Melai, Wetboek van Strafvordering, aant. 1 bij art. 255.
HR, 11-09-2012, nr. 10/05358
ECLI:NL:HR:2012:BX4490
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-09-2012
- Zaaknummer
10/05358
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BX4490
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX4490, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑09‑2012
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4490
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297
ECLI:NL:HR:2012:BX4490, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑09‑2012; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2010:BX6297, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4490
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑06‑2011
- Wetingang
Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0261
NbSr 2012/321
Conclusie 11‑09‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Nr. 10/05358
Mr. Vegter
Zitting: 5 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 8 oktober 2010 verdachte wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2.
Namens verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt over de verwerping door Hof van het verweer met betrekking tot de geldigheid van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van de Rechtbank van 21 november 2007.
4.
's Hofs bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De geldigheid van de oproeping voor de terechtzitting van de rechtbank van 21 november 2007
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 nietig dient te worden verklaard. De raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
- a)
De inleidende dagvaarding in deze zaak is uitgegaan voor de terechtzitting van 11 mei 2000. Het onderzoek is toen geschorst voor onbepaalde tijd, waarna de verdachte is opgeroepen voor de pro-forma terechtzitting van 8 augustus 2000. Het onderzoek is toen eveneens geschorst voor onbepaalde tijd. Op 31 oktober 2000 heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw aangevangen.
Op de terechtzitting van 31 oktober 2000 hebben de officier van justitie en de verdediging zich uitgelaten over de ontvankelijkheid van het openhaar ministerie. De rechtbank heeft hierop het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor de duur van maximaal 14 dagen teneinde te beslissen over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Bij vonnis van 14 november 2000 heeft de rechtbank het openhaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is hij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2003 vernietigd. Het hof was van oordeel dat het openhaar ministerie wel ontvankelijk was en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had het onderzoek derhalve moeten voortzetten in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 31 oktober 2000, de laatste zitting voordat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaarde. De oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 had derhalve naar deze terechtzitting moeten verwijzen en niet - zoals thans het geval is - naar de terechtzitting van 8 augustus 2000.
- b)
De oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 is niet op de juiste wijze betekend. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 juni 2009 en 16 december 2009 telkens bepaald dat de uitreiking van de dagvaardingen voor die zittingen niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is geschied, nu de dagvaardingen niet ook zijn betekend op een aantal door de verdachte gedurende het strafproces genoemde verblijfadressen. De oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 is destijds slechts "zvw betekend". De verdediging stelt zich op het standpunt dat de oproeping van 21 november 2007 ook had moeten worden betekend op de in voornoemde arresten van het hof vermelde adressen.
De raadsvrouw heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2010 in aanvulling op haar voormelde standpunten - zakelijk weergegeven - nog opgemerkt dat, nu het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007 ontbreekt, niet meer kan worden vastgesteld of er op die terechtzitting een preliminair verweer is gevoerd omtrent de geldigheid van de oproeping, zodat - zo begrijpt het hof - de verdediging niet kan worden tegengeworpen dat het thans gevoerde verweer tardief is. Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2010 heeft zij hieraan toegevoegd dat het op 24 september 2010 door de toenmalige voorzitter van de rechtbank mr. C. Klomp voor kopie conform ondertekende proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007 niet als kenbron van het op die terechtzitting verhandelde mag dienen, omdat - zakelijk weergegeven - niet kan worden uitgesloten dat de inhoud van dit proces-verbaal afwijkt van de inhoud van het originele proces-verbaal.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.
Vooreerst merkt het hof op dat het hof geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 21 november 2007, dat ter terechtzitting van het hof van 24 september 2010 alsnog aan het dossier is toegevoegd, een onjuiste weergave zou bevatten van hetgeen op die terechtzitting van 21 november 2007 is voorgevallen. Het hof acht daartoe doorslaggevend dat het betreffende exemplaar van het proces-verbaal door de toenmalige voorzitter van de rechtbank mr. C. Klomp op 24 september 2010 voor kopie conform is getekend. Mr. Klomp heeft daarnaast aangegeven op welke wijze hij het proces-verbaal op zijn computer heeft aangetroffen en dat de griffier van destijds, wiens schriftelijke aantekeningen van de betreffende terechtzitting zich in het dossier bevinden, buiten staat is om het voor kopie conform getekende exemplaar mede te ondertekenen. Het hof heeft vastgesteld dat het proces- verbaal in overeenstemming is met de zich in het dossier bevindende schriftelijke aantekeningen van de griffier. De raadsvrouw heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die de ondertekening van de kopie als correcte weergave van het origineel twijfelachtig maken. Het hof zal bij de bespreking van bovenvermeld verweer dus mede acht slaan op de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007, zoals zich dat thans in het dossier bevindt.
- a)
Het hof is het met de raadsvrouw eens dat de officier van justitie in zijn oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 naar een andere terechtzitting dan die van 8 augustus 2000 had moeten verwijzen, nu de zitting van 8 augustus 2000 slechts een pro-forma karakter had en de rechtbank nadien ter terechtzitting van 31 oktober 2000 het onderzoek ter terechtzitting opnieuw heeft aangevangen. Naar die zitting had de oproeping derhalve moeten verwijzen.
Anders dan de raadsvrouw meent het hof echter dat, nu niet is gesteld noch op andere wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte door deze omissie van het openbaar ministerie in enig te respecteren belang is geschaad, hieraan geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. Dit klemt temeer nu de ter terechtzitting van 21 november 2007 verschenen gemachtigde raadsman van de verdachte, mr. Veldman, noch op genoemde terechtzitting noch op latere terechtzittingen op dit punt verweer heeft gevoerd. Dat het openbaar ministerie de zaak na de uitspraak van het hof vier jaar heeft laten liggen alvorens deze terug te sturen naar de rechtbank, maakt dit oordeel niet anders.
- b)
Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is na het arrest van dit gerechtshof van 10 februari 2003 op 21 november 2007 hervat. Het onderzoek ter terechtzitting is op 21 november 2007 geschorst tot de terechtzitting van 5 december 2007. Op 5 december 2007 is het onderzoek opnieuw geschorst en aangehouden tot de terechtzitting van 19 december 2007. Op 19 december 2007 is het onderzoek geschorst en voor onbepaalde tijd aangehouden. De rechtbank heeft op 2 juli 2008 de zaak inhoudelijk behandeld. Blijkens de zich in het dossier bevindende processen-verbaal van voornoemde terechtzittingen is de verdachte telkens niet verschenen, maar telkens wel zijn gemachtigde raadsman, mr. Veldman. Het hof constateert dat mr. Veldman op geen van deze terechtzittingen een verweer strekkende tot nietigheid van de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 heeft gevoerd.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 april 2008 (LJN: BC0824) - met verwijzing naar het arrest van 12 maart 2002 (LJN: A05163) - overwogen dat in het geval dat het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en op een nadere terechtzitting door de aldaar aanwezige raadsman geen beroep is gedaan op de nietigheid van de betekening van de oproeping(en) voor de eerdere terechtzitting(en), nietigverklaring van de oproeping achterwege blijft en moet worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aan die regel ligt volgens de Hoge Raad ten grondslag dat het niet aanstonds, dat wil zeggen op de eerstvolgende terechtzitting voeren van een dergelijk nietigheidsverweer onverenigbaar is met de eisen die aan een behoorlijke en doelmatige rechtspleging moeten worden gesteld.
Op grond van het vorenstaande dient te worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting van 21 november 2007. Naar het oordeel van het hof staan de eisen van een behoorlijke en doelmatige rechtspleging eraan in de weg dat de raadsvrouw eerst in hoger beroep alsnog met vrucht een beroep zou kunnen doen op de nietigheid van de oproeping. Het verweer van de raadsvrouw dient reeds hierom te worden verworpen."
5.
