De rechtbank heeft de boetes op zichzelf niet in de uitspraak vermeld, maar dit volgt wel uit artikel 24a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Rb. Zeeland-West-Brabant, 20-06-2025, nr. BRE 23/11833, nr. BRE 23/11834, nr. BRE 23/11835, nr. BRE 23/11836, nr. BRE 23/11837, nr. BRE 23/11838, nr. BRE 23/11839
ECLI:NL:RBZWB:2025:3861
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
20-06-2025
- Zaaknummer
BRE 23/11833
BRE 23/11834
BRE 23/11835
BRE 23/11836
BRE 23/11837
BRE 23/11838
BRE 23/11839
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2025:3861, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20‑06‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Verzet)
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2026:139
ECLI:NL:RBZWB:2024:6640, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01‑10‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025062608
FutD 2025-1337
NDFR Nieuws 2025/1090
NTFR 2025/1482 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
Uitspraak 20‑06‑2025
Inhoudsindicatie
8:55 Verzet ongegrond; geen omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende had moeten worden gestuurd.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11833 t/m 23/11839
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 op het verzet van
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 oktober 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen zien op zien op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2005 tot en met 2011 met aanslagnummers [BSN].H.57 , [BSN].H.67 , [BSN].H.77 , [BSN].H.87 , [BSN].H.97 , [BSN].H.07 en [BSN].H.17 en de gelijktijdig bij beschikking opgelegde vergrijpboetes1.alsmede de gelijktijdig gegeven beslissingen op verzoeken om ambtshalve vermindering.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel2.is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
Gronden van verzet
3. Belanghebbende is het niet eens met de uitspraak. Belanghebbende verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3.en stelt zich op het standpunt dat hij over de inhoudelijke kennis beschikt en niet zijn (voormalig) gemachtigde. Om die reden had de inspecteur belanghebbende zelf op de hoogte moeten brengen van de uitspraak op bezwaar.
3.1.
Belanghebbende stelt dat in het Voorschrift algemene wet bestuursrecht 1997 staat dat bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende. Bovendien volgt uit artikel 366a Wetboek van Strafvordering dat de uitspraak aan belanghebbende moet worden toegezonden, aangezien er sprake is van boetes.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst er hem op wijst dat hij altijd zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen belastingzaken. Het toezenden van een uitspraak aan de gemachtigde is daar niet mee in overeenstemming. Belanghebbende vindt het daarnaast willekeur dat elke briefwisseling van de inspecteur zowel naar belanghebbende als de gemachtigde gaat, behalve de uitspraak op bezwaar.
Het verzet is ongegrond
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Ingeval een gemachtigde een bezwaarschrift indient namens de belastingplichtige moet de belastingplichtige als indiener worden aangemerkt.4.Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met de belastingplichtige in beginsel via de gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt gezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.5.Daarbij is niet doorslaggevend of het besluit daarnaast ook aan de belastingplichtige zelf is gestuurd.6.Dit geldt ook voor de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar.7.
4.2.
Onder omstandigheden kan het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengen dat de inspecteur de belastingplichtige mededeling doet van de aan de gemachtigde verzonden uitspraak op bezwaar. Dat is bijvoorbeeld aan de orde ingeval de gemachtigde geen beroepsmatige rechtsbijstandsverlener is8., dan wel in andere (uitzonderlijke) gevallen waarin de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van zodanige mededeling de rechtspositie van de belastingplichtige schaadt. De enkele omstandigheid dat het bezwaar niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard, betekent niet dat het zorgvuldigheidsbeginsel eist dat een mededeling als hier bedoeld aan de belastingplichtige wordt gedaan.9.
4.3.
De rechtbank concludeert, gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen, dat de door belanghebbende aangehaalde wet- en regelgeving en jurisprudentie niet van toepassing zijn.
De inspecteur kon volstaan met verzending van de uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde. De enkele omstandigheid dat vergrijpboeten zijn opgelegd, leidt niet tot de conclusie dat er sprake van een (uitzonderlijke) situatie waarin de inspecteur de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende moet sturen. Immers ligt het voor de hand dat de voormalig gemachtigde – een professioneel rechtsbijstandverlener – is ingeschakeld als deskundige en belanghebbende informeert over de genomen beslissing(en). Niet valt dan in te zien dat de inspecteur redelijkerwijs moet veronderstellen dat het achterwege laten van toezending aan belanghebbende zijn rechtspositie schaadt. Dezelfde redenering geldt voor de aangevoerde omstandigheid dat eerdere correspondentie ook aan belanghebbende is gericht. De rechtbank is verder niet gebleken van andere omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat de uitspraak op bezwaar ook naar belanghebbende had moeten worden gestuurd.
