — ‘RAI 3’ en ‘Rete 4’ — in aanmerking zijn genomen.50. In dat geval zouden RAI en Mediaset, als de twee Italiaanse marktleiders, hun bijzonder gunstige omschakelingsverhouding van 66,67 % (telkens twee digitale multiplexen voor elk drie analoge televisiezenders) uiteindelijk aan een onwettige handelwijze te danken hebben. Een dergelijke voorsprong, die uiteindelijk slechts op de voortzetting van een onwettige situatie zou berusten, zou echter als strijdig met de mededinging moeten worden beschouwd.
71.
Zowel een mogelijke overbedeling van Rai en Mediaset met digitale frequenties als het mogelijk in aanmerking nemen van illegaal geëxploiteerde televisiezenders bij de omschakeling van analoge naar digitale frequenties zou lijnrecht indruisen tegen de door de wetgever van de Unie gestelde doelstelling inzake de bevordering van de mededinging op het gebied van de elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de versterking van het pluralisme van de media.
72.
Onder dergelijke omstandigheden zou het waarborgen van de continuïteit van de televisieprogramma's niet als rechtvaardigingsgrond kunnen worden aangevoerd voor de ongelijke behandeling van Rai en Mediaset enerzijds en Persidera anderzijds.
ii) Behoud van de ondeelbaarheid van de frequenties
73.
Wat vervolgens de ondeelbaarheid van de frequenties betreft, gaat het om een situationeel bepaalde noodzaak, die op grond van de aard van de zaak eveneens in aanmerking kon en diende genomen te worden, toen het oude systeem van analoge zendfrequenties naar het nieuwe systeem van digitale frequenties werd omgezet. Uiteindelijk vormt het voorkomen van breukdelen bij de frequentietoewijzing een deelaspect van het efficiënt beheer en gebruik van televisiefrequenties, dat de lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder d), en artikel 9, lid 1, en lid 4, tweede alinea, onder c), van richtlijn 2002/21, alsook overeenkomstig artikel 5, lid 2, eerste alinea, lid 5 en lid 6, eerste volzin, van richtlijn 2002/20 moeten nastreven en waarborgen.
74.
Zonder twijfel was de toewijzing van telkens een derde digitale multiplex aan Rai en aan Mediaset geschikt om de acht ter beschikking staande multiplexen van de eerste groep met behoud van hun ondeelbaarheid en zonder het ontstaan van breukdelen over alle rechthebbende netwerkexploitanten te verdelen.
75.
De genoemde toewijzing van telkens een derde digitale multiplex aan Rai en Mediaset was echter niet de enige mogelijkheid om de ondeelbaarheid van de frequenties te behouden. Veeleer had met die doelstelling ook rekening kunnen worden gehouden door andere handelwijzen met minder nadelige gevolgen voor de mededinging.
76.
Met name hadden de Italiaanse autoriteiten mogelijke overtollige multiplexen uit de eerste groep51. volgens objectieve criteria aan deze of gene netwerkexploitant kunnen toewijzen die deze frequenties met het oog op een versterking van de mededinging en ter voortzetting van hun bestaande analoge televisieprogramma's het beste kon gebruiken. Het staat geenszins vast dat dat de twee marktleiders RAI en Mediaset zouden zijn geweest.
77.
Als alternatief hadden de Italiaanse autoriteiten eventueel — en onder voorbehoud van nadere constateringen door de verwijzende rechter — de overtollige multiplexen uit de eerste groep aan meerdere netwerkexploitanten voor gemeenschappelijk gebruik kunnen toewijzen, met dien verstande dat elk van deze netwerkexploitanten op de daardoor omvatte digitale frequenties op bepaalde, vooraf vastgestelde dagen van de week of op bepaalde, vooraf vastgestelde tijden van de dag een beroep zou mogen doen voor de uitzending van zijn televisieprogramma's.
78.
Met het oog op de gelijkluidende verklaringen van de deelnemers aan de procedure dat elke digitale multiplex uitzending van meerdere televisieprogramma's mogelijk maakt, zal de verwijzende rechter bovendien moeten nagaan of er geen mogelijkheid zou kunnen bestaan om voor meerdere televisieprogramma's van verschillende dienstverrichters een en dezelfde multiplex te gebruiken.
