Einde inhoudsopgave
Artikel 7:25 BW: een analyse van zijn oorsprong, strekking en reikwijdte (R&P nr. CA23) 2021/4.4.6
4.4.6 Het regresrecht van artikel 7:25 BW
T.J.K. van Santen, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T.J.K. van Santen
- JCDI
JCDI:ADS392449:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tjong Tjin Tai, NTBR 2018/1.
COM (95) 520 def. 96/0161 (COD), p. 14.
Artikel 4 tweede zin en overweging 9.
Artikel 18 tweede zin en overweging 63.
Artikel 3 lid 6 luidt: ‘Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om te voorzien in regels betreffende aspecten van het algemene overeenkomstenrecht, zoals regels inzake de totstandkoming, de geldigheid, de nietigheid of de gevolgen van overeenkomsten, met inbegrip van de gevolgen van de ontbinding van een overeenkomst voor zover zij niet in deze richtlijn worden geregeld, of het recht op schadevergoeding.’
HvJ 13 juli 2006, C-295/04, ECLI:EU:C:2006:461, NJ 2007/34 (Manfredi), r.o. 92.
HvJ EU, 16 juni 2011, C-65/09, C-87/09, ECLI:EU:C:2011:396 (Weber en Putz).
In theorie kan de (consument)koper ook andere partijen, zoals de producent, aanspreken op grond van artikel 6:162 BW, mits aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Vgl. Hoge Raad 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2994, NJ 2000, 159 (Koolhaas/Rockwool) en Hoge Raad 13 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:32, NJ 2017/48. Zie ook: Duyvens, WPNR 2010/6855.
Dat roept de vraag op of de voorschakel de eindverkoper kan verwijten dat hij hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om de non-conformiteit te verhelpen, en daarmee de hoogte van de schade te verminderen. Wellicht kan de voorschakel de eindverkoper contractueel verplichten om bij klachten van consumenten direct naar hem door te verwijzen. Deze (contractuele) ‘Eindbindungspflicht’ komt hierna aan de orde.
Kamerstukken II 1981, 16979, nr.3, p. 51, onderstreping door mij.
Kamerstukken I 1988-1989, 16979, nr. 8, pp. 5-7, onderstreping door mij.
Hierboven is een aantal soorten regresrecht behandeld. Hierbij is er telkens sprake van een situatie dat de schuldeiser twee partijen kan aanspreken om (een gedeelte van) diens vordering te voldoen. Nadat een van deze partijen dat gedaan heeft, kan deze mogelijk regres nemen op de andere partij, mits deze partij de schade uiteindelijk dient te dragen.
Het regresrecht beoogt zoveel mogelijk om de vordering van de schuldeiser te kopiëren, en daarmee het effect van een subrogatie te benaderen. Het is dan ook logisch dat de aangesproken partij zich kan verweren door te stellen dat de regresnemende partij meer heeft voldaan dan waartoe deze verplicht was. De vordering wordt als het ware gekopieerd en de discussie over de hoogte van de vordering van de schuldeiser wordt opnieuw gevoerd tussen de regresnemer en de regresschuldenaar. Ook de verweermiddelen die de oorspronkelijke schuldenaar had, worden door een specifieke bepaling als het ware gekopieerd. Bij artikel 7:25 BW is daar geen sprake van. De verweermiddelen die de aangesproken voorschakel heeft, kunnen bovendien slechts uit het artikel zelf voortvloeien.
Het regresrecht van artikel 7:25 BW is vanwege andere redenen ingesteld. Daarom moet ten aanzien van een regresvordering op grond van artikel 7:25 BW worden onderzocht of deze regresvordering als een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden beschouwd.
Ook dient hierbij het Unierecht in ogenschouw te worden genomen. Sinds de inwerkingtreding van Richtlijn consumentenkoop en garanties moet de regeling van artikel 7:25 BW richtlijnconform worden toegepast. Dit geldt evenzeer zodra de Richtlijn verkoop goederen (2019/771) is omgezet.
Hierboven is in hoofdstuk 2 beschreven wat de beweegredenen van de (Unie-)wetgever waren om een regresrecht voor de eindverkoper in te stellen. De eindverkoper moet worden gecompenseerd voor de toegenomen consumentenbescherming. De schade moet bovendien uiteindelijk worden gedragen door degene die voor de non-conformiteit verantwoordelijk is. Voor dit doel heeft de Uniewetgever de eindverkoper een recht van verhaal gegeven. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen dat de eindverkoper verhaal kan nemen op zijn eigen voorschakel.
De omvang van de schade wordt nationaal bepaald
Hoewel er kan worden gesteld dat de Europese Unie het schadebegrip van de nationale stelsels beïnvloedt,1 is daar bij het Unierechtelijke recht van verhaal maar in beperkte mate sprake van. Omtrent de omvang van de schadevergoedingsverplichting wordt niets bepaald. Bovendien wordt de wijze waarop er verhaal kan worden genomen uitdrukkelijk aan de lidstaten overgelaten.
In de toelichting bij het richtlijnvoorstel dat tot de Richtlijn consumentenkoop en garanties heeft geleid, stelt de Europese Commissie:
‘Hoewel dit voorstel voor een richtlijn betrekking heeft op de eindverkoop van verbruiksgoederen, blijkt het ook noodzakelijk om in de tekst ten behoeve van de eindverkoper te voorzien in een recht van beroep tegen de aansprakelijke personen, op wie hij de kosten moet kunnen verhalen die zijn ontstaan uit hoofde van de gebreken die hun zijn toe te rekenen. De modaliteiten van dit recht van beroep worden vastgesteld door de nationale wetgevingen.’2
In het recht van verhaal in de Richtlijn consumentenkoop en garanties3 en in de nieuwe Richtlijn verkoop goederen (2019/771)4 is uitdrukkelijk bepaald dat het nationale recht bepaalt op wie en hoe verhaal kan worden genomen. In artikel 3 lid 6 van de Richtlijn verkoop goederen (2019/771) wordt zelfs schadevergoeding in het algemeen tot het domein van de nationale wetgever gerekend.5 Voorts heeft het HvJ EU in het arrest Manfredi (inzake de vordering van vergoeding van schade die door een gedraging in strijd met het mededingingsrecht is ontstaan) het volgende overwogen:
‘Wat de toekenning van schadevergoeding betreft en de eventuele mogelijkheid om punitieve schadevergoeding toe te kennen, dient bij gebreke van communautaire bepalingen ter zake de nationale rechtsorde van elke lidstaat de criteria te bevatten ter bepaling van de omvang van de schadevergoeding, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.’6
De vestiging van de aansprakelijkheid is uiteraard wel Unierechtelijk bepaald. De eindverkoper moet, wanneer