Het middel valt blijkens de toelichting uiteen in twee klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd over 's Hofs constatering dat mr. Veldman op geen van de terechtzittingen in eerste aanleg een verweer strekkende tot nietigverklaring van de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 heeft gevoerd. Daartoe wordt aangevoerd dat het op de terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2010 aan het dossier toegevoegde voor kopie conform getekende exemplaar van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 21 november 2007 geen uitsluitsel kan bieden over de vraag of op die terechtzitting door de verdediging al dan niet een beroep op de nietigheid van de oproeping voor die terechtzitting is gedaan. Volgens de steller van het middel heeft de voorzitter van de Rechterbank, mr. C. Klomp, alleen kunnen constateren dat het digitale bestand van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007 betreffende de verdachte in zijn computer overeenkomt met het digitale bestand daarvan in de computer van de griffier. Dat deze digitale bestanden conform het originele ondertekende proces-verbaal zijn, heeft mr. C. Klomp, aldus de steller van het middel, niet kunnen nagaan.
6.
Het Hof heeft diens oordeel dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat het op de terechtzitting van 24 september 2010 aan het dossier toegevoegde kopie-exemplaar van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007 een onjuiste weergave zou bevatten van hetgeen op die terechtzitting is voorgevallen, niet enkel gebaseerd op het feit dat dat exemplaar voor kopie conform origineel is getekend door de voorzitter van de Rechtbank, maar tevens ook op het feit dat dit kopie-exemplaar in overeenstemming is met de zich in het dossier bevindende schriftelijke aantekeningen van de griffier van die zitting. Voorts heeft het Hof overwogen dat door de verdediging geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht, die de ondertekening van de kopie als correcte weergave van het origineel twijfelachtig maken. Daaruit heeft het Hof niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat het kopie-exemplaar van het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 november 2007 een juiste weergave bevat van hetgeen op die terechtzitting is voorgevallen. En daarmee heeft het Hof tevens niet onbegrijpelijk kunnen vaststellen dat er op die terechtzitting door de verdediging geen verweer met betrekking tot de geldigheid van de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 is gevoerd. Ik merk daarbij op dat ook uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke pleitnotities van mr. Veldman voor de terechtzitting van 21 november 2007 niet blijkt dat hij aldaar een verweer met betrekking tot de geldigheid van de oproeping voor die terechtzitting heeft gevoerd. Tevens merk ik op dat noch in hoger beroep noch in cassatie wordt geklaagd over de status van het betreffende - niet ondertekende - kopieproces-verbaal.
7.
Blijkens de toelichting klaagt het middel in de tweede plaats over 's Hofs vaststelling dat niet is gesteld, noch op andere wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte door het in de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 verwijzen naar de terechtzitting van 8 augustus 2000 in plaats van de terechtzitting van 31 oktober 2000 in enig te respecteren belang is geschaad. Volgens de steller van het middel is zulks ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2010 wel gesteld.
8.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2010 heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig haar overgelegde pleitnoties. Deze pleitnotities houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De verdediging is van mening dat dit de oproeping nietig maakt, temeer nu van het OM verwacht had mogen worden dat zij extra zorgvuldigheid zou hebben betracht bij het aan cliënt duidelijk maken van hetgeen hem op de zitting van 21 november 2007 te wachten stond, nu het OM de zaak na de beslissing van het hof tot terugwijzing maar liefst meer dan 4 jaren had laten liggen alvorens deze terug te sturen naar de rechtbank."
9.
Met het Hof vermag ik niet in te zien dat daarmee (in voldoende mate) is gesteld dat de verdachte door de omissie van het Openbaar Ministerie in enig te respecteren belang is geschaad.
10.
Het eerste middel faalt.
11.
Het tweede middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
12.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging wegens schending van artikel 255, eerste lid en derde lid, Sv, in onderling verband en samenhang bezien, daarbij rekening houdende met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
- a)
Ingevolge artikel 255, eerste lid, Sv kan een verdachte na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. De betreffende nieuwe bezwaren - in casu de bekennende verklaring van de verdachte - op grond waarvan de verdachte opnieuw in rechten is betrokken zijn onrechtmatig verkregen en wel hierom:
- -
de internationale signalering van de verdachte had na de kennisgeving van niet verdere vervolging ingetrokken dienen te worden;
- -
ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte was er geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die toepassing van deze dwangmiddelen rechtvaardigden; de in verzekering stelling is misbruikt om nieuwe bezwaren op tafel te krijgen;
- -
de in verzekering stelling is niet onverwijld aan de piketcentrale gemeld; door deze gang van zaken is de verdachte de mogelijkheid van consultatie van een raadsman onthouden tijdens de eerste uren van zijn inverzekeringstelling, in welke periode hij zijn bekennende verklaring heeft afgelegd.
- b)
Ingevolge artikel 255, derde lid, Sv kan de verdachte tegen wie nieuwe bezwaren zijn gerezen niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. In casu is verzuimd een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De nieuwe bezwaren zijn derhalve niet op behoorlijke en door de wet voorgeschreven wijze getoetst. Het enkele feit dat de verdachte zijn bij de politie afgelegde verklaring tegenover de rechter-commissaris heeft bevestigd kon de rechter-commissaris in alle redelijkheid niet ontslaan van de verplichting tot het openen van een GVO voorafgaand aan het dagvaarden van verdachte.
Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren van de raadsvrouw uit van de volgende feiten:
- -
Op 14 maart 1995 vond in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost een schietpartij plaats waarbij [slachtoffer] om het leven kwam.
- -
Op 20 maart 1995 heeft de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek contra N.N. gevorderd.
- -
Uit nader onderzoek door de politie bleek dat als verdachte kon worden aangemerkt [verdachte], geboren [geboortedatum] 1973, geboorteplaats en nationaliteit onbekend.
- -
Op 26 juni 1995 heeft de officier van justitie een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek gedaan, inhoudende de aanwijzing dat [verdachte] als verdachte in eerder genoemd gerechtelijk vooronderzoek moest worden aangemerkt.
- -
Uit nader onderzoek en op grond van ClD-informatie bleek dat [verdachte] waarschijnlijk begin april 1995 naar Suriname was gevlucht.
- -
Op 18 februari 1999 is het gerechtelijk vooronderzoek gesloten. De sluiting is op 1 maart 1999 betekend aan de griffier van de rechtbank omdat van de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats bekend zou zijn.
- -
Op 7 juni 1995 werd verdachte ter fine van opsporing en aanhouding internationaal gesignaleerd.
- -
Op 27 april 1999 is een kennisgeving van niet verdere vervolging - onder vermelding van de grond: verdachte onvindbaar - uitgegaan. Deze kennisgeving van niet verdere vervolging is op 27 april 1999 aan de griffier van de rechtbank betekend omdat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend zou zijn.
- -
In januari 2000 is de verdachte (onder een andere naam) aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.
- -
Op 10 februari 2000 is de verdachte in de onderhavige strafzaak aangehouden, kennelijk op grond van het in 1995 uitgevaardigde internationale signalement.
- -
De verdachte is op 10 februari 2000 te 13:45 uur in verzekering gesteld.
- -
Op 10 februari 2000 te 15:45 uur is de verdachte door de politie gehoord in afwezigheid van een raadsman/raadsvrouw. De verdachte heeft tijdens dit verhoor het feit bekend.
- -
Op 11 februari 2000 is de verdachte voorgeleid aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht en op vordering van de officier van justitie de inbewaringstelling van de verdachte bevolen. De verdachte heeft bij het verhoor door de rechter-commissaris in bijzijn van zijn raadsman verklaard te blijven bij zijn op 10 februari 2000 bij de politie afgelegde bekennende verklaring.
- -
De officier van justitie heeft noch toen noch op een later tijdstip een nieuw gerechtelijk vooronderzoek gevorderd.
- -
De rechter-commissaris heeft na de voorgeleiding van de verdachte op 11 februari 2000 niet ambtshalve een gerechtelijk vooronderzoek geopend.
- -
De verdachte is gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 11 mei 2000.
- -
Het hof gaat ervan uit, gelet op het feit dat uit de processen-verbaal van de eerdere terechtzittingen niet blijkt van enige discussie op dit punt, dat de stukken betrekking hebbend op de kennisgeving van niet verdere vervolging, eerst kort voor de terechtzitting van 31 oktober 2000 aan het dossier zijn toegevoegd.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt dienaangaande als volgt.