Conclusie en gevolgen
5. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 20 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑06‑2025
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2009.
Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
Dat volgt uit artikel 2:1 in samenhang met artikel 6:17 van de Awb.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5722, alsmede HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0961.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393.
Hoge Raad 16 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5625.
Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:393.
Uitspraak 01‑10‑2024
Inhoudsindicatie
8:54; beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11833 t/m 23/11839
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar en de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de inspecteur van 3 augustus 2021. De beroepen zien op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2005 tot en met 2011 met aanslagnummers [BSN] .H.57, [BSN] .H.67, [BSN] .H.77, [BSN] .H.87, [BSN] .H.97, [BSN] .H.07 en [BSN] .H.17.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat ze te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.1.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.2.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.3.Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post4.wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.5.Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.6.
Zijn de beroepen te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de alle uitspraken op bezwaar 3 augustus 2021 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 14 september 2021.
4.1.
Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op de poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroepschrift op 13 december 2023 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beroepen eerder op de post zijn gedaan. De beroepen zijn dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende is pas op 11 december 2023 bekend geworden met de uitspraken op bezwaar en de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering (hierna samen: de uitspraken), tijdens een afspraak met de gemachtigde op kantoor. Belanghebbende is het er niet mee eens dat de inspecteur de uitspraken niet rechtstreeks aan hem heeft toegezonden, terwijl belanghebbende elk ander bericht van de belastingdienst in deze zaak wel heeft ontvangen.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat deze reden de overschrijding niet verschoonbaar maken. Niet in geschil is dat belanghebbende gedurende de (bezwaar)procedure is bijgestaan door de voormalige gemachtigde, [naam 2] van [B.V.] en dat de uitspraken door deze persoon en/of dit kantoor zijn ontvangen. De vraag is of de inspecteur de uitspraken ook naar belanghebbende had moeten sturen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit artikel 6:17 van de Awb volgt dat als een belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde de correspondentie over de processtukken aan de gemachtigde moet worden toegezonden. De inspecteur was dan niet gehouden om de uitspraken ook aan belanghebbende toe te zenden. Het was aan de toenmalige gemachtigde om belanghebbende tijdig op de hoogte te brengen van de uitspraken. Dat de inspecteur belanghebbende in deze procedure op eerdere momenten ook zou hebben gemaild, zoals belanghebbende stelt, leidt niet tot een ander oordeel.
5.2
Er is geen sprake van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden die tot gevolg hadden dat het beroepschrift na de termijn is ingediend. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Uit vaste rechtspraak komt naar voeren dat het processuele handelen van de gemachtigde voor rekening komt van degene die de behartiging van zijn belangen aan hem heeft toevertrouwd. Dat geldt ook voor de overschrijding van de rechtsmiddeltermijn. Niet is gebleken dat de toenmalige gemachtigde in de onmogelijkheid verkeerde om tijdig een beroepschrift in te dienen.
Beslissingen op verzoeken om ambtshalve vermindering
6. Partijen zijn niet verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep voor zover het beroepschrift zich richt tegen de beslissingen van de inspecteur om de navorderingsaanslagen IB/PVV 2010 en 2011 niet ambtshalve te verminderen (aanslagnummers [BSN] .H.07 en [BSN] .H.17). Gelet op de inhoudelijke gronden in het beroepschrift gaat de rechtbank ervan uit dat belanghebbende deze beslissingen ook aan de rechtbank heeft willen voorleggen. De rechtbank acht het ook niet aangewezen om de inspecteur op te dragen om het beroepschrift als bezwaarschrift tegen die beslissingen in behandeling te nemen. Dit gelet op het oordeel van de rechtbank omtrent de verschoonbaarheid van de beroepstermijn. Te verwachten valt namelijk dat de beslissing van de inspecteur hetzelfde uitvalt, gelet op het standpunt van de inspecteur in de brief van 5 maart 2024 en het om dezelfde feiten en omstandigheden gaat. Het gegeven oordeel van de rechtbank ziet daarom ook op de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 1 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑10‑2024
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.