Parketnummer 23-000081-23.
HR, 14-10-2025, nr. 23/04235
ECLI:NL:HR:2025:1523
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/04235
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1523, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:975
ECLI:NL:PHR:2025:975, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1523
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0330
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Oplichting (meermalen gepleegd), art. 326.1 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.b Sv. Ontvankelijkheid hoger beroep en beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding vanwege detentie in Frankrijk. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2004:AN8587 m.b.t. bijzondere omstandigheden die overschrijding van termijn voor h.b. door verdachte verontschuldigbaar doen zijn en uit HR:2019:1534 inhoudende dat daarvan sprake kan zijn indien verdachte in strijd met art. 366.4 Sv niet schriftelijke vertaling van de in die bepaling bedoelde mededeling in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen. Met het oog op rechtszekerheid die is vereist m.b.t. rechtsgeldigheid van het aanwenden van rechtsmiddel, is het noodzakelijk om scherpe en vaste grenzen te trekken (vgl. HR:2014:231). Als sprake is van bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid waardoor verdachte het rechtsmiddel niet tijdig heeft ingesteld, mag van verdachte worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk alsnog rechtsmiddel instelt of doet instellen nadat die omstandigheid zich niet meer voordoet (vgl. HR:2001:AB2064). Het alsnog (doen) instellen van rechtsmiddel binnen de (in strafprocedures gebruikelijke) termijn van 14 dagen nadat betreffende omstandigheid zich niet meer voordoet, geldt daarbij in elk geval als zo spoedig mogelijk. Hof heeft vastgesteld dat h.b. tegen het op 17-10-2022 bij verstek gewezen vonnis op 6-1-2023 is ingesteld. Daarnaast is hof, in het licht van het namens verdachte gevoerde verweer, ervan uitgegaan dat verdachte, die bekend was met zitting van Rb van 17-10-2022, vanwege detentie in Frankrijk niet aanwezig was bij die zitting, dat verdachte vanaf 15-10-2022 acht weken in detentie heeft verbleven, dat niet is gelukt om vanuit die detentie h.b. in te stellen en dat verdachte medio december 2022 weer in Nederland was teruggekeerd. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat h.b. niet binnen wettelijke termijn is ingesteld en dat, nu h.b. pas ongeveer 3 weken na terugkeer van verdachte in Nederland is ingesteld, deze termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, geeft dat oordeel niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04235
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2023, nummer 23-000081-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep niet verontschuldigbaar is.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De voorzitter deelt mede dat er eerst naar de ontvankelijkheid van de zaak zal worden gekeken en merkt op:
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 17 oktober 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 18 augustus 2022 in persoon betekend. De verdachte is op 17 oktober 2022 bij verstek veroordeeld. Het hoger beroep zou dan in beginsel vóór 1 november 2022 ingesteld moeten zijn, maar is pas op 6 januari 2023 ingesteld. De raadsman heeft een mail gestuurd waarin als reden voor het te laat ingestelde appel staat dat verdachte gedetineerd zat in Frankrijk.
De verdachte antwoordt:
Dat klopt. Op 17 oktober 2022 zat ik in een politiecel. Ik ben op 15 oktober aangehouden en ik heb 8 weken vastgezeten.
(...)
De verdachte verklaart als volgt:
(...)Ik heb bericht gekregen dat de zitting op 17 oktober 2022 was. Ik heb tijdens mijn gevangenschap meerdere pogingen ondernomen en gevraagd of de Nederlandse autoriteiten op de hoogte konden worden gesteld. Vervolgens ben ik in hongerstaking gegaan. Ik mocht niet bellen. Ik heb een reactie van de Franse advocaat ontvangen.
(...)
De raadsman voert aan:
(...) De Franse advocaat heeft zijn verzoek genegeerd. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De verdachte verklaart:
(...) Ik kwam half december 2022 naar Nederland en werd aangehouden in een soortgelijke zaak op 5 januari 2023. Toen heb ik meteen contact gezocht met een advocaat.”
2.2.2
Het hof heeft het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft hierover overwogen:
“De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 8 augustus 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam.