- a)
Artikel 255 lid 1 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat een verdachte na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging niet opnieuw in rechten kan worden betrokken terzake van hetzelfde feit, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
De beslissing van de officier van justitie om de verdachte in 1995 niet verder te vervolgen was blijkens de zich in het dossier bevindende kennisgeving van niet verdere vervolging (hierna: de kennisgeving) uitsluitend gegrond op de omstandigheid dat de verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten. Nog afgezien van de vraag of de kennisgeving destijds op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte was betekend en of de verdachte vóór zijn aanhouding van het bestaan van deze kennisgeving op de hoogte was, is het hof van oordeel dat de inhoud van de kennisgeving niet van dien aard was dat de verdachte daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij niet meer zou kunnen worden aangehouden ter zake van het onderhavige feit indien hij - zoals in casu het geval - zich weer in Nederland zou vertonen en de justitiële autoriteiten daarvan op de hoogte zouden geraken.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de officier van justitie na het doen uitgaan van de kennisgeving niet gehouden was de internationale signalering van de verdachte in te trekken. Het hof acht om dezelfde reden de daaropvolgende aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte niet onrechtmatig.
Nu de (voortdurende) internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waarbij de verdachte weer 'in rechten wordt betrokken' is het bepaalde in artikel 255, eerste lid, Sv daarbij niet aan de orde.
Nadat de verdachte bij zijn in verzekering stelling op 10 februari 2000 om 13.45 uur had verklaard niets met de onderhavige zaak te maken te hebben, legde hij enkele uren later hij zijn verhoor door de politie van 15.45 uur spontaan een bekentenis af. Daarmee zijn nieuwe bezwaren tegen de verdachte gerezen, op grond waarvan hij opnieuw in rechten kon worden betrokken middels een voorgeleiding hij de rechter-commissaris op 11 februari 2000. De verdachte is toen bij zijn eerder afgelegde bekennende verklaring gebleven.
Aan de omstandigheid dat de inverzekeringstelling van de verdachte niet op tijd zou zijn gemeld bij de piketcentrale, waardoor de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie geen gebruik heeft kunnen maken van zijn consultatierecht, hoeven naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolgen te worden verbonden, nu de verdachte in een later verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard te blijven hij zijn eerder afgelegde bekennende verklaring. Het hof merkt op dat de verdachte tijdens dat verhoor werd bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsvrouw. Het hof verwijst in dit verband voorts naar hetgeen onder het kopje 'bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer' wordt overwogen.
Nu de 'nieuwe bezwaren' als bedoeld in artikel 255, eerste lid, Sv niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen dient dit onderdeel van het verweer van de raadsvrouw te worden verworpen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat van schending van artikel 255, eerste lid, Sv in het onderhavige geval geen sprake geweest. Het desbetreffende verweer wordt derhalve verworpen.
- b)
Art 255 lid 3 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat een verdachte, ingeval hij wederom in rechten wordt betrokken na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, niet ter terechtzitting van de rechtbank kan worden gedagvaard dan na een gerechtelijk vooronderzoek dat betrekking heeft op de nieuwe bezwaren.
Het artikel strekt tot waarborg, aldus vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat de verdachte niet lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Uiteindelijk is het aan de rechter die over de strafzaak oordeelt of van nieuwe bezwaren in de zin van art 255 Sv is gebleken. Bij de beoordeling daarvan zullen de resultaten van het voorgeschreven gerechtelijk vooronderzoek betrokken dienen te worden.
In de onderhavige zaak heeft het Hof op 11 februari 2003 onder meer overwogen dat weliswaar geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, maar dat de rechter-commissaris die de inbewaringstelling van verdachte heeft bevolen, op de hoogte is geweest van het tevoren gesloten gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte. Nu een inbewaringstelling slechts kan worden bevolen indien sprake is van ernstige bezwaren, kan niet gezegd worden, aldus bedoelde overweging, dat aan de strekking van het bepaalde in art 255 lid 3 Sv geen recht is gedaan, te minder nu het nieuwe bezwaar een door de verdachte op 10 februari 2000 bij de politie afgelegde verklaring betreft, die door hem op 11 februari 2000 bij de rechter-commissaris is gehandhaafd.
Onder handhaving van en in aanvulling op bet bovenstaande wordt - ten overvloede - nog het volgende overwogen.
Ook indien het ervoor gehouden zou moeten worden - quod non -, dat geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld en dat tevens niet aan de strekking van art 255 lid 3 Sv is voldaan, dan kan weliswaar worden vastgesteld dat het naleven van een wettelijk voorgeschreven vorm is verzuimd, maar dan doet zich vervolgens de vraag voor welke gevolgen aan dit verzuim dienen te worden verbonden.
Alsdan moet onder ogen gezien worden dat het nieuwe bezwaar in de zin van art 255 Sv in casu een bekennende verklaring van de verdachte betrof, die onder meer een grote mate van daderwetenschap behelsde. In deze omstandigheden is het niet denkbaar dat een destijds ingesteld gerechtelijk vooronderzoek tot zodanige resultaten zou hebben geleid dat de zittingsrechter, later oordelend, het ervoor zou hebben moeten houden dat van nieuwe bezwaren geen sprak zou zijn geweest. Daarvoor laat de inhoud van het nieuwe bezwaar geen ruimte.
Een en ander betekent dat, ook volgens deze overweging ten overvloede, de door de raadsvrouw bepleite sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde is en dat de vaststelling van het verzuim, conform art 359a Sv, zonder gevolgen kan blijven.
Redelijke termijn.
Het Hof stelt vast dat de strafzaak niet is afgedaan binnen een redelijke termijn. De aard en de achtergronden van deze overschrijding zijn niet van dien aard dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Met de overschrijding van de redelijke termijn zal rekening worden gehouden bij de bepaling van de straf, zoals hierna wordt overwogen."
13.
Art. 255 (oud) Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
"1.
Behoudens het bepaalde bij artikel 246, tweede lid, kan de verdachte na zijne buitenvervolgingstelling, na de hem beteekende kennisgeving van niet verdere vervolging of na de hem beteekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weder in rechten worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.
2.
Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
3.
In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.
(...)"
14.
Op grond van art. 255, eerste lid, Sv kan een verdachte na een hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechte worden betrokken, dan nadat nieuwe feiten bekend zijn geworden. Onder het 'in rechte betrekken' moet worden verstaan: een rechter in de zaak betrekken in welk stadium van het onderzoek dan ook na het bekend worden van de nieuwe bezwaren.1. Dit brengt met zich dat na de betekening van een kennisgeving van niet verdere vervolging er ten aanzien van de verdachte geen vervolgingshandelingen meer kunnen worden verricht en alle vervolgingshandelingen die al zijn aangevangen onverwijld een einde dienen te nemen.2. Over het algemeen wordt aangenomen dat het feit dat de verdachte na een kennisgeving van niet verdere vervolging niet weer in rechten kan worden betrokken niet wil zeggen dat er geen opsporingshandelingen te zijnen aanzien (meer) mogen worden verricht.3. Verklaringen van ene verdachte kunnen op grond van art. 255, tweede lid, Sv gelden als nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255, eerste lid, Sv.
15.
Het Hof heeft in zijn hiervoor onder 12 weergegeven overwegingen vastgesteld dat de (voortdurende) internationale signalering, de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waarbij de verdachte weer 'in rechte wordt berokken', zodat het bepaalde in art. 255, eerste lid, Sv daarbij niet aan de orde is. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat de naar aanleiding van de internationale signalering gevolgde aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig waren, faalt het dan ook.
16.
Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte na zijn inverzekeringstelling spontaan een bekentenis heeft afgelegd en overwogen dat daarmee nieuwe bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen op grond waarvan hij in rechte kon worden betrokken middels een voorgeleiding aan de rechter-commissaris. Ook dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat op grond van art. 255, tweede lid, Sv een verklaring van een verdachte als nieuw bezwaar kan worden aangemerkt.
17.
Het vorenoverwogene, in samenhang met de vaststelling van het Hof dat de rechter-commissaris de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig heeft geacht, brengt met zich dat de bekennende verklaring van de verdachte op rechtmatige wijze is verkregen. Voor zover het middel klaagt dat op het moment dat de verdachte opnieuw in rechte werd betrokken de 'nieuwe bezwaren' slechts bestonden uit een onrechtmatig verkregen bekennende verklaring en om die reden niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de vordering inbewaringstelling, faalt het derhalve eveneens.
18.