79.
In elk geval moet worden vastgesteld dat het behoud van de ondeelbaarheid van de frequenties niet volstaat ter rechtvaardiging van een ongelijke behandeling zoals de in casu aan de orde zijnde van Rai en Mediaset enerzijds en Persidera anderzijds.
VI. Conclusie
80.
Tegen de achtergrond van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging op het verzoek van de Consiglio di Stato om een prejudiciële beslissing, te antwoorden als volgt:
‘De artikelen 8 en 9 van richtlijn 2002/21/EG, de artikelen 3, 5 en 7 van richtlijn 2002/20/EG en de artikelen 2 en 4 van richtlijn 2002/77/EG staan in de weg aan een nationale methode voor de toewijzing van digitale televisiefrequenties, die tot gevolg heeft dat beide marktleiders in verhouding tot het aantal van hun bestaande analoge televisiezenders meer digitale frequenties verkrijgen dan hun kleinere concurrenten, tenzij een dergelijke handelwijze gerechtvaardigd zou zijn ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van algemeen belang.
Tot deze legitieme doelstellingen behoort het waarborgen van de continuïteit van het televisieprogramma en het behoud van de ondeelbaarheid van televisiefrequenties. Een op deze doelstellingen gebaseerde ongelijke behandeling van netwerkexploitanten moet echter strikt in het kader blijven van hetgeen met inaanmerkingneming van de mededinging en het pluralisme van de media, die aan de drie richtlijnen ten grondslag liggen, noodzakelijk is om de genoemde doelstellingen coherent en systematisch te bereiken.
De mededinging wordt bijzonder ernstig veronachtzaamd wanneer de nationale methode voor de toewijzing van digitale televisiefrequenties de twee marktleiders, door de inaanmerkingneming van tot dusver illegaal geëxploiteerde televisiezenders, meer digitale frequenties zou opleveren dan hun kleinere concurrenten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑03‑2017
Oorspronkelijke taal: Duits.
Voor de definitieve overgang naar digitale televisie exploiteerde Persidera — respectievelijk TIMB als haar rechtsvoorgangster — in Italië twee analoge televisiezenders (‘La 7’ en ‘MTV’) en twee digitale (‘TIMB1’ en ‘MBONE’).
Niet-nakomingsprocedure nr. 2005/5086 (zie daartoe de persberichten van de Commissie IP/06/1019 van 19 juli 2006 en IP/07/1114 van 18 juli 2007); deze procedure, waarin de Commissie in juli 2007 een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 258, lid 1, VWEU (voorheen artikel 226, lid 1, EG) heeft uitgebracht, is tot op heden nog niet afgerond.
Arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C-380/05, EU:C:2008:59).
Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33).
Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 21).
Richtlijn 2002/77/EG van de Commissie van 16 september 2002 betreffende de mededinging op de markten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (mededingingsrichtlijn) (PB 2002, L 249, blz. 21).
Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB 2009, L 337, blz. 37, met rectificatie in PB 2013, L 241, blz. 8).
Een van de grootste voordelen van digitale televisie bestaat erin dat — anders dan bij analoge televisie — in een en hetzelfde frequentiegebied meerdere programma's kunnen worden uitgezonden.
Italiaanse toezichthouder voor communicatie.
Dat besluit verkreeg door wetsdecreet (decreto-legge) nr. 59/2008 juncto wet nr. 101/2008, kracht van wet.
Zie hierboven, voetnoot 3.
Sommige deelnemers aan de procedure spreken over een totaal van 22 multiplexen. Het verschil kan echter in het kader van de onderhavige prejudiciële procedure buiten beschouwing worden gelaten.
Zie met betrekking tot het begrip ‘digitaal dividend’ overweging 26 van richtlijn 2009/140; zie bovendien punt 1 van de mededeling van de Europese Commissie van 13 november 2007, ‘Ten volle profijt trekken van het digitale dividend in Europa: Een gemeenschappelijke aanpak voor het gebruik van het spectrum dat vrijkomt door de digitale omschakeling’, COM(2007) 700 definitief.
