Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/1.2.b
1.2.b Hoofdvraag en afbakening
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611935:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijv. Corstens 1995; Hartmann & Van Russen Groen 1998; Albers, Van Emmerik, Saris & Haas 2014.
Zie voor het bestuursrecht: De Vries Robbé 1997; Köhne 2000; Marseille & Smit 2009; Boekema, Herwijer & Marseille 2012; Civiel recht: Asser, Groen, Vranken & Tzankova 2006, p. 151-165; Hovens 2004; Penitentiair recht: Bleichrodt 2012/16; Vreemdelingenrecht: Handelingen II, 2 september 1993, 89-6646-89-6647 (Wetsvoorstel 22735) en Handelingen II, 8 december 1993, 16-790-16-820 (Wetsvoorstel 22735); Kamerstukken II 1995/96, 24424, nr. 2 en 3 en Kamerstukken II 1996/97, 24424, nr. 4 en 5 (Hoger beroep in vreemdelingenrecht).
Zie bijv. Ras 1991.
Zie over Duitsland, Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten: Van der Does 1990; Frins-Ernes 1990; Keijzer 1991; Köhne 2000; Groenhuijsen & De Hullu 2002; Stamhuis 2002 en 2004, Marseille & Smit 2009.
Samengevat bestaat over de wenselijkheid van de artikelen 410a Sv en 80a RO in het bijzonder en verlofstelsels in het algemeen veel verschil van mening. Extra complicerend is dat de argumenten in de discussie over verlofstelsels mogelijk niet op elkaar aansluiten. Verschil van inzicht bestaat namelijk óók over wat onder het begrip verlofstelsel moet worden verstaan. Een tweede voorvraag, namelijk of verlofstelsels in strafzaken volgens mensenrechten wel toelaatbaar zijn, is volgens mij eveneens onderbelicht gebleven. Drie veroordelingen door het EHRM en het CRM zijn daarvan in zekere zin het bewijs.
Dit boek beoogt aan het debat over verlofstelsels in strafzaken bij te dragen, niet door daaraan extra argumenten toe te voegen of bestaande argumenten te bevestigen of te weerspreken, maar ten eerste door het centrale begrip in de discussie te verhelderen, ten tweede door te onderzoeken wat de verdragsrechtelijke (minimum)eisen zijn aan verlofstelsels in strafzaken en ten derde door te bezien of Nederlandse verlofstelsels aan die vereisten voldoen. Gecomprimeerd in één zin luidt de hoofdvraag van dit onderzoek:
In hoeverre zijn verlofstelsels in hoger beroep en cassatie in Nederlandse strafzaken met het oog op verdragsrecht toelaatbaar?
De vraagstelling is beperkt tot de gewone rechtsmiddelen in strafzaken: hoger beroep en cassatieberoep. Ter afwisseling wordt in dit boek ook gesproken van ‘beroep’, de ‘beroepsrechter’, de ‘strafrechter in beroep’ of de ‘hogere strafrechter’. De overige rechtsmiddelen in strafzaken komen niet of slechts kort aan bod, omdat nauwelijks discussie bestaat over de vraag of in het kader van die rechtsmiddelen een verlofstelsel moet worden ingevoerd.
Voorts is de hoofdvraag beperkt tot het klassieke strafrecht. De punitieve handhaving van bestuursrechtelijke voorschriften blijft dus buiten beschouwing. Gelet op de brede insteek van de plannen uit 1989 en de toenemende vervlechting van bestuurs- en strafrecht,1 is die keuze niet aanstonds vanzelfsprekend, te meer omdat na 1989 ook in andere rechtsgebieden dan het strafrecht over verlofstelsels wordt nagedacht.2 Toch is gekozen voor de klassieke afbakening, deels met het oog op de omvang van het onderzoek, deels gelet op het toepassingsbereik van het verdragsrecht.
Ten derde is de hoofdvraag beperkt tot Nederland. Hoewel in het verleden diverse keren is opgeroepen tot onderzoek naar buitenlandse verlofstelsels,3 zijn inmiddels diverse rechtsvergelijkende publicaties verschenen.4 Actualisering van die kennis lijkt mij minder dringend dan beantwoording van de hiervoor gestelde conceptuele en verdragsrechtelijke vragen.