In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd over de verwerping door het Hof van het verweer met betrekking tot de schending van art. 255, derde lid, Sv.
19.
Het derde lid van art. 255 Sv bepaalt dat een verdachte na het bekend worden van nieuwe bezwaren als bedoeld in het eerste lid van dat artikel niet opnieuw wordt gedagvaard dan na een ter zake van die nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. Het derde lid strekt tot waarborg dat de verdachte, van wiens verdere vervolging was afgezien, niet lichtvaardig op grond van nieuwe bezwaren alsnog ter terechtzitting wordt gedagvaard.4. Schending van art. 255, derde lid, Sv wordt door de wet niet met nietigheid bedreigd.
20.
Het Hof heeft vastgesteld dat na het bekend worden van de nieuwe bezwaren noch door de Officier van Justitie een gerechtelijk vooronderzoek is gevorderd, noch door de Rechter-commissaris ambtshalve een gerechtelijk vooronderzoek is geopend. De steller van het middel heeft dan ook een punt daar waar hij stelt dat art. 255, derde lid, Sv is geschonden. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat dit vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zonder gevolgen kan blijven. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de Rechter-commissaris die de inbewaringstelling van de verdachte heeft bevolen op de hoogte is geweest van het tevoren gesloten gerechtelijk vooronderzoek, alsmede dat een Rechter-commissaris slechts tot het bevelen van een inbewaringstelling kan overgaan indien er sprake is van ernstige bezwaren tegen een verdachte. Aldus kan, volgens het Hof, niet gezegd worden dat aan de strekking van het bepaalde in art. 255, derde lid, Sv geen recht is gedaan. Het Hof betrekt daarbij tevens dat het nieuwe bezwaar bestaat uit een door de verdachte tegenover de politie afgelegde bekennende verklaring, die door hem tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris is gehandhaafd.
21.
Nu schending van art. 255, derde lid, Sv niet door de wet met nietigheid is bedreigd, getuigt 's Hofs oordeel dat de schending van art. 255, derde lid, Sv in casu zonder gevolgen kan blijven, gelet op het bepaald in art. 359a Sv, niet van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs oordeel is mijns inziens voorts niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft vastgesteld dat de grond voor de kennisgeving van niet verdere vervolging de onvindbaarheid van de verdachte was, en dus bijvoorbeeld niet een gebrek aan bewijs tegen de verdachte. Vervolgens wordt de verdachte, naar aanleiding van een internationale signalering, aangehouden en inverzekering gesteld, waarna hij spontaan een bekennende verklaring afgelegd, die door hem bij zijn verhoor door de Rechter-commissaris is gehandhaafd. De Rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling rechtmatig geoordeeld en, onder kennisneming van het tevoren gesloten gerechtelijke vooronderzoek en de (herhaalde) bekennende verklaring van de verdachte, geoordeeld dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestonden en diens inbewaringstelling bevolen. Daarmee kan inderdaad niet gezegd worden dat, alhoewel geen (nieuw) gerechtelijk vooronderzoek is geopend, op grond van nieuwe bezwaren lichtvaardig tot de dagvaarding van de verdachte is overgegaan.
Ik merk daarbij op dat met de op hand zijnde inwerkingtreding van de Wet versterking positie rechter-commissaris5. de figuur van het gerechtelijk vooronderzoek komt te vervallen. De tussenkomst van de Rechter-commissaris krijgt in het vervolg de vorm van een machtiging. In het kader van het verlenen van die machtiging verifieert de Rechter-commissaris of er sprake is van nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255, tweede lid, Sv.6. Hieruit valt af te leiden dat niet zozeer het gerechtelijk vooronderzoek zelf, maar de tussenkomst van een rechter-commissaris en diens toetsing van belang wordt geacht. In casu is er sprake geweest van een dergelijke tussenkomst.
22.
's Hofs juiste en niet onbegrijpelijke overwegingen dat de signalering, aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte niet onrechtmatig zijn, alsmede dat de daaruit voortvloeiende bekennende verklaring van de verdachte niet onrechtmatig is verkregen, en voorts dat de schending van art. 255, derde lid, Sv in casu zonder gevolgen kan blijven, nu niet gezegd kan worden dat aan de strekking van dit artikellid geen recht is gedaan, kunnen 's Hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie zelfstandig dragen, zodat hetgeen het Hof daartoe overigens nog heeft overwogen geen bespreking behoeft.
23.
Het tweede middel faalt.
24.
De middelen falen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑09‑2012
Melai, Wetboek van Strafvordering, aant. 1 bij art. 255.
Melai, Wetboek van Strafvordering, aant. 2 bij art. 255. Zie tevens de (civiele) uitspraak van het Hof Leeuwarden van 20 januari 1999, NJ 2000/45 en de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 4 juni 2002, LJN AE3543, NJ 2002/430.
Blok & Besier, Het Nederlandsche Strafproces, Deel I, p. 614, HR 4 juni 2002, LJN AE3543, NJ 2002/430.
Wet van 1 december 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten tot versterking van de positie van de rechter-commissaris (Stb. 2011, 600).
Uitspraak 11‑09‑2012
Inhoudsindicatie
Verwerping verweer n-o OM wegens schending art. 255.1 en 3 Sv. Het oordeel van het Hof dat de OvJ niet gehouden was om na het doen uitgaan van de kvnvv in 1999, welke kennisgeving was gegrond op de omstandigheid dat verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten, de in 1995 gedane internationale signalering van verdachte in te trekken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. ’s Hofs oordeel dat de internationale signalering, de aanhouding en de ivs van verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waardoor verdachte weer “in rechten wordt betrokken” a.b.i. art. 255.1 Sv geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde bepaling. Voorts geeft het oordeel van het Hof dat en waarom verdachte niet lichtvaardig alsnog ttz. is gedagvaard, zodat aan de strekking van art. 255.3 Sv niet is tekortgedaan, en het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.
Partij(en)
11 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/05358
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 oktober 2010, nummer 23/003904-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2.
De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging wegens schending van art. 255, eerste en derde lid, Sv, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
2.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 14 maart 1995 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, toen en daar opzettelijk [slachtoffer] een kogel in het hoofd en in de borst geschoten."
2.3.
Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging wegens schending van artikel 255, eerste lid en derde lid, Sv, in onderling verband en samenhang bezien, daarbij rekening houdende met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
- a)
Ingevolge artikel 255, eerste lid, Sv kan een verdachte na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. De betreffende nieuwe bezwaren - in casu de bekennende verklaring van de verdachte - op grond waarvan de verdachte opnieuw in rechten is betrokken zijn onrechtmatig verkregen en wel hierom:
- -
de internationale signalering van de verdachte had na de kennisgeving van niet verdere vervolging ingetrokken dienen te worden;
- -
ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte was er geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die toepassing van deze dwangmiddelen rechtvaardigden; de in verzekering stelling is misbruikt om nieuwe bezwaren op tafel te krijgen;
- -
de inverzekeringstelling is niet onverwijld aan de piketcentrale gemeld; door deze gang van zaken is de verdachte de mogelijkheid van consultatie van een raadsman onthouden tijdens de eerste uren van zijn inverzekeringstelling, in welke periode hij zijn bekennende verklaring heeft afgelegd.
- b)
Ingevolge artikel 255, derde lid, Sv kan de verdachte tegen wie nieuwe bezwaren zijn gerezen niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. In casu is verzuimd een gerechtelijk vooronderzoek in te stellen. De nieuwe bezwaren zijn derhalve niet op behoorlijke en door de wet voorgeschreven wijze getoetst. Het enkele feit dat de verdachte zijn bij de politie afgelegde verklaring tegenover de rechter-commissaris heeft bevestigd kon de rechter-commissaris in alle redelijkheid niet ontslaan van de verplichting tot het openen van een GVO voorafgaand aan het dagvaarden van verdachte.
Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren van de raadsvrouw uit van de volgende feiten:
- -
Op 14 maart 1995 vond in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Amsterdam Zuidoost een schietpartij plaats waarbij [slachtoffer] om het leven kwam.
- -
Op 20 maart 1995 heeft de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek contra N.N. gevorderd.
- -
Uit nader onderzoek door de politie bleek dat als verdachte kon worden aangemerkt [verdachte], geboren [geboortedatum] 1973, geboorteplaats en nationaliteit onbekend.