Verdachte is ter zitting van 8 augustus 2022 verschenen en heeft blijkens het proces-verbaal van die zitting verzocht om een nieuwe zittingsdatum. De politierechter heeft daarop het onderzoek geschorst tot de zitting van 17 oktober 2022 om 15:30 uur en de verdachte aangezegd om op voornoemde datum en tijdstip weer op de zitting aanwezig te zijn.
Op 15 augustus 2022 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. […] , de oproeping voor de nieuw geplande zitting (17 oktober 2022) ontvangen.
De verdachte is op 17 oktober 2022 bij verstek veroordeeld.
In hoger beroep heeft verdachte aangevoerd dat hij niet bij de zitting van 17 oktober 2022 aanwezig was, omdat hij op dat moment gedetineerd zat in Frankrijk. Verdachte verklaarde op 15 oktober 2022 in Frankrijk door de politie te zijn aangehouden en gedurende 8 weken in detentie gehouden te zijn.
Tevens verklaarde verdachte dat hij via een Franse advocaat heeft geprobeerd appel in te stellen tegen het verstekvonnis van de politierechter d.d. 17 oktober 2022, maar dat dit wegens barrières niet lukte.
Verdachte heeft desgevraagd geen onderbouwing gegeven voor het onbenut laten van de mogelijkheid om in de weken die hij vanaf medio december 2022 weer in Nederland was appel in te stellen.
Tegen het vonnis van de politierechter d.d. 17 oktober 2022 heeft de verdachte eerst op 6 januari 2023, dus circa drie weken na zijn terugkeer in Nederland, hoger beroep ingesteld.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
2.3.1
De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (i) binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip begint of (ii) een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld (vgl., in enigszins andere bewoordingen, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587) of (iii) een situatie waarin de verdachte die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, in strijd met artikel 366 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering niet een schriftelijke vertaling van de in die bepaling bedoelde mededeling in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen (vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534). Met het oog op de rechtszekerheid die is vereist met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel, is het noodzakelijk om scherpe en vaste grenzen te trekken. (Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231.)
2.3.2
Als sprake is van een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid waardoor de verdachte het rechtsmiddel niet tijdig heeft ingesteld, mag van de verdachte worden verlangd dat hij zo spoedig mogelijk alsnog het rechtsmiddel instelt of doet instellen nadat die omstandigheid zich niet meer voordoet (vgl. HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2064). Het alsnog (doen) instellen van het rechtsmiddel binnen de – in strafprocedures gebruikelijke – termijn van veertien dagen nadat de betreffende omstandigheid zich niet meer voordoet, geldt daarbij in elk geval als zo spoedig mogelijk.
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat het hoger beroep tegen het op 17 oktober 2022 bij verstek gewezen vonnis op 6 januari 2023 is ingesteld. Daarnaast is het hof, in het licht van het namens de verdachte gevoerde verweer, ervan uitgegaan dat de verdachte, die bekend was met de zitting van de rechtbank van 17 oktober 2022, vanwege detentie in Frankrijk niet aanwezig was bij die zitting, dat de verdachte vanaf 15 oktober 2022 acht weken in detentie heeft verbleven, dat niet is gelukt om vanuit die detentie hoger beroep in te stellen en dat de verdachte medio december 2022 weer in Nederland was teruggekeerd. Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld en dat, nu het hoger beroep pas ongeveer drie weken na de terugkeer van de verdachte in Nederland is ingesteld, deze termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. Gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 23‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep. Falend middel over oordeel van hof dat termijnoverschrijding na detentie in buitenland niet verschoonbaar is. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04235
Zitting 23 september 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 24 oktober 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.1.
1.2
Namens de verdachte heeft J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel van cassatie
2.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verschoonbaar was. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk zijn.
2.2
Het hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in zijn arrest overwogen:
“De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 8 augustus 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam.
