Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.8.4
2.8.4 Fiscale ‘zuivering’ na de Tweede Wereldoorlog
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469256:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie Niessen 2010, p. 26.
Resolutie van 4 juni 1945, nr. 527 (Slagmolen 1951).
Zie Slagmolen 1951.
Eerder concludeerde ik dat het vrijwillig verbeteren of inkeren als een strafuitsluitende omstandigheid werkte (zie de onderdelen 2.4.2 (SW 1859) en 2.6.2 (Registratiewet 1917)).
Zie Slagmolen 1951.
Resolutie van 27 oktober 1954, nr. 160 (V-N 1954, blz. 663 e.v.). Onderdeel 2 van deze resolutie vermeldt het volgende: “De bedoelde verhogingen hebben dit gemeen, dat zij niet moeten worden beschouwd als een vergoeding voor vermoedelijk door de Staat in het verleden geleden schade, doch als een door de administratie opgelegde straf op het doen van onjuiste aangifte. De thans gegeven richtlijnen moeten dan ook worden gezien tegen de achtergrond van de in wezen strafrechtelijke werking van deze verhogingen en van haar verhouding tot bij rechterlijk vonnis opgelegde straffen.”
Zie Feteris, M.W.C., 1993, p. 44.
Onderdeel 13 van de Resolutie van 27 oktober 1954, no. 160 (V-N 1954, blz. 664) luidt, onder het veelzeggende kopje ‘Niet “thermometeren”’, als volgt: “Bij het vorenstaande heeft mede de gedachte voorgezeten, dat het in het algemeen niet wenselijk is tussen de hiervoor vermelde categorie ë n in nog andere percentages te kiezen. Andere percentages dan 100, 75, 50 of 25 behoren derhalve niet of slechts bij hoge uitzondering voor te komen.”
Paragraaf 8, lid 2 tot en met 6, BBBB (recidive) en paragraaf 8, lid 8, BBBB (ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude).
Zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.4.
Door de bezetting waren de overheidsfinanciën ernstig ontwricht. Ook was de Belastingdienst door de Hongerwinter van 1944-1945 vrijwel volledig lamgelegd. Om het tij te keren werden bijzondere bevoegdheden aan de Belastingdienst toegekend en werd bijvoorbeeld ook de mogelijkheid tot navordering van belasting verruimd.1 Deze periode wordt ook wel de ‘fiscale zuivering’ genoemd.
Al spoedig bleek dat de verhogingen, onder andere vanwege het ‘automatisme’ en de beperkte mogelijkheid tot kwijtschelding daarvan, een probleem vormden voor een voortvarende aanpak van de fiscale zuivering. Daarom werd bij Ministeriële resolutie2 besloten dat in geval van vrijwillige verbetering geen boete werd opgelegd. In plaats daarvan werd in die gevallen de alsnog te betalen belasting verhoogd met 20 procent, welke verhoging het karakter had van een vergoeding van het renteverlies.3 De ‘resterende’ verhoging werd echter nog steeds opgelegd uit hoofde van hetzelfde verhogingsartikel, waaruit ik concludeer dat de wettelijke verhoging zowel een punitief als een rentevergoedingskarakter kon hebben. Naar mijn mening is het fenomeen van de vrijwillige verbetering in dit tijdgewricht dan ook niet te typeren als een zuivere strafverminderende omstandigheid, maar nog steeds als een strafuitsluitingsgrond.4 Immers heeft de ‘resterende’ verhoging, die werd opgelegd nadat vrijwillig is verbeterd, het karakter van vergoeding van renteverlies. Daarmee lijkt het punitieve element, dat óók onderdeel uitmaakt van de gehele wettelijke verhogingsruimte, door de vrijwillige verbetering als het ware volledig uitgeschakeld, zodat alleen nog de rentevergoeding overblijft.
Later werd genoemde resolutie overigens vervangen door een regeling die voorzag in een verhoging van 10 procent. De bedoeling van deze regeling was om degene, die volledig meewerkte aan de fiscale zuivering te ‘belonen’ door de boete achterwege te laten. Daarnaast bleven ook de reguliere boetebepalingen van kracht voor degene die niet volledig openheid van zaken gaf. Wel werd ruimer gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot kwijtschelding, die tijdelijk ook aan inspecteurs werd toegekend.5
De opmars van een ruimer, evenrediger kwijtscheldingsbeleid
De hiervoor genoemde fiscale zuiveringsmaatregelen, maar bijvoorbeeld ook de ‘kan’-formulering in de verhogingsbepalingen in de aangiftebelastingsfeer (zie onderdeel 2.8.2), hebben geleidelijk aan geresulteerd in een meer strafrechtelijke visie op verhogingen en boeten. Deze visie is terug te vinden in het kwijtscheldingsbeleid in een resolutie van 27 oktober 19546 en vormde een belangrijke stap in het proces van individualisering van de straftoemeting bij fiscale bestuurlijke boeten.7
Waar voorheen alleen algehele kwijtschelding op verzoek van belanghebbende achteraf en dan nog slechts in uitzonderlijke gevallen werd verleend, werd nu gedeeltelijke – door de inspecteur bij het nemen van het besluit direct in acht genomen – kwijtschelding mogelijk in een groter aantal gevallen.
De opmaat voor directe, gedeeltelijke kwijtschelding was het eerdere soepeler boeteregime ten aanzien van vrijwillige verbeteringen (zie hiervoor). De resolutie van 27 oktober 1954 ging echter verder. Volgens de staatssecretaris was de maximale verhoging van 100 procent alleen bedoeld in gevallen van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude en recidive. Was daarvan geen sprake dan moest de verhoging met een bepaald percentage worden kwijtgescholden. Een kwijtschelding tot 50 procent was de standaard, maar de verhoging kon ook tot op 75 of 25 procent worden kwijtgescholden. Hoewel de inspecteur slechts bij uitzondering een ander kwijtscheldingspercentage mocht hanteren,8 is deze kwijtscheldingssystematiek een belangrijke ontwikkeling naar het individualiseren van de straf.
Ik merk op dat de omstandigheden ‘ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude’ en ‘recidive’ heden ten dage betiteld worden als strafverzwarend, althans zo worden zij ook nu nog in het huidige BBBB aangeduid.9 Werd de verhoging derhalve op een lager percentage vastgesteld dan 100 procent, dan was de blik meer gericht op de afwezigheid van strafverzwarende omstandigheden en nog niet zozeer op de aanwezigheid van strafverminderende omstandigheden. Dit heeft naar mijn mening gevolgen voor de wijze waarop de inspecteur (of de directeur) de gegeven discretionaire ruimte benutte, maar ook op de verdeling van de bewijslast van te stellen strafverzwarende en verminderende omstandigheden.10