Hof Arnhem-Leeuwarden, 21-01-2020, nr. 200.264.438/01
ECLI:NL:GHARL:2020:650
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
21-01-2020
- Zaaknummer
200.264.438/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2020:650, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 21‑01‑2020; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Uitspraak 21‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Voor wijziging van de geslachtsnaam van hun kinderen, dienen de ouders zich te wenden tot de Koning (artikel 1:7 BW).
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.264.438/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/229288 / FA RK 19-471)
beschikking van 21 januari 2020
inzake
1. [voornamen verzoeker 1] [achternaam verzoeker 1] en,2. [voornamen verzoeker 2] [achternaam verzoeker 1] - [achternaam verzoeker 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,verzoekers,verder te noemen: de man respectievelijk de vrouw of de ouders,
advocaat: mr. C.H. Tjabringa te Zwolle.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 16 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 augustus 2019.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 29 november 2019 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn de ouders en hun advocaat. Ter zitting heeft mr. Tjabringa met toestemming van het hof een stuk overgelegd waarin [minderjarige 1] zijn visie weergeeft.
3. De feiten
3.1
Uit de voorhuwelijkse relatie van de ouders is geboren:- [minderjarige 1] [achternaam verzoeker 2] , op [geboortedatum 1] 2003 (hierna: [minderjarige 1] ).Bij de erkenning, die plaatsvond voordat [minderjarige 1] was geboren, hebben de ouders gekozen voor de geslachtsnaam [achternaam verzoeker 2] .
3.2
De ouders zijn op 20 januari 2007 gehuwd. Zij hebben toen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ervoor te kiezen dat [minderjarige 1] voortaan de geslachtsnaam [achternaam verzoeker 1] zal hebben.
3.3
Tijdens het huwelijk van de ouders zijn nog twee kinderen geboren:- [minderjarige 2] [achternaam verzoeker 2] , op [geboortedatum 2] 2008 en- [minderjarige 3] [achternaam verzoeker 2] , op [geboortedatum 3] 2013.
3.4
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.
3.5
Alle leden van het gezin gebruiken in het dagelijks leven de achternaam [achternaam verzoeker 1] .
3.6
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 25 februari 2019, hebben de ouders verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de geslachtsnaam van de voornoemde minderjarigen te wijzigen in ‘ [achternaam verzoeker 1] ’.
4. De omvang van het geschil
4.1
In de bestreden beschikking is het voormelde verzoek van de ouders afgewezen.
4.2
De ouders zijn met vier grieven tegen deze beslissing in hoger beroep gekomen. Zij verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en hun verzoek alsnog toe te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
De ontvankelijkheid van het hoger beroep
5.1
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek, moet (ambtshalve) worden beoordeeld of partijen hun verzoek aan de juiste rechter hebben gericht. De ouders verzoeken wijziging van de geslachtsnaam van hun kinderen op grond van artikel 1:24 Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 1:24 BW is bepaald dat aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding of verbetering van een daarin voorkomende akte die onvolledig is of een misslag bevat, door de rechtbank kan worden gelast.
5.2
Het hof stelt voorop dat artikel 1:24 BW geen grondslag biedt voor de verzochte geslachtsnaamswijziging. Uit de stukken blijkt immers dat geen sprake is van een onvolledigheid of misslag in de registers van de burgerlijke stand in de zin van genoemd artikel. De ouders verzoeken om wijziging van een eerder gekozen geslachtsnaam. Daarvoor geldt, zoals ter zitting ook besproken, de regeling van artikel 1:7 BW. Dit artikel bepaalt dat de geslachtsnaam van een persoon op diens verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning kan worden gewijzigd. In het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en de behandeling van dergelijke verzoeken. Tegen de afwijzing van het verzoek staat bezwaar, en vervolgens beroep bij de bestuursrechter open. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt een latere vermelding van het Koninklijk Besluit tot geslachtsnaamswijziging toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokken persoon.
5.3
Het uitgangspunt van de wetgever is dat de geslachtsnaam, met name als het gaat om minderjarigen, alleen onder bijzondere omstandigheden kan worden gewijzigd. De ouders hebben aangevoerd dat de bestuursrechtelijke regeling onvoldoende mogelijkheden biedt tot het wijzigen van de geslachtsnaam (de uitzonderingen in het Besluit zijn te streng) en daarom in strijd is met internationale verdragen. Volgens hen moet de regeling daarom buiten toepassing blijven. Ook zouden de voorwaarden voor het wijzigen van de geslachtsnaam van minderjarigen onverenigbaar zijn met artikel 8 lid 1 Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens de ouders leidt dit ertoe dat zij ontvangen kunnen worden in hun verzoek bij de burgerlijke rechter.
5.4
Het hof passeert deze argumenten en overweegt daarbij als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat toetsing van een verzoek tot geslachtsnaamswijziging is voorbehouden aan de Koning, op de wijze zoals neergelegd in het Besluit. De bestuursrechtelijke rechtsgang betreft een met voldoende waarborgen omklede, effectieve rechtsgang waarin met voldoende spoed en in overeenstemming met van toepassing zijnde verdragen, wetten en rechtsbeginselen kan worden beslist, waarbij alle relevante omstandigheden van verzoekers kunnen worden betrokken. Niets staat eraan in de weg dat de ouders in een bestuursrechtelijke procedure een beroep doen op alle door hen in het kader van deze civiele procedure aangehaalde argumenten, waaronder het beroep op artikel8 EVRM. Ook in de bestuursrechtelijke procedure zijn de bepalingen van het EVRM en de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daaraan heeft gegeven immers rechtstreeks van toepassing. Ten slotte betreft het naar het oordeel van het hof niet een situatie waarin evident sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde naamrecht, waardoor het bepaalde in artikel 1:7 BW en het daarop gebaseerde Besluit op voorhand buiten toepassing zou moeten blijven.
5.5
Nu door de wetgever een bijzondere, bestuursrechtelijke procedure in het leven is geroepen, is er geen rol voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek door de burgerlijke rechter. Dit betekent dat de ouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek bij de burgerlijke rechter.
6. 6. De slotsom
6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de ouders alsnog niet-ontvankelijk verklaren in hun inleidend verzoek.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking;
verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun inleidend verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 21 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.