- -
Op 26 juni 1995 heeft de officier van justitie een nadere vordering gerechtelijk vooronderzoek gedaan, inhoudende de aanwijzing dat [verdachte] als verdachte in eerder genoemd gerechtelijk vooronderzoek moest worden aangemerkt.
- -
Uit nader onderzoek en op grond van CID-informatie bleek dat [verdachte] waarschijnlijk begin april 1995 naar Suriname was gevlucht.
- -
Op 18 februari 1999 is het gerechtelijk vooronderzoek gesloten. De sluiting is op 1 maart 1999 betekend aan de griffier van de rechtbank omdat van de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats bekend zou zijn.
- -
Op 7 juni 1995 werd verdachte ter fine van opsporing en aanhouding internationaal gesignaleerd.
- -
Op 27 april 1999 is een kennisgeving van niet verdere vervolging - onder vermelding van de grond: verdachte onvindbaar - uitgegaan. Deze kennisgeving van niet verdere vervolging is op 27 april 1999 aan de griffier van de rechtbank betekend omdat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats bekend zou zijn.
- -
In januari 2000 is de verdachte (onder een andere naam) aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.
- -
Op 10 februari 2000 is de verdachte in de onderhavige strafzaak aangehouden, kennelijk op grond van het in 1995 uitgevaardigde internationale signalement.
- -
De verdachte is op 10 februari 2000 te 13:45 uur in verzekering gesteld.
- -
Op 10 februari 2000 te 15:45 uur is de verdachte door de politie gehoord in afwezigheid van een raadsman/raadsvrouw. De verdachte heeft tijdens dit verhoor het feit bekend.
- -
Op 11 februari 2000 is de verdachte voorgeleid aan de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geacht en op vordering van de officier van justitie de inbewaringstelling van de verdachte bevolen. De verdachte heeft bij het verhoor door de rechter-commissaris in bijzijn van zijn raadsman verklaard te blijven bij zijn op 10 februari 2000 bij de politie afgelegde bekennende verklaring.
- -
De officier van justitie heeft noch toen noch op een later tijdstip een nieuw gerechtelijk vooronderzoek gevorderd.
- -
De rechter-commissaris heeft na de voorgeleiding van de verdachte op 11 februari 2000 niet ambtshalve een gerechtelijk vooronderzoek geopend.
- -
De verdachte is gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 11 mei 2000.
- -
Het hof gaat ervan uit, gelet op het feit dat uit de processen-verbaal van de eerdere terechtzittingen niet blijkt van enige discussie op dit punt, dat de stukken betrekking hebbend op de kennisgeving van niet verdere vervolging, eerst kort voor de terechtzitting van 31 oktober 2000 aan het dossier zijn toegevoegd.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw en overweegt dienaangaande als volgt.
- a)
Artikel 255 lid 1 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat een verdachte na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging niet opnieuw in rechten kan worden betrokken terzake van hetzelfde feit, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
De beslissing van de officier van justitie om de verdachte in 1995 niet verder te vervolgen was blijkens de zich in het dossier bevindende kennisgeving van niet verdere vervolging (hierna: de kennisgeving) uitsluitend gegrond op de omstandigheid dat de verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten. Nog afgezien van de vraag of de kennisgeving destijds op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte was betekend en of de verdachte vóór zijn aanhouding van het bestaan van deze kennisgeving op de hoogte was, is het hof van oordeel dat de inhoud van de kennisgeving niet van dien aard was dat de verdachte daaraan het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij niet meer zou kunnen worden aangehouden ter zake van het onderhavige feit indien hij - zoals in casu het geval - zich weer in Nederland zou vertonen en de justitiële autoriteiten daarvan op de hoogte zouden geraken.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de officier van justitie na het doen uitgaan van de kennisgeving niet gehouden was de internationale signalering van de verdachte in te trekken. Het hof acht om dezelfde reden de daaropvolgende aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte niet onrechtmatig.
Nu de (voortdurende) internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waarbij de verdachte weer 'in rechten wordt betrokken' is het bepaalde in artikel 255, eerste lid, Sv daarbij niet aan de orde.
Nadat de verdachte bij zijn inverzekeringstelling op 10 februari 2000 om 13.45 uur had verklaard niets met de onderhavige zaak te maken te hebben, legde hij enkele uren later bij zijn verhoor door de politie van 15.45 uur spontaan een bekentenis af. Daarmee zijn nieuwe bezwaren tegen de verdachte gerezen, op grond waarvan hij opnieuw in rechten kon worden betrokken middels een voorgeleiding bij de rechter-commissaris op 11 februari 2000. De verdachte is toen bij zijn eerder afgelegde bekennende verklaring gebleven.
Aan de omstandigheid dat de inverzekeringstelling van de verdachte niet op tijd zou zijn gemeld bij de piketcentrale, waardoor de verdachte voorafgaande aan zijn verhoor bij de politie geen gebruik heeft kunnen maken van zijn consultatierecht, hoeven naar het oordeel van het hof geen rechtsgevolgen te worden verbonden, nu de verdachte in een later verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard te blijven bij zijn eerder afgelegde bekennende verklaring. Het hof merkt op dat de verdachte tijdens dat verhoor werd bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsvrouw. (...)
Nu de 'nieuwe bezwaren' als bedoeld in artikel 255, eerste lid, Sv niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen dient dit onderdeel van het verweer van de raadsvrouw te worden verworpen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat van schending van artikel 255, eerste lid, Sv in het onderhavige geval geen sprake geweest. Het desbetreffende verweer wordt derhalve verworpen.
- b)
Art 255 lid 3 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat een verdachte, ingeval hij wederom in rechten wordt betrokken na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, niet ter terechtzitting van de rechtbank kan worden gedagvaard dan na een gerechtelijk vooronderzoek dat betrekking heeft op de nieuwe bezwaren.
Het artikel strekt tot waarborg, aldus vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat de verdachte niet lichtvaardig alsnog wordt gedagvaard. Uiteindelijk is het aan de rechter die over de strafzaak oordeelt of van nieuwe bezwaren in de zin van art 255 Sv is gebleken. Bij de beoordeling daarvan zullen de resultaten van het voorgeschreven gerechtelijk vooronderzoek betrokken dienen te worden.
In de onderhavige zaak heeft het Hof op 11 februari 2003 onder meer overwogen dat weliswaar geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, maar dat de rechter-commissaris die de inbewaringstelling van verdachte heeft bevolen, op de hoogte is geweest van het tevoren gesloten gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte. Nu een inbewaringstelling slechts kan worden bevolen indien sprake is van ernstige bezwaren, kan niet gezegd worden, aldus bedoelde overweging, dat aan de strekking van het bepaalde in art 255 lid 3 Sv geen recht is gedaan, te minder nu het nieuwe bezwaar een door de verdachte op 10 februari 2000 bij de politie afgelegde verklaring betreft, die door hem op 11 februari 2000 bij de rechter-commissaris is gehandhaafd.
Onder handhaving van en in aanvulling op het bovenstaande wordt - ten overvloede - nog het volgende overwogen.
Ook indien het ervoor gehouden zou moeten worden - quod non -, dat geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld en dat tevens niet aan de strekking van art 255 lid 3 Sv is voldaan, dan kan weliswaar worden vastgesteld dat het naleven van een wettelijk voorgeschreven vorm is verzuimd, maar dan doet zich vervolgens de vraag voor welke gevolgen aan dit verzuim dienen te worden verbonden.
Alsdan moet onder ogen gezien worden dat het nieuwe bezwaar in de zin van art 255 Sv in casu een bekennende verklaring van de verdachte betrof, die onder meer een grote mate van daderwetenschap behelsde. In deze omstandigheden is het niet denkbaar dat een destijds ingesteld gerechtelijk vooronderzoek tot zodanige resultaten zou hebben geleid dat de zittingsrechter, later oordelend, het ervoor zou hebben moeten houden dat van nieuwe bezwaren geen sprake zou zijn geweest. Daarvoor laat de inhoud van het nieuwe bezwaar geen ruimte.
Een en ander betekent dat, ook volgens deze overweging ten overvloede, de door de raadsvrouw bepleite sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde is en dat de vaststelling van het verzuim, conform art 359a Sv, zonder gevolgen kan blijven."