Ministero dello sviluppo economico (MiSE).
Zie zojuist, eerste streepje van punt 19 van deze conclusie.
Bestuursrechter Lazio.
Zie daartoe arrest nr. 1398/2014 van de Tribunale Amministrativo Regionale per il Lazio.
Hoogste bestuursrechter.
RTI behoort tot het Mediaset-concern.
Het vereiste om artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering in acht te nemen, wordt door het Hof benadrukt in bijvoorbeeld de beschikking van 12 mei 2016, Security Service e.a. (C-692/15—C-694/15, EU:C:2016:344, punt 18). Reeds eerder zijn in vaste rechtspraak inhoudelijk overeenstemmende ontvankelijkheidsvereisten voor verzoeken om een prejudiciële beslissing geformuleerd; zie onder meer arresten van 24 april 2012, Kamberaj (C-571/10, EU:C:2012:233, punt 42), en 21 december 2016, Vervloet e.a. (C-76/15, EU:C:2016:975, punten 56 en 57).
Zie in deze zin beschikking van 8 oktober 2002, Viacom (C-190/02, EU:C:2002:569, punten 21 en 22), en arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a. (C-320/90—C-322/90, EU:C:1993:26, punt 7); 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C-380/05, EU:C:2008:59, punt 58); 21 november 2013, Deutsche Lufthansa (C-284/12, EU:C:2013:755, punt 20), en 13 februari 2014, Airport Shuttle Express e.a. (C-162/12 en C-163/12, EU:C:2014:74, punt 38).
Arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C-380/05, EU:C:2008:59, punten 64-71, met name punt 69).
In deze zin arresten van 18 juni 1991, ERT (C-260/89, EU:C:1991:254, punt 37); 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C-380/05, EU:C:2008:59, punt 60), en 1 juli 2008, MOTOE (C-49/07, EU:C:2008:376, punt 50); zie ook mijn conclusie in de zaak Taricco e.a. (C-105/14, EU:C:2015:293, punt 60).
Arresten van 20 januari 2005, García Blanco (C-225/02, EU:C:2005:34), en 24 oktober 2013, Stoilov i Ko (C-180/12, EU:C:2013:693), evenals beschikking van 14 oktober 2010, Reinke (C-336/08, EU:C:2010:604).
Arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf (C-355/97, EU:C:1999:391, punt 22); 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, punt 25); 6 september 2016, Petruhhin (C-182/15, EU:C:2016:630, punt 20), en 21 december 2016, Vervloet e.a. (C-76/15, EU:C:2016:975, punt 57).
Zie in dezelfde zin, onder meer, arrest van 18 oktober 2011, Boxus e.a. (C-128/09—C-131/09, C-134/09 en C-135/09, EU:C:2011:667, punt 27).
Zie onder meer arresten van 25 januari 2011, Neukirchinger (C-382/08, EU:C:2011:27, punt 41), en 6 oktober 2015, Târşia (C-69/14, EU:C:2015:662, punt 13).
Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld arresten van 13 oktober 2016, Polkomtel (C-231/15, EU:C:2016:769, punt 16), en 31 januari 2017, Lounani (C-573/14, EU:C:2017:71, punt 56).
Zie in die zin arrest van 21 maart 2013, Belgacom e.a. (C-375/11, EU:C:2013:185, punten 37-39), inzake de toepassing van richtlijn 2002/20 op de verlenging van reeds verleende gebruiksrechten voor radiofrequenties.
Daarop wordt bijvoorbeeld gezinspeeld in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2002/20, waar sprake is van het verlenen van ‘meer’ gebruiksrechten voor radiofrequenties.
Zie aangaande dat begrip bijvoorbeeld arrest van 12 september 2006, Eman en Sevinger (C-300/04, EU:C:2006:545, punt 57); hierna zal ik eenvoudigheidshalve algemeen over het beginsel van gelijke behandeling spreken.
