Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.7:13.7 Conclusie
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.7
13.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402375:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aansprakelijkheid van aandeelhouders van de GmbH vanwege ongeoorloofde vermogensonttrekkingen heeft de afgelopen 25 jaar een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Het leerstuk is een aantal keer door het Bundesgerichtshof van een nieuwe dogmatische grondslag voorzien. Thans staat vast deze aansprakelijkheid vanwege existenzvernichtenden Eingriffs een fallgruppe van de onrechtmatige daad ex § 826 BGB betreft. Aandeelhouders die vermogen aan de GmbH onttrekken, of toestaan dat hun medeaandeelhouders dit doen, zijn jegens de vennootschap aansprakelijk voor de schade indien voorzienbaar is dat de onttrekking het faillissement van de vennootschap zal veroorzaken of het tekort in een voorzienbaar faillissement zal vergroten. Hoewel in de Duitse juridische literatuur sinds jaar en dag wordt gepleit voor de introductie van een aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege materiële onderkapitalisatie van de vennootschap, hebben zowel de wetgever als het Bundesgerichtshof zich hiervan onthouden. Het BGH heeft weliswaar de mogelijkheid open gelaten dat onder specifieke omstandigheden aansprakelijkheid van aandeelhouders aan de orde kan zijn vanwege het feit dat zij in onvoldoende mate hebben voorzien in een adequate financiering van de vennootschap, maar tot op heden is een dergelijke aansprakelijkheid nimmer aangenomen.