Hof Den Haag, 12-06-2024, nr. 22-002456-22
ECLI:NL:GHDHA:2024:2867
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
12-06-2024
- Zaaknummer
22-002456-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:2867, Uitspraak, Hof Den Haag, 12‑06‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1117
Uitspraak 12‑06‑2024
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.

Gerechtshof Den Haag
enkelvoudige kamer voor strafzaken
Rolnummer: 22-002456-22
Parketnummer: 09-312400-21
TEGENSPRAAK
Uitspraak van mr. J.W. van den Hurk van 12 juni 2024 in de zaak tegen de verdachte:
naam: [achternaam verdachte]
voornamen: [voornaam verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
adres: [woonadres] te [woonplaats].
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Pleegdatum en pleegplaats:
gepleegd op 16 juni 2021 te Kaag, gemeente Kaag en Braassem.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.416,25 (duizend vierhonderdzestien euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 416,25 (vierhonderdzestien euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.416,25 (duizend vierhonderdzestien euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 416,25 (vierhonderdzestien euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 juni 2021.
mr. J.W. van den Hurk