Zie, van fundamenteel belang voor de relevantie van de algemene beginselen van het recht van de Unie, arresten van 10 maart 2009, Heinrich (C-345/06, EU:C:2009:140, punt 45, tweede volzin), en 26 april 2005, ‘Goed Wonen’ (C-376/02, EU:C:2005:251, punt 32); met name betreffende het beginsel van gelijke behandeling, arrest van 11 juli 2006, Chacón Navas (C-13/05, EU:C:2006:456, punt 56, eerste en tweede volzin), alsmede betreffende het evenredigheidsbeginsel, arresten van 10 maart 2005, Tempelman en Van Schaijk (C-96/03 en C-97/03, EU:C:2005:145, punt 46), en 9 maart 2010, ERG e.a. (C-379/08 en C-380/08, EU:C:2010:127, punt 86).
Arresten van 6 november 2003, Lindqvist (C-101/01, EU:C:2003:596, punt 87); 26 juni 2007, Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a. (C-305/05, EU:C:2007:383, punt 28, tweede volzin), 21 december 2011, NS (C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 77), en 19 september 2013, Heroverweging Commissie/Strack (C-579/12 RX-II, EU:C:2013:570, punt 40).
Artikel 2, lid 4, en artikel 4, punt 2, van richtlijn 2002/77 spreken van ‘evenredige’ criteria, wat echter niets anders dan een verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel vormt.
Arresten van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, EU:C:2008:728, punt 23); 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C-550/07 P, EU:C:2010:512, punten 54 en 55), en 21 december 2016, Vervloet e.a. (C-76/15, EU:C:2016:975, punt 74).
Arresten van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, EU:C:2008:728, punten 25 en 26); 1 maart 2011, Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop e.a. (C-236/09, EU:C:2011:100, punt 29) ; 11 juli 2013, Ziegler/Commissie (C-439/11 P, EU:C:2013:513, punt 167), en 6 november 2014, Feakins (C-335/13, EU:C:2014:2343, punt 51).
Zie daartoe hierboven, punt 19 van deze conclusie.
Aldus bijvoorbeeld, vanuit het perspectief van het verbod op discriminatie in het kader van het vrij verkeer van werknemers, arrest van 14 februari 1995, Schumacker (C-279/93, EU:C:1995:31, punt 49). Zie betreffende het begrippenpaar formele en materiële discriminatie ter aanvulling eveneens de conclusie van advocaat-generaal Lagrange in de zaak Italië/Commissie (13/63, EU:C:1963:9) en van advocaat-generaal VerLoren van Themaat in de gevoegde zaken Seco en Desquenne & Giral (62/81 en 63/81, EU:C:1981:305).
Zie bovendien overweging 36 van richtlijn 2009/140.
Rai wijst verder op haar bijzondere verplichting diensten van algemeen belang te verrichten. Dat aspect wordt echter door de verwijzende rechter niet uitdrukkelijk aan de orde gesteld, en daarom bespreek ik het hierna ook niet uitvoerig. Ik beperk mij hier tot de verwijzing dat mijn uiteenzetting betreffende het waarborgen van de continuïteit van het televisieaanbod, met name die betreffende de evenredigheid, ook toepasselijk is op de toewijzing van frequenties met het doel diensten van algemeen belang te waarborgen.
Arresten van 11 juli 1989, Schräder HS Kraftfutter (265/87, EU:C:1989:303, punt 21); 3 juli 2003, Lennox (C-220/01, EU:C:2003:390, punt 76), en 10 maart 2005, Tempelman en Van Schaijk (C-96/03 en C-97/03, EU:C:2005:145, punt 47); in dezelfde zin arresten van 9 maart 2010, ERG e.a. (C-379/08 en C-380/08, EU:C:2010:127, punt 86), en 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, EU:C:2015:4, punten 67 en 91).
In het Franse origineel luidt het als volgt: ‘adaptée, nécessaire et proportionnée à la finalité qu'elle poursuit’; zie bijvoorbeeld Conseil constitutionnel (grondwettelijk hof, Frankrijk), beslissing nr. 2015-527 QPC van 22 december 2015 (FR:CC:2015:2015.527.QPC, punten 4 en 12) en beslissing nr. 2016-536 QPC van 19 februari 2016 (FR:CC:2016:2016.536.QPC, punten 3 en 10); zie in die zin ook Conseil d'État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk), arrest nr. 317827 van 26 oktober 2011 (FR:CEASS:2011:317827.20111026).
