Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.1.2.2
4.1.2.2 Gevolgen van een geslaagd beroep
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405707:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
De nietigheid is een relatieve nietigheid. Zie over de specifieke gevolgen van een beroep op de pauliana en de complicaties van deze relatieve nietigheid, F. Damsteegt-Molier, Relativering van eigendom (diss. Rotterdam), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009. Zie verder ook over de relatieve nietigheid Faber, Verrekening, p. 355-370.
Voor zover het goed een zaak is, kan de curator het goed revindiceren op grond van artikel 5:2 BW. Artikel 5:2 BW spreekt echter slechts over zaken en niet over goederen. Indien het goed geen zaak betreft, maar een ander goed, zoals een vordering of aandelen, heeft de curator echter nog gewoon een goederenrechtelijke aanspraak.
Zie in deze zin ook Faber (Verrekening, p. 357 met verwijzing naar HR 3 juni 1921, NJ 1921, p. 968-969): 'De regeling van afdeling 6.4.2 BW geldt naast (cursief origineel, RdW) de eventuele mogelijkheid tot revindicatie (ten behoeve van de boedel) van een uit het vermogen van de schuldenaar verdwenen zaak.'
Artikel 42 Fw en artikel 47 Fw geven zelf reeds aan wat rechtens het gevolg is van een geslaagd beroep op de faillissementspauliana, namelijk vernietiging van de rechtshandeling.1 Voor zover de vernietigde rechtshandeling de rechtsgrond voor een overdracht vormde, is daarmee de titel aan de overdracht komen te ontvallen en kan de curator het goed, behoudens derdenbescherming, opvorderen met een goederenrechtelijke vordering.2
Verwarrend in dit verband is hetgeen artikel 51 lid 1 Fw bepaalt. Artikel 51 lid 1 Fw luidt als volgt:
Hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar gegaan is, moet door hen jegens wie de vernietiging werkt, aan de curator worden teruggegeven met inachtneming van afdeling 2 van titel 4 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek
De verwijzing naar afdeling 2 van titel 4 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is een verwijzing naar de bepalingen van de onverschuldigde betaling. Hieruit dient echter niet afgeleid te worden dat de curator enkel de vordering op grond van onverschuldigde betaling heeft. De lakmoesproef is uiteraard het faillissement van de wederpartij. Indien de schuldenaar voor diens faillissement een zaak, vordering of aandelen heeft overgedragen en de curator vernietigt de titel van overdracht, dan kan de curator het goed als behorend tot de boedel opvorderen. Dit geldt ook indien de wederpartij failliet is. De bepaling van artikel 51 Fw geeft de curator daarnaast nog een persoonlijke vordering.3 Deze vordering is onder meer van belang voor zover de wederpartij het goed niet meer heeft. In dat geval heeft de curator nog een vordering wegens onverschuldigde betaling.
In het inleidende hoofdstuk is reeds ingegaan op het gegeven dat een geslaagd beroep op de pauliana, afhankelijk van het type van de bestreden handeling, geheel andere gevolgen kan hebben voor het vermogen van de wederpartij. Twee vergelijkingen zijn daarbij mogelijk. De eerste is de vergelijking van de positie van de wederpartij voor het inroepen van de pauliana en na een succesvol beroep. In deze vergelijking zal de wederpartij bijna altijd wel slechter af zijn. Van groter belang voor een begrip van de werking van de pauliana en het gedrag van partijen is de vergelijking tussen de positie van de wederpartij waarin hij zou hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling en de positie waarin hij verkeert nadat de rechtshandeling is vernietigd. Er dient namelijk een onderscheid gemaakt te worden tussen handelingen waarbij de wederpartij uiteindelijk slechter af is door de werking van de pauliana indien men zijn positie vergelijkt met die waarin deze verkeerd zou hebben indien de handeling achterwege was gebleven en handelingen waarbij de pauliana vermogensneutraal werkt.
De faillissementspauliana werkt in de regel vermogensneutraal voor de wederpartij ten aanzien van handelingen die een doorbreking van de paritas creditorum opleveren. Voor zover de schuldenaar op de valreep nog een enkele schuldeiser voldoet en de curator vernietigt deze voldoening in een opvolgend faillissement, is de wederpartij niet wezenlijk slechter af. Voor zover de voldoening is vernietigd, heeft de wederpartij gewoon nog een concurrente vordering. Hij verkeert dus na vernietiging in dezelfde concurrente positie als waarin hij verkeerd zou hebben indien de handeling achterwege was gelaten. Dat deze concurrente positie in de regel weinig benijdenswaardig is, doet daar niet aan af.
Geheel anders kan de situatie zijn indien de integriteit van het vermogen van de schuldenaar wordt aangetast door een rechtshandeling met een waardeverschil tussen de prestaties over en weer waarbij de wederpartij zelf wel een prestatie levert. In het inleidende hoofdstuk is het voorbeeld gegeven van de wederpartij die een auto met een marktwaarde van € 10.000 overgedragen krijgt tegen betaling van € 4.000. In dit geval is het de vraag wat met de waarde van de prestatie van de wederpartij gebeurt. Artikel 51 lid 3 Fw bepaalt het volgende:
Het door de schuldenaar uit hoofde van de vernietigde rechtshandeling ontvangene of de waarde daarvan, wordt door de curator teruggegeven voor zover de boedel erdoor is gebaat. Voor het tekortkomende kunnen zij jegens wie de vernietiging werkt, als concurrent schuldeiser opkomen.
Uit de werking van deze bepaling volgt nu dat de pauliana de wederpartij in een aanzienlijk slechtere positie kan brengen dan waarin deze verkeerd zou hebben indien hij het verrichten van de rechtshandeling achterwege had gelaten. Indien de schuldenaar de tegenprestatie van de wederpartij verbruikt heeft, blijft de wederpartij achter met een veelal waardeloze concurrente vordering. Toegepast op het gehanteerde voorbeeld, riskeert de wederpartij dus niet alleen de auto te moeten afstaan, maar ook de door hem betaalde € 4.000 de facto kwijt te zijn. Een merkwaardig effect is dat hoe meer de schuldenaar zelf betaalt, hoe groter het nadeel is dat hij loopt indien de rechtshandeling wordt vernietigd.
Het gegeven dat de faillissementspauliana in veel gevallen een vermogensneutraal effect heeft, maar in een aantal gevallen de wederpartij aanzienlijk slechter achterlaat, zal op meerdere plaatsen relevant blijken.