Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.4.2:II.4.6.4.2 Formele geldigheidsvereiste van art. 4:42 lid 3 BW
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.4.2
II.4.6.4.2 Formele geldigheidsvereiste van art. 4:42 lid 3 BW
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624618:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 3.5 (‘Het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke en art. 4:42 lid 3 BW’) ging ik nader in op de algemene hoogstpersoonlijke aard van de uiterste wilsbeschikking zoals neergelegd in art. 4:42 lid 3 BW en de vraag of hierin een materieel aspect besloten ligt dat een delegatieverbod inhoudt. De conclusie was dat in art. 4:42 lid 3 BW enkel een formeel geldigheidsvereiste is gelegen, dat van erflater verlangt dat hij zijn uiterste wilsbeschikking persoonlijk maakt en herroept. Vertegenwoordiging bij het maken van de uiterste wilsbeschikking is niet toegestaan. Ik stelde de vraag: Waarom zou een hoogstpersoonlijk gemaakte uiterste wilsbeschikking niet ook hoogstpersoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden ten aanzien van de inhoud kunnen bevatten? Art. 4:42 lid 3 BW staat hieraan mijns inziens niet in de weg.1 Het hierin gelegen hoogstpersoonlijk karakter zegt namelijk niets over de wezenlijke inhoud van de uiterste wilsbeschikking noch over de vraag of deze inhoud door een ander bijvoorbeeld mag worden geconcretiseerd. Mijns inziens dient hiervoor gekeken te worden naar art. 4:42 lid 1 BW, waarin de materiële bouwstenen van de uiterste wilsbeschikking zijn neergelegd en waarin ook impliciet het bepaaldheidsvereiste besloten ligt (immers: ‘een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling […]’).
Afhankelijk van de vraag hoe dit bepaaldheidsvereiste dient te worden opgevat (strikt of soepel, met objectieve of subjectieve maatstaf?), kan er bekeken worden of er ruimte is om te delegeren ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking.
Zou het formele geldigheidsvereiste dat van erflater een (hoogst)persoonlijk gemaakte uiterste wilsbeschikking verlangt (art. 4:42 lid 3 BW), meebrengen dat er ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking niets door een ander dan erflater kan worden bepaald en daarmee wilsdelegatie uitsluiten? Deze vraag kwam aan bod in paragraaf 3.5.3. Anders dan Breemhaar2 ben ik van mening dat het persoonlijke karakter van de uiterste wilsbeschikking niet tot een strikt bepaaldheidsvereiste leidt. Dit omdat, zoals zojuist gezegd, het hoogstpersoonlijk karakter van de uiterste wilsbeschikking enkel verlangt dat erflater zijn uiterste wilsbeschikking persoonlijk maakt. Het zegt daarmee niets over de (on)mogelijkheid om in de uiterste wil (hoogst)persoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikkking te verlenen. Voor deze vraag zullen de vereisten ten aanzien van de inhoud van iedere (te onderscheiden) soort uiterste wilsbeschikking doorslaggevend zijn. Wilsdelegatie bij uiterste wil is immers slechts mogelijk indien de wilsbeschikking door het verlenen van de delegatiebevoegdheid niet het karakter van uiterste wilsbeschikking verliest (vgl. art. 4:42 lid 1 BW).3