Verdachte is ter zitting van 8 augustus 2022 verschenen en heeft blijkens het proces-verbaal van die zitting verzocht om een nieuwe zittingsdatum. De politierechter heeft daarop het onderzoek geschorst tot de zitting van 17 oktober 2022 om 15:30 uur en de verdachte aangezegd om op voornoemde datum en tijdstip weer op de zitting aanwezig te zijn.
Op 15 augustus 2022 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. M.E. van der Werf, de oproeping voor de nieuw geplande zitting (17 oktober 2022) ontvangen.
De verdachte is op 17 oktober 2022 bij verstek veroordeeld.
In hoger beroep heeft verdachte aangevoerd dat hij niet bij de zitting van 17 oktober 2022 aanwezig was, omdat hij op dat moment gedetineerd zat in Frankrijk. Verdachte verklaarde op 15 oktober 2022 in Frankrijk door de politie te zijn aangehouden en gedurende 8 weken in detentie gehouden te zijn. Tevens verklaarde verdachte dat hij via een Franse advocaat heeft geprobeerd appèl in te stellen tegen het verstekvonnis van de politierechter d.d. 17 oktober 2022, maar dat dit wegens barrières niet lukte.
Verdachte heeft desgevraagd geen onderbouwing gegeven voor het onbenut laten van de mogelijkheid om in de weken die hij vanaf medio december 2022 weer in Nederland was appèl in te stellen. Tegen het vonnis van de politierechter d.d. 17 oktober 2022 heeft de verdachte eerst op 6 januari 2023, dus circa drie weken na zijn terugkeer in Nederland, hoger beroep ingesteld.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2023 houdt onder meer als verklaring van de verdachte in:
“Ik kwam half december 2022 naar Nederland en werd aangehouden in een soortgelijke zaak op 5 januari 2023. Toen heb ik meteen contact gezocht met een advocaat.”
2.4
De verdachte stelt zich in cassatie op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Hiertoe wordt in de schriftuur aangevoerd dat de verdachte:
(i.) ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in eerste aanleg in het buitenland gedetineerd zat en dat hij moeite heeft gedaan om via de buitenlandse autoriteiten, het gevangenispersoneel en zijn buitenlandse advocaat te bewerkstelligen dat de behandeling van zijn zaak (nogmaals) zou worden aangehouden en – toen bleek dat dit niet gelukt was – om hoger beroep aan te laten tekenen tegen het vonnis;
(ii.) nadat hij na zijn terugkeer in Nederland geconfronteerd werd met een nieuwe beschuldiging meteen aan zijn advocaat heeft gevraagd om alsnog hoger beroep aan te tekenen. Het enkele feit dat het na de detentie van de verdachte drie weken duurde voordat hij eraan dacht om alsnog hoger beroep te laten instellen, zou geen omstandigheid zijn “die zo zwaarwegend is dat de verschoonbare termijnoverschrijding daardoor niet meer aan de orde kan zijn”, “mede in aanmerking genomen dat in die periode vanwege de feestdagen gedurende twee weken nauwelijks gewerkt wordt in Nederland en de verdachte in die periode bovendien nog van alles moest regelen om zijn leven in Nederland weer op de rit te krijgen”.
2.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Die termijnen zijn van openbare orde.2.Ingevolge art. 408 lid 1 Sv moet het hoger beroep in beginsel binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.3.
2.6
De gevallen waarin sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding voor het instellen van een rechtsmiddel zijn grofweg in drie categorieën te onderscheiden.4.De eerste categorie betreft gevallen waarin de psychische gesteldheid van de verdachte maakt dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.5.De tweede categorie betreft gevallen waarin de overschrijding het gevolg is van handelen of nalaten van de overheid.6.Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het ontbreken van een op grond van art. 366 lid 4 Sv vereiste vertaling van de verstekmededeling.7.Tot slot betreft de derde categorie gevallen waarin termijnoverschrijdingen door derden zijn veroorzaakt.8.Deze categorie laat onverlet dat de verdachte mede verantwoordelijk is voor het tijdig instellen van een rechtsmiddel. Anders gezegd: indien een raadsman namens de verdachte niet of ontijdig hoger beroep instelt, is die termijnoverschrijding niet verschoonbaar.9.