2.4.
Art. 255 (oud) Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:
"1.
Behoudens het bepaalde bij artikel 246, tweede lid, kan de verdachte na zijne buitenvervolgingstelling, na de hem beteekende kennisgeving van niet verdere vervolging of na de hem beteekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weder in rechten worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.
2.
Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
3.
In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek."
2.5.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Officier van Justitie niet gehouden was om na het doen uitgaan van de kennisgeving van niet verdere vervolging in 1999, welke was gegrond op de omstandigheid dat de verdachte onvindbaar was voor de justitiële autoriteiten, de in 1995 gedane internationale signalering van de verdachte in te trekken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de klacht faalt.
2.6.
Voorts klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de internationale signalering, de aanhouding en de inverzekeringstelling van de verdachte louter opsporingshandelingen betreffen en derhalve geen handelingen zijn waardoor de verdachte weer 'in rechten wordt betrokken', zodat art. 255, eerste lid, Sv niet aan de orde is. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde bepaling. De klacht, die op een andere opvatting berust, kan dus niet tot cassatie leiden.
2.7.
Het middel klaagt tot slot over 's Hofs oordeel inzake de niet-naleving van art. 255, derde lid, Sv, inhoudende dat de verdachte niet ter terechtzitting kan worden gedagvaard dan na een ter zake van de nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek. 's Hofs oordeel dat en waarom de verdachte niet lichtvaardig alsnog ter terechtzitting is gedagvaard, zodat aan de strekking van genoemd voorschrift niet is tekortgedaan, en dat het geconstateerde verzuim daarom zonder gevolgen kan blijven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 september 2012.
Beroepschrift 14‑06‑2011
Hoge Raad der Nederlanden
Cassatieschriftuur mr. C.M. Peeperkorn
in de zaak van:
[verzoeker], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1973, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, verzoeker tot cassatie van het te zijnen laste door het gerechtshof te Amsterdam op 8 oktober 2010 onder parketnummer 23-003904-08 gewezen arrest.
Middel I
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder is geschonden artikel 359 lid 2, eerste volzin, Sv, nu het gerechtshof het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de geldigheid van de oproeping voor de terechtzitting van de rechtbank van 21 november 2007 heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
Bij preliminair verweer heeft de verdediging ter zitting van 27 augustus 2010, blijkens de ter zitting overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, het volgende aangevoerd (letterlijke weergave):
Preliminair verweer — inleidende oproeping 2e fase behandeling rechtbank
De tweede fase van de behandeling door de rechtbank (na vernietiging van het eerste vonnis en terugwijzing door uw hof) is aangevangen met een regiezitting op 21 november 2007. Cliënt is tegen die zitting opgeroepen. In die oproeping staat vermeld dat cliënt wordt opgeroepen‘teneinde tegenwoordig te zijn bij de nadere behandeling van de tegen [hem] aanhangige strafzaak waarin ter terechtzitting d.d. 08 augustus 2000 het onderzoek werd geschorst.’
De verdediging is van mening dat deze oproeping om twee redenen nietig is:
Inhoudelijk
De inhoud van de oproeping is feitelijk onjuist, nu deze had moeten vermelden dat het betrof de strafzaak waarin ter terechtzitting van 31 oktober 2000 het onderzoek werd geschorst. Na de zitting van 8 augustus 2000 had immers nog een andere zitting plaatsgehad, waar het onderzoek opnieuw was aangevangen en een begin was gemaakt met de inhoudelijke behandeling.
Procesverloop:
De inleidende dagvaarding in deze zaak is uitgegaan voor de zitting van 11 mei 2000. Het onderzoek is toen geschorst voor onbepaalde tijd, waarna cliënt is opgeroepen tegen de zitting van 8 augustus 2000. Dit betrof een pro formo-zitting. Het onderzoek is toen opnieuw geschorst voor onbepaalde tijd.
Op 31 oktober 2000 heeft de rechtbank het geschorste onderzoek opnieuw aangevangen. Nadat de zaak was voorgedragen hebben partijen zich op die zitting, door de voorzitter daartoe uitgenodigd, uitgelaten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek geschorst voor de duur van maximaal 14 dagen teneinde te beslissen over de ontvankelijkheid van het OM. Bij vonnis van 14 november 2000 heeft de rechtbank het OM vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Deze uitspraak is door uw hof vernietigd op 10 februari 2003. Het OM werd toen ontvankelijk verklaard en de zaak werd teruggewezen naar de rechtbank. De rechtbank moest derhalve het onderzoek voortzetten in de stand waarin het gestaakt was voordat de rechtbank het OM niet-ontvankelijk verklaarde. De laatste zitting die aan die beslissing was voorafgegaan was de zitting van 31 oktober 2000. Daar had de oproeping voor de zitting van 21 november 2007 derhalve naar moeten verwijzen en niet — zoals het geval is — naar de zitting van 8 augustus 2000.
De verdediging is van mening dat dit de oproeping nietig maakt, temeer nu van het OM verwacht had mogen worden dat zij extra zorgvuldigheid zou hebben betracht bij het aan cliënt duidelijk maken van hetgeen hem op de zitting van 21 november 2007 te wachten stond, nu het OM de zaak na de beslissing van het hof tot terugwijzing maar liefst meer dan 4 jaren had laten liggen alvorens deze terug te sturen naar de rechtbank.
Het eerste standpunt is dan ook dat de inleidende oproeping van de tweede fase van de behandeling in eerste aanleg inhoudelijk nietig is.
Betekening
Op de tweede plaats stelt de verdediging zich op het standpunt dat meergenoemde oproeping niet op geldige wijze is uitgereikt.
Uw hof oordeelde bij arrest van 16 december jl. en bij arrest van 16 juni jl. dat de dagvaarding voor die zittingen niet op de bij het WvSv voorgeschreven wijze waren uitgereikt, nu deze niet waren betekend op een aantal in die uitspraken genoemde adressen die ook voorkomen in het dossier als mogelijke woon- of verblijfplaats van cliënt. Als dat anno 2009/2010 voor de dagvaardingen/oproepingen in deze zaak geldt, gold dat in 2007 evenzeer, zo niet des te meer.
De oproeping voor de zitting van 21 november 2007 is destijds echter slechts ‘zvw betekend’. De verdediging is van mening dat deze oproeping ook op de door uw hof in uw arresten van 16 december 2009 en 16 juni 2010 had moeten worden betekend en ten minste op het adres [a-straat] [1] te [a-plaats]. Dit adres heeft cliënt immers zowel bij gelegenheid van de behandeling van de vordering inbewaringstelling bij de rechter-commissaris als bij de behandeling in raadkamer van de vordering gevangenhouding opgegeven. Met name uit het proces-verbaal van die raadkamer blijkt dat dat adres een woonadres betreft. Dit adres is niet door latere opgave achterhaald; ook niet door de brief die [verzoeker] heeft geschreven vanuit Suriname en die op 25 oktober 2002 bij het ressortsparket is binnengekomen. Uit die brief blijkt immers niet meer dan dat hij op dat moment in Suriname is en daar (nog) zal zijn ten tijde van de zitting van 11 november 2002.
Of zijn verblijf in Suriname permanent is dan wel tijdelijk en of het adres [a-straat] [1] te [a-plaats] als feitelijke woon- of verblijfplaats achterhaald is, blijkt hier niet uit. Dit adres zou (destijds) dan ook redelijkerwijs nog als feitelijke woon- of verblijfplaats van cliënt (hebben) kunnen gelden.
Nu cliënt destijds niet was ingeschreven in de GBA leidt ook deze gang van zaken tot nietigheid van de oproeping.
Aanvullende opmerkingen ten aanzien van beide standpunten:
Naar ik heb begrepen is het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 niet meer beschikbaar.
Dit heeft tot gevolg dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld of ter zitting van 21 november 2007 door de verdediging al dan niet (preliminair) verweer is gevoerd ten aanzien van de geldigheid van de oproeping. Wel staat vast dat het hoger beroep dat namens cliënt is ingesteld blijkens de akte uitdrukkelijk ook is gericht tegen alle ter terechtzitting genomen tussenbeslissingen. Heel wel is mogelijk dat daaronder de beslissing ten aanzien van de geldigheid van de oproeping voor de zitting van 21 november 2007 is begrepen.
Nu niet is uit te sluiten dat ten aanzien van de geldigheid van meergenoemde oproeping in eerste aanleg (tijdig) verweer is gevoerd, meent de verdediging dat dit vandaag (nog) aan de orde kan worden gesteld.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de zitting van 21 november 2007 in drieërlei opzicht voor de verdediging een belangrijke zitting was:
Op de eerste plaats luidde deze zitting na jaren van inactiviteit de tweede fase van de behandeling in eerste aanleg in, waar de zaak alsnog verder inhoudelijk zou worden behandeld en in dat opzicht was deze oproeping te vergelijken met een inleidende dagvaarding;
Ten tweede betrof het niet slechts een pro forma-zitting, maar een regiezitting van een zaak met een zeer ernstige verdenking (moord in vereniging), waar onder meer — zo blijkt uit de eerste pagina van het proces-verbaal van de zitting van 19 december 2007 — belangrijke informatie naar voren is gebracht en/of standpunten zijn uitgewisseld over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, mede op grond waarvan de rechtbank ter zitting van 19 december 2007 op dat punt heeft beslist;
Ten derde is het vonnis van de rechtbank van 16 juli 2008 mede gewezen naar aanleiding van hetgeen zich op die zitting heeft afgespeeld.
Immers, het vonnis d.d. 16 juli 2008, waarvan beroep, is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 juli 2008. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2008 heeft de rechtbank bij die gelegenheid het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 21 november 2007. Dit is opmerkelijk, aangezien na die zitting nog zittingen hadden plaatsgevonden op 5 en 19 december 2007, op welke zittingen het onderzoek steeds was hervat in de stand waarin het zich de vorige zitting bevond. Naar de verdediging aanneemt is in het p-v van 2 juli 2008 dan ook sprake van een kennelijke verschrijving. Hoe het ook zij: gelet op het feit dat het onderzoek steeds is hervat in de stand waarin het zich de vorige zitting bevond is het vonnis van de rechtbank gewezen naar aanleiding van het verhandelde op de terechtzitting van 21 november 2007.
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep van 27 augustus 2010 aan dit verweer de conclusie verbonden dat niet gezegd kan worden dat cliënt vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht bij de eerste en voor de verdediging belangrijke zitting van de tweede fase van de behandeling in eerste aanleg, te weten de behandeling in eerste aanleg na terugwijzing. Om die reden heeft de verdediging het hof verzocht de oproeping voor die eerste zitting, te weten de zitting van 21 november 2007, nietig te verklaren.
Op de volgende zitting in hoger beroep, te weten de zitting van 24 september 2010, heeft het hof aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007, dat op 24 september 2010 door de toenmalige voorzitter van de rechtbank mr. C. Klomp voor kopie conform was ondertekend. Uit dit proces-verbaal bleek niet dat de verdediging in eerste aanleg verweer had gevoerd ten aanzien van de geldigheid van de oproeping van verzoeker voor die zitting van 21 november 2007.
De verdediging heeft zich toen (zoals weergegeven in het verkort arrest) op het standpunt gesteld dat dit voor kopie conform ondertekende proces-verbaal niet als kenbron van het op de terechtzitting van 21 november 2007 verhandelde mag dienen, omdat — zakelijk weergegeven — niet kan worden uitgesloten dat de inhoud van dat proces-verbaal afwijkt van de inhoud van het originele proces-verbaal.
Het hof heeft vervolgens het verweer met betrekking tot de oproeping voor de zitting van 21 november 2007 verworpen, zoals weergegeven op pp. 2–4 van het verkort arrest.
Op de eerste plaats is verzoeker van mening dat het hof de verdediging ten onrechte heeft tegengeworpen dat sprake is van een tardief verweer, nu het op 24 september 2010 achterhaalde proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 geen uitsluitsel kan bieden over de vraag of op laatstgenoemde zitting door de verdediging al dan niet een beroep is gedaan op de nietigheid van de oproeping voor die zitting.
Het hof heeft doorslaggevend geacht dat het desbetreffende exemplaar van het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 door de toenmalige voorzitter van de rechtbank mr. C. Klomp op 24 september 2010 voor kopie conform is getekend. Verzoeker meent echter dat de wijze waarop dit is geschied, onvoldoende waarborg bevat en niet garandeert dat de inhoud van het op 24 september 2010 ondertekende proces-verbaal identiek is aan het originele proces-verbaal.
Immers, zoals volgt uit hetgeen is weergegeven op pp. 4 en 5 van het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2010 en 24 september 2010, heeft mr. C. Klomp — van wie niet kan worden verwacht dat hij zich zo'n 2 jaar en 10 maanden na dato nog kan herinneren wat zich op een zitting heeft afgespeeld en bij gebreke van het originele, destijds opgemaakte en ondertekende proces-verbaal — slechts kunnen constateren dat het digitale bestand van het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 betreffende verzoeker in zijn computer, overeenkomt met het digitale bestand van het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 betreffende verzoeker in de computer van de griffier. Dat deze digitale bestanden conform het originele, destijds uitgeprinte en ondertekende proces-verbaal zijn, heeft mr. Klomp niet kunnen nagaan.
Verzoeker meent dan ook dat, nu niet kan worden uitgesloten dat de nietigheid van de oproeping ter zitting van 21 november 2007 door de verdediging aan de orde is gesteld, dit verweer ook in hoger beroep nog kon worden gevoerd.
Wat betreft het argument weergegeven door de verdediging onder I en door het hof besproken onder a, wordt nog opgemerkt dat niet gezegd kan worden dat niet is gesteld, noch op andere wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte door de omissie van het openbaar ministerie in enig te respecteren belang is geschaad. Immers (zoals in de pleitnota geformuleerd) dient aan de verdachte duidelijk te worden gemaakt wat hem op een zitting te wachten staat; dit, onmiskenbaar in het belang van de (voor te bereiden) verdediging en de door de verdachte te maken afweging al dan niet ter zitting te verschijnen.
Daarbij zou ook hetgeen is aangevoerd over de onjuiste betekening (pleitnota onder II, door hof besproken onder b) tot nietigheid van de oproeping hebben moeten leiden.
Conclusie: Het verweer met betrekking tot de geldigheid van de oproeping voor de terechtzitting van de rechtbank van 21 november 2007 heeft het hof verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Middel II
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften.
In het bijzonder is geschonden artikel 359 lid 2, eerste volzin, Sv, nu het gerechtshof het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
Bij (tweede) preliminair verweer heeft de verdediging ter zitting van 27 augustus 2010, blijkens de ter zitting overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, het volgende aangevoerd (letterlijke weergave):
(Preliminair) verweer t.a.v. de ontvankelijkheid van het OM
De verdediging zal uw hof verzoeken het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de verdere vervolging van cliënt.
Art.255. lid 1 Sv
Ingevolge art. 255 lid 1 Sv kan een verdachte na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging (hierna: de kennisgeving) — uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn daargelaten — ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechte worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
De kennisgeving is aan cliënt op de bij het WvSv voorgeschreven wijze betekend. Dat deze hem niet heeft bereikt doet daar niet aan af. Art. 255 Sv is derhalve van toepassing en cliënt mocht erop vertrouwen dat de vervolging beëindigd was en dat dat alleen anders zou kunnen komen te liggen in geval van nieuwe bezwaren.
De verdediging is van mening dat deze regel is geschonden, hetgeen tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM dient te leiden.
Cliënt is op 10 februari 2000 aangehouden en in verzekering gesteld, om 13.45 uur. In een verhoor dat diezelfde dag omstreeks 15.45 uur plaatsvond heeft cliënt een bekennende verklaring afgelegd. De officier van justitie heeft deze bekentenis kennelijk opgevat als ‘nieuwe bezwaren’ en heeft cliënt opnieuw in rechte betrokken, door zijn inbewaringstelling te vorderen en hem voor de rechter-commissaris te geleiden.
De verdediging is van mening dat dit niet had mogen gebeuren, nu de ‘nieuwe bezwaren’ op grond waarvan cliënt opnieuw in rechte is betrokken onrechtmatig zijn verkregen, om de volgende redenen:
Het stond het OM in beginsel vrij na het betekenen van de kennisgeving een nader opsporingsonderzoek in te stellen.
Zoals ook de rechtbank Amsterdam in deze zaak oordeelde op 14 november 2000 had de internationale signalering van cliënt na de kennisgeving echter ingetrokken dienen te worden. Een dergelijk nader opsporingsonderzoek dient zich immers te richten op het bestaan van mogelijk nieuwe bezwaren; het laten voortduren van een internationale signalering kan niet als een zodanig onderzoek worden beschouwd.
Voor de toepassing van elk dwangmiddel (aanhouden, ophouden voor verhoor, etc.) moet bij de betreffende justitie-ambtenaar uit nieuwe feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeien dat de verdachte het oorspronkelijk ten laste gelegde heeft begaan.
Ten tijde van de aanhouding van cliënt was er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Nu de aanhouding van cliënt (d.d. 10 februari 2000) enkel gegrond was op de signalering (die bovendien reeds had moeten zijn ingetrokken), was deze onrechtmatig.
Voor de inverzekeringstelling geldt hetzelfde; ook daar lagen geen nieuwe feiten en omstandigheden aan ten grondslag. Bij zijn ‘verhoor inverzekeringstelling’ legde cliënt een ontkennende verklaring af. De inverzekeringstelling is vervolgens misbruikt om nieuwe bezwaren op tafel te krijgen en is daarmee eveneens onrechtmatig.
De inverzekeringstelling is nog om een andere reden onrechtmatig. Pas om 19.42 uur kwam op 10 februari 2000 de melding bij de piketcentrale binnen (zie bijlage). Aangenomen mag worden dat deze een of enkele minuten tevoren vanuit de politie naar de centrale is gefaxt. De inverzekeringstelling is derhalve niet volgens de regels onverwijld aan de piketcentrale gemeld. Door deze gang van zaken is cliënt de mogelijkheid op consultatie van een raadsman onthouden tijdens de eerste uren van zijn inverzekeringstelling, in welke periode hij zijn bekennende verklaring heeft afgelegd. Uit de stukken blijkt niet dat cliënt afstand had gedaan van voornoemd consultatierecht.
De bekennende verklaring van cliënt is dan ook onrechtmatig verkregen en had niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de vordering inbewaringstelling. Cliënt is derhalve op onrechtmatige wijze opnieuw in rechte betrokken.
Art. 255. lid 3 Sv
Ingevolge art. 255 lid 3 Sv kan de verdachte bij ‘nieuwe bezwaren’ niet ter zitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake dier nieuwe bezwaren ingesteld GVO. Ook deze regel is geschonden; voorafgaand aan de dagvaarding heeft geen GVO plaatsgevonden ter adstruering van de gerezen nieuwe bezwaren.
In een brief d.d. 9 maart 2000 heeft de (toenmalige) raadsman de officier van justitie er expliciet op gewezen dat cliënt op dat moment gedetineerd zat zonder dat een GVO was geopend. Bij schrijven van 22 maart 2000 verzocht de verdediging de rechter-commissaris een GVO te openen, aan welk verzoek de rechter-commissaris niet heeft willen voldoen.
Het enkele feit dat cliënt zijn bij de politie afgelegde verklaring tegenover de rechter-commissaris bevestigde kon de rechter-commissaris in alle redelijkheid niet ontslaan van de verplichting tot het openen van een GVO voorafgaand aan het dagvaarden van cliënt.
Een verhoor in het kader van de inbewaringstelling is immers doorgaans een zeer kort verhoor van enkele minuten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dat hier anders was. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris wijst ook op het tegendeel (van een uitgebreider verhoor). Uit dat proces-verbaal blijkt in elk geval dat de bij de politie afgelegde bekentenis door de rechter-commissaris op geen enkele wijze (ook niet samengevat) inhoudelijk met hem is doorgenomen.
Een behoorlijke toetsing van de ‘nieuwe bezwaren’ was temeer aangewezen, nu het hier een ernstige verdenking betreft (moord in vereniging) en gelet op de wijze waarop de bekennende verklaring van cliënt door de politie was verkregen (onder schending van het consultatierecht).
Daarbij is nog van belang dat cliënt zijn bekennende verklaring na de voorgeleiding bij de rechter-commissaris niet meer heeft herhaald.
Gelet op al het voorgaande kan niet worden volgehouden dat de ‘nieuwe bezwaren’ op behoorlijke en door de wet voorgeschreven wijze zijn getoetst.
De verdediging heeft aan dit verweer de conclusie verbonden dat het OM
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het hof heeft het verweer vervolgens verworpen, zoals weergegeven op pp. 4–7 van het verkort arrest.
Op de eerste plaats meent verzoeker dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op de inhoud van de kennisgeving, aan die kennisgeving door verzoeker niet het gerechtvaardigde vertrouwen kon worden ontleend dat hij niet meer zou kunnen worden aangehouden ter zake van het onderhavige feit indien hij zich weer in Nederland zou vertonen en de justitiële autoriteiten daarvan op de hoogte zouden geraken.
Verzoeker meent dat dit oordeel, dat verzoeker zo begrijpt dat het hof daarbij niet betrekt de vraag of er sprake zou zijn van ‘nieuwe bezwaren’ in de zin van art. 255 Sv, niet strookt met de ratio van dit wetsartikel. Immers, door een kennisgeving van niet verdere vervolging maakt de officier van justitie aan de verdachte duidelijk dat de zaak — behoudens bedoelde nieuwe bezwaren — is beëindigd. Uit de wet kan niet anders worden afgeleid dan dat dat — wat de inhoud van de kennisgeving betreft — alleen anders is wanneer in de kennisgeving één van de twee eerste gronden van art. 247 (onder a en b) Sv wordt vermeld, in welk geval de vervolging voor een ander gerecht kan worden voortgezet. Hiervan was in casu geen sprake.
Anders dan het hof meent verzoeker, gelet op het voorgaande en ook overigens dat — zoals is aangevoerd door de verdediging conform de pleitnota onder 1, 2, 3, en 4 — de officier van justitie gehouden was de internationale signalering van verzoeker in te trekken en dat de aanhouding en inverzekeringstelling onrechtmatig waren.
Voorts meent verzoeker dat het feit dat hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard te blijven bij de bekennende verklaring die hij bij de politie had afgelegd, niet maakt dat achteraf gezegd kan worden dat de bekennende verklaring die verzoeker bij de politie heeft afgelegd, gelet op hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd over de omstandigheden waaronder die verklaring door verzoeker is afgelegd, op dat moment rechtmatig is verkregen.
Op het moment dat verzoeker opnieuw in rechte werd betrokken bestonden de ‘nieuwe bezwaren’ dan ook slechts uit een onrechtmatig verkregen bekennende verklaring, die om die reden niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de vordering inbewaringstelling. Derhalve is sprake van schending van art. 255 lid 1 Sv.
Wat betreft het gevoerde verweer over de schending van art. 255 lid 3 Sv, dat naar de mening van verzoeker eveneens is verworpen op gronden die die beslissing niet kunnen dragen, wordt — in aanvulling op hetgeen is aangevoerd conform de pleitnota onder het kopje ‘art. 255 lid 3 Sv’ — nog het volgende opgemerkt:
Voor zover het hof bedoelt dat het vóór het ontstaan van nieuwe bezwaren ingestelde en gesloten GVO relevant is voor de beoordeling van een eventuele schending van art. 255 lid 3 Sv, is dit niet juist. Ingevolge het derde lid van meergenoemd artikel dient immers een GVO te worden ingesteld ‘ter zake dier nieuwe bezwaren’. Daarvan is in casu geen sprake geweest.
Dat een (bij de politie afgelegde en bij de rechter-commissaris herhaalde) bekennende verklaring van een verdachte de rechter-commissaris van die verplichting zou ontslaan, doet evenmin recht aan de ratio van art. 255 lid 3 Sv, nu denkbaar is dat sprake is van een valse bekentenis.
Ten slotte wordt verwezen naar hetgeen in dit kader voorts nog is aangevoerd, zoals verwoord in de hiervoor geciteerde pleitnota.
Conclusie: Het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het OM is door het hof verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 14 juni 2011
C.M. Peeperkorn