Zie dienaangaande bijvoorbeeld de recente rechtspraak van het Duitse Bundesverfassungsgericht (grondwettelijk Hof, Duitsland), onder meer BVerfGE 120, 274, 318 e.v. (DE:BVerfG:2008:rs20080227.1bvr037007, punt 218). ‘Passend’ is in dit verband een synoniem van ‘evenredig in engere zin’.
In deze zin arrest van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C-293/12 en C-594/12, EU:C:2014:238, punt 47), waar het Hof benadrukt dat de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever afhankelijk van een aantal factoren beperkt kan zijn, waaronder met name het betrokken domein, de aard van het door het Handvest gewaarborgde recht dat aan de orde is, alsook de aard, de ernst en het doel van de inmenging.
Arresten van 10 maart 2009, Hartlauer (C-169/07, EU:C:2009:141, punt 55); 17 november 2009, Presidente del Consiglio dei Ministri (C-169/08, EU:C:2009:709, punt 42), en 13 juli 2016, Pöpperl (C-187/15, EU:C:2016:550, punt 34). Deze rechtspraak betreffende de grondrechten moet ook voor het als afgeleid recht geregelde nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader gelden, temeer daar dat onder andere dient ter verwezenlijking van de fundamentele vrijheden.
Zowel tijdens de schriftelijkeals de mondelinge behandeling voor het Hof hebben meerdere deelnemers aan de procedure opgemerkt dat met digitale frequenties meerdere televisieprogramma's tegelijk kunnen worden uitgezonden. Er was sprake van het gebruik van een digitale multiplex voor vier, en zelfs zes van dergelijke programma's, afhankelijk van de uitzendkwaliteit. Daarmee dringt zich de vraag op of niet reeds de toewijzing van telkens één enkele digitale multiplex zou hebben volstaan om RAI en Mediaset de voortzetting van hun bestaande televisieaanbod mogelijk te maken, dat volgens de inlichtingen van de deelnemers aan de procedure telkens drie analoge zenders omvatte. RAI en Mediaset hebben zich tijdens de mondelinge behandeling tegen een dergelijke benaderingswijze verweerd. Het zal uiteindelijk de taak van de verwijzende rechter zijn met betrekking tot deze problematiek alle noodzakelijke feiten vast te stellen en daaruit de vereiste conclusies te trekken. Daarbij zal hij in aanmerking moeten nemen dat de in casu aan de orde zijnde digitale frequenties van de eerste groep alleen zouden moeten dienen ter voortzetting en bijvoorbeeld niet voor de uitbreiding of de wezenlijke verbetering van het bestaande televisieaanbod (afgezien van de verbetering die reeds uit de omschakeling naar digitale uitzending kan voortvloeien).
Zie eveneens arrest van 23 april 2015, Commissie/Bulgarije (C-376/13, EU:C:2015:266, punt 69).
Zie daartoe eveneens arrest van 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C-380/05, EU:C:2008:59, punten 98 en 99), waarin het Hof benadrukt dat maatregelen die leiden tot verstarring van de structuur van de nationale markt en tot bescherming van de positie van nationale exploitanten die reeds actief waren op de genoemde markt, onverenigbaar zijn met de richtlijnen van het nieuwe gemeenschappelijk regelgevingskader.
Het behoort niet tot de taken van het Hof om in een prejudiciële procedure te beoordelen of de televisiezenders ‘RAI 3’ en ‘Rete 4’ werkelijk illegaal worden of werden geëxploiteerd. In het kader van de onderhavige prejudiciële procedure moet het Hof echter uitgaan van de door de Consiglio di Stato geformuleerde veronderstelling en deze aan zijn beoordeling ten grondslag leggen.
Zie daartoe nogmaals hierboven, voetnoot 19 van deze conclusie.