Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Noord-Nederland, 17-07-2025, nr. LEE 24/4470
ECLI:NL:RBNNE:2025:2834
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
17-07-2025
- Zaaknummer
LEE 24/4470
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2025:2834, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 17‑07‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025101608
FutD 2025-2094
NLF 2025/2247
Uitspraak 17‑07‑2025
Inhoudsindicatie
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag Inkomstenbelasting 2019 niet te hoog heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met € 25.082 aan belastbare resultaten uit overige werkzaamheden die eiseres heeft ontvangen voor de zorg die zij aan haar opa heeft geleverd. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. De inspecteur mag uitgaan van de gegevens die hij van werkgevers, verzekeraars en uitkeringsinstanties krijgt. Eiseres heeft ook niet gesteld dat die gegevens onjuist zijn. Eiseres stelt dat zij een deel van de ontvangen inkomsten heeft terugbetaald. Voor zover eiseres daarmee heeft bedoeld te stellen dat die betalingen in minderingen gebracht moeten worden op het resultaat uit overige werkzaamheden overweegt de rechtbank dat – onder specifieke omstandigheden – een dergelijke terugbetaling kan leiden tot een negatieve post bij het resultaat uit overige werkzaamheden. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is. Eiseres heeft ook de rechtbank verzocht om de belastingschuld kwijt te schelden of te seponeren. De rechtbank beslist daar niet over omdat zij daartoe niet bevoegd is.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4470
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam 1] ),
en
Belastingdienst Particulieren / kantoor Arnhem, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van de inspecteur van 27 september 2024 op het verzoek van eiseres om ambtshalve vermindering van de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2019.
1.1.
De inspecteur heeft op 18 december 2020 aan eiseres voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.226.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiseres € 60 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
Eiseres heeft op 30 mei 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019.
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend.
1.5.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ook behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. Dat verzoek heeft de inspecteur tegelijk met het doen van de uitspraak op het bezwaar afgewezen.
1.6.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur bijgestaan door [naam 3] . Eiseres is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. Eiseres heeft op de ochtend van de zitting nog wel een pleitnota met onderwerp ‘Zitting 14 juli’ overgelegd.
Feiten
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1.
Op 28 mei 2020 heeft eiseres een aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 75 en bestaat uit een resultaat uit overige werkzaamheden ter hoogte van € 75.
2.2.
Op 18 december 2020 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 27.226. Ten opzichte van de aangifte is meer in aanmerking genomen:
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking:
Werkgever | Loon |
[Naam werkgever 1] | € 2.069 |
Resultaat uit overige werkzaamheden:
Naam | Resultaat |
[Opa van eiseres] | € 25.082 |
2.3.
De door de inspecteur overgelegde renseignementen vermelden de volgende bedragen aan inkomsten die door de inspecteur zijn aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden:
Naam werkgever | Resultaat |
[Opa van eiseres] | € 25.082 |
[Naam werkgever 2] | € 75 |
2.4.
Eiseres verleende in 2019 zorg aan haar opa. Die zorg werd betaald uit een persoonsgebonden budget.
Beoordeling door de rechtbank
3. De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres tegen de aanslag IB/PVV 2019 niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend. Eiseres heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen die niet-ontvankelijk verklaring. Omdat eiseres wel inhoudelijke gronden tegen de hoogte van de aanslag heeft aangevoerd vat de rechtbank het beroep op als een rechtstreeks beroep gericht tegen de (afwijzende) beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2019 (zie 1.5.). Dat is namelijk de enige manier voor de rechtbank om in dit beroep tot een inhoudelijke beoordeling van de aanslag te komen. De inspecteur heeft ter zitting aangeven akkoord te gaan met een rechtstreeks beroep. De rechtbank zal het beroep daarom behandelen als een rechtstreeks beroep gericht tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering.1.
4. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag of de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met € 25.082 aan belastbare resultaten uit overige werkzaamheden die eiseres heeft ontvangen voor de zorg die zij aan haar opa heeft geleverd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de aanslag niet te hoog heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Eisers stelt dat haar opa een groot deel van het persoonsgebonden budget moest terugbetalen. Daarom heeft zij ook een deel van haar inkomsten – die uit het persoonsgebonden budget van har opa waren betaald – aan haar opa terugbetaald.
7. De inspecteur stelt – samengevat – dat hij mag uitgaan van de gegevens die hij van derden heeft ontvangen. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat die gegevens niet juist zijn of dat om andere reden van een lager inkomen uitgegaan moet worden.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank mag de inspecteur in beginsel uitgaan van de gegevens die hij van werkgevers, verzekeraars en uitkeringsinstanties krijgt (de zogenaamde renseignementen, zie 2.3.). Eiseres betwist ook niet dat zij in 2019 inkomsten heeft ontvangen voor de verzorging van haar opa. Voor de hoogte van die inkomsten is de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht uitgegaan van de gegevens die hij van derden heeft ontvangen.
9. Voor zover eiseres met hetgeen zij stelt over het terugbetalen van een deel van de ontvangen inkomsten heeft bedoeld te stellen dat die betalingen in minderingen gebracht moeten worden op het resultaat uit overige werkzaamheden, overweegt de rechtbank als volgt. Het is denkbaar dat – onder specifieke omstandigheden – een dergelijke terugbetaling leidt tot een negatieve post bij het resultaat uit overige werkzaamheden. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat daar in dit geval sprake van is. Eiseres heeft enkel gesteld dat er terugbetaald is. Over wanneer en hoeveel er terugbetaald is, en of er voor eiseres een verplichting bestond om te terug te betalen, heeft eiseres niets gesteld of aannemelijk gemaakt. Eiseres maakt daarom ook niet aannemelijk dat het resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld.
10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiseres erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Verzoek om kwijtschelding
11. In haar beroepschrift heeft eiseres verzocht om kwijtschelding. In haar pleitnota heeft eiseres verzocht om de belastingschulden te seponeren. Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat zij slachtoffer is van de toeslagenaffaire.
12. Voor zover eiseres heeft bedoeld de rechtbank te verzoeken om de belastingschuld kwijt te schelden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is niet bevoegd om te beslissen over een dergelijk kwijtscheldingsverzoek.2.Een verzoek om kwijtschelding kan bij de ontvanger van de Belastingdienst ingediend worden.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag niet wordt verminderd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2025.
w.g. griffier | w.g. rechter |
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑07‑2025
Zie artikel 8:5 van de Awb en bijlage 2 bij de Awb (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak).