Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/8.4.2
8.4.2 Literatuur
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS394679:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
F.G. Laagland, ‘Decentralisatiebepalingen in cao’s. De gedelegeerde rol van de ondernemingsraad bij primaire arbeidsvoorwaarden’, TAP 2014/204.
Zie daarover ook: A.B. van Els & K. Deelen, ‘De invloed van de OR bij wijziging arbeidsvoorwaarden ex art. 7:613 BW’, TRA 2013/78.
C.W.G. Rayer & M. van Leeuwen-Scheltema, ‘De cao en de gedelegeerde rol van de ondernemingsraad’, in A.Ph.C.M. Jaspers & M.F. Baltussen, De toekomst van het cao-recht, Deventer: Kluwer 2011, p. 32 t/m 35.
P.F. van der Heijden, ‘WOR 1998’, SMA 1998/5, p. 213.
A.G.M. Bijlsma, ‘De ondernemingsraad, vakbonden en arbeidsvoorwaarden. Een modern samenspel binnen de IT-sector’, SR 1999, afl. 1.
B. van Bon, ‘De lading kan omgevlagd. Het incorporeren van de ondernemingsovereenkomsten in cao’s’, SR 1999, afl. 10.
A. Stege, ‘De ondernemingsovereenkomst, de cao en de individuele arbeidsovereenkomst’, SMA 1999, afl. 10.
Decentrale afspraken binden werknemers niet
Laagland heeft zich op het standpunt gesteld dat afspraken tussen ondernemer en ondernemingsraad ter aanvulling op of uitwerking van een cao, waarin aan decentrale partijen de bevoegdheid is toekend nadere regels overeen te komen, individuele werknemers niet binden zoals cao-bepalingen dat doen.1 Individuele werknemers dienen dus steeds met deze afspraken akkoord te gaan alvorens deze afspraken de individuele arbeidsrelatie kunnen gaan beheersen. Laagland heeft er ter onderbouwing van dit standpunt in de eerste plaats op gewezen dat deze overeenkomst (tussen ondernemer en ondernemingsraad) niet kwalificeert als cao in de zin van art. 1 lid 1 Wet Cao, omdat bij de overeenkomst geen vakbond partij is. De Wet Cao biedt volgens Laagland ook geen mogelijkheid het leerstuk van doorwerking over te dragen aan de ondernemingsraad. Voorts vindt zij het te ver gaan afspraken met de ondernemingsraad een gelijkwaardige status toe te kennen als cao-bepalingen vanwege de onafhankelijkheidspositie van ondernemingsraadleden. Tot slot maakt volgens Laagland de binding aan door de ondernemingsraad overeengekomen arbeidsvoorwaarden te veel inbreuk op de contractsvrijheid van werknemers omdat zij geen lid kunnen worden van de ondernemingsraad en een achterbanoverleg wettelijk niet verplicht is. De doorwerking van met de ondernemingsraad overeengekomen arbeidsvoorwaarden dient volgens haar te worden getoetst aan art. 7:613 BW. Zij merkt daarbij op dat de omstandigheid dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met een bepaalde wijziging, een aanwijzing vormt dat aan die wijziging een zwaarwegend ondernemersbelang ten grondslag ligt.2 Artikel 7:613 BW biedt volgens Laagland een waarborg tegen ondernemingsraden die zonder goede grond met bepaalde afspraken instemmen. Zij volgt in haar betoog de opvattingen van Rayer en Van Leeuwen-Scheltema die eveneens van mening zijn dat decentrale afspraken die hun grond vinden in een cao niet doorwerken zoals cao-bepalingen dat doen en zijn onderworpen aan de toets van de eenzijdige wijziging.3
Decentrale afspraken binden werknemers
Van der Heijden heeft zich op het standpunt gesteld dat decentrale afspraken die hun grondslag vinden in een cao, ook de status van een cao-bepaling hebben of zouden moeten hebben. Hij wees er daarbij op dat als gevolg van de decentralisatietendens een ontwikkeling gaande is waarbij bedrijfstak-cao’s in toenemende mate globaal van karakter zijn en waarbij door middel van regelopdrachten in de cao invulling op ondernemingsniveau wordt overgelaten aan de ondernemingsraad. De binding aan decentrale afspraken past bij deze ontwikkeling.4 Bijlsma komt tot dezelfde conclusie als Van der Heijden. Volgens Bijlsma is verdedigbaar dat de contractsvrijheid van cao-parttijen meebrengt dat zij aan een ondernemingsovereenkomst de kracht van cao toekennen.5 Een ondernemingsovereenkomst die tot cao wordt verheven werkt op grond van de Wet cao door in de individuele arbeidsovereenkomsten van georganiseerde werknemers. Voor ongeorganiseerde werknemers geldt dat zij met de toepasselijkheid van de cao moeten hebben ingestemd alvorens de ondernemingsovereenkomsten kan doorwerken. Van Bon heeft het toegenomen belang van decentrale afspraken als gevolg van de decentraliseringstendens erkend, maar acht een enkele regelopdracht in de cao onvoldoende om te aanvaarden dat decentrale afspraken automatisch doorwerken in de arbeidsovereenkomst voor aan de cao gebonden werknemers. Volgens Van Bon is daarvoor nog een aparte bepaling in de arbeidsovereenkomst nodig. Nadere toetsing van de decentrale afspraken aan bijvoorbeeld de 7:613-toets hoeft dan evenwel niet meer plaats te vinden.6 Stege is ook een voorstander van automatische doorwerking, maar acht daarvoor wel noodzakelijk dat vakbonden in de statuten hebben opgenomen dat bevoegdheden aan de ondernemingsraad kunnen worden gedelegeerd.7 Dit vereiste voegt naar mijn mening niet veel toe. In de besluitvorming over een cao kunnen leden van de vakbond zich immers uitspreken over delegatie aan de ondernemingsraad. Als voor leden een extra waarborg zou moeten gelden in het kader van de binding aan decentrale afspraken, dan ligt veeleer voor de hand dat voor doorwerking als aanvullend vereiste zou moeten gelden dat de cao dit uitdrukkelijk bepaalt.