2.7
Het hof heeft geoordeeld dat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn is ingesteld en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Aan dat oordeel heeft het hof de volgende feitelijke vaststellingen ten grondslag gelegd:
(i.) de verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 8 augustus 2022 te verschijnen bij de politierechter in de rechtbank Amsterdam;
(ii.) de verdachte is ter terechtzitting van 8 augustus 2022 verschenen en heeft toen een aanhoudingsverzoek gedaan;
(iii.) dit aanhoudingsverzoek is toegewezen en de politierechter heeft de verdachte ter terechtzitting (mondeling) aangezegd dat het onderzoek is geschorst tot 17 oktober 2022 om 15:30 uur;
(iv.) op 15 augustus 2022 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte een oproeping voor die zitting ontvangen;
(v.) de verdachte is niet op die terechtzitting van 17 oktober 2022 verschenen en bij verstek veroordeeld;
(vi.) op 6 januari 2023 heeft de raadsman van de verdachte hoger beroep ingesteld.
2.8
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij de terechtzitting van 17 oktober 2022 niet kon bijwonen omdat hij toen in Frankrijk gedetineerd was, nadat hij op 15 oktober 2022 was aangehouden. De verdachte heeft verder aangevoerd dat hij aldaar acht weken in detentie heeft verbleven en via een Franse advocaat heeft geprobeerd appèl in te stellen tegen het verstekvonnis van de politierechter d.d. 17 oktober 2022, maar dat dit wegens ‘barrières’ niet is gelukt. Verder heeft hij verklaard dat hij half december 2022 naar Nederland is gekomen en vervolgens op 5 januari 2023 werd aangehouden in een soortgelijke zaak, waarna hij meteen contact heeft gezocht met een advocaat.
2.9
Door het hof is vastgesteld – en die omstandigheid ligt kennelijk aan de bestreden beslissing ten grondslag – dat de verdachte desgevraagd geen onderbouwing heeft gegeven voor het onbenut laten van de mogelijkheid om in de weken die hij vanaf medio december 2022 weer in Nederland was appèl in te stellen, maar pas op 6 januari 2023 – aldus circa drie weken na zijn terugkomst in Nederland – hoger beroep heeft ingesteld.
2.10
In het licht van deze vaststelling van het hof acht ik het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verschoonbaar is, niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de omstandigheden die de steller van het middel aanvoert voor het tardief instellen van hoger beroep, te weten dat in de betreffende periode gedurende twee weken in Nederland nauwelijks wordt gewerkt vanwege de feestdagen en dat de verdachte in die periode nog ‘van alles moest regelen om zijn leven in Nederland weer op de rit te krijgen’, in hoger beroep niet naar voren zijn gebracht. Uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte is verklaard, blijkt ook niet dat de sluitingstijden in verband met de feestdagen voor de verdachte enig probleem hebben opgeleverd voor het instellen van hoger beroep. Integendeel, daaruit valt eerder af te leiden dat de strafzaak de verdachte was ontschoten. Het is begrijpelijk dat de verdachte na terugkeer in Nederland wat anders aan zijn hoofd had, maar dat levert op zichzelf genomen nog geen verschoonbare termijnoverschrijding op.
2.11
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑09‑2025
Zie onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.3.
Vgl. onder meer HR 28 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9983, NJ 1995/500 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 5.3, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.3 tot en met 3.5, HR 15 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2429, r.o. 2.3 en 2.4, HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2397, r.o. 2.5.1 en 2.5.2 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, r.o. 2.5.1 en 2.5.2.
Zie hierover uitgebreid J.H.B. Bemelmans en M.A.P. Timmerman, ‘Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken’, DD 2024/52, p. 745-758. Zie ook de (recente) conclusie van mijn ambtgenoot Van Kempen van 24 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:642, punten 3.8 tot en met 3.33.
Vgl. onder meer HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:AB9759, NJ 1998/577, r.o. 4.4, HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.3 tot en met 3.5, HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2065, r.o. 2.5 en 2,6 en HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1082, r.o. 2.5.1 en 2.5.2.
Vgl. HR 20 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9906, NJ 1995/253, r.o. 4.4, HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, r.o. 3.3 en 3.4, HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6671, r.o. 2.3 en 2.4 en HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9060, r.o. 2.3 en 2.4.
HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534, NJ 2020/326 m.nt. J.W. Ouwerkerk, r.o. 2.4, HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:770, NJ 2020/328 m.nt. J.W. Ouwerkerk, r.o. 2.5 en HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1325, r.o. 2.5.
Bemelmans en Timmerman wijzen in dat verband op vertragingen in de postbezorging. Zij geven het voorbeeld waarin via een aangetekende brief hoger beroep of cassatie wordt ingesteld en die brief buiten de beroepstermijn wordt bezorgd op de griffie. Zie J.H.B. Bemelmans en M.A.P. Timmerman, ‘Too little, too late? Verontschuldigbare overschrijding van termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in strafzaken’, DD 2024/52, p. 756.
HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16, NJ 2016/117 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 2.4 en 2.5.
Beroepschrift 30‑08‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Namens verzoeker, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, verblijvende in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan, draag ik het volgende cassatiemiddel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, uitgesproken op 24 oktober 2023 onder parketnummer 23-000081-23, waarbij verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep:
Middel:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO, doordat het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding bij het instellen van het hoger beroep niet verschoonbaar was, terwijl bij het hof bekend was met het feit dat verzoeker ten tijde van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak in eerste aanleg gedetineerd zat in het buitenland en hij (verzoeker) de nodige moeite heeft gedaan om via de buitenlandse autoriteiten, het gevangenispersoneel en zijn buitenlandse advocaat te bewerkstelligen dat de behandeling van zijn zaak (nogmaals) zou worden aangehouden en / of er tijdig hoger beroep zou worden ingesteld. Toen hij na zijn terugkeer in Nederland geconfronteerd werd met nieuwe beschuldigingen, heeft verzoeker alsnog meteen de volgende dag — via zijn raadsman — hoger beroep aangetekend. Het oordeel van het hof dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk, althans niet zonder meer begrijpelijk.
Voor het hof was doorslaggevend dat verzoeker niet meteen na zijn terugkeer in Nederland (medio december 2022) zelf hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van de politierechter. Verzoeker merkt in dit verband op dat hij in de periode waarin de zitting plaatsvond (medio oktober 2022) erg zijn best heeft gedaan om een aanhouding van de behandeling van zijn zaak te bewerkstelligen en — toen bleek dat dat niet gelukt was — om hoger beroep aan te laten tekenen tegen het vonnis. Na zijn detentie was het voor hem een hectische periode waarin hij is teruggekeerd naar Nederland. Hij heeft er toen niet meteen aan gedacht om naar de rechtbank te gaan om hoger beroep aan te tekenen. Toen hij — na de feestdagen — geconfronteerd werd met een nieuwe beschuldiging, heeft hij meteen aan zijn advocaat gevraagd om alsnog hoger beroep aan te tekenen.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is geweest, omdat hij destijds gedetineerd zat in het buitenland en het niet aan hem heeft gelegen dat er niet binnen 14 dagen na de uitspraak hoger beroep is aangetekend. Het enkele feit dat het na zijn detentie enige tijd duurde voordat hij eraan dacht om alsnog hoger beroep te laten instellen, is geen omstandigheid die zo zwaarwegend is dat de verschoonbare termijnoverschrijding daardoor niet meer aan de orde kan zijn. Een periode van 3 weken na een detentie in het buitenland, is niet dusdanig lang dat daardoor de eerdere verschoonbaarheid wordt opgeheven (mede in aanmerking genomen dat in die periode gedurende 2 weken nauwelijks gewerkt wordt in Nederland vanwege de feestdagen en verzoeker in die periode bovendien nog van alles moest regelen om zijn leven in Nederland weer op de rit te krijgen).
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de (8911 LE) Ossekop 11, die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Leeuwarden, 30 augustus 2024
mr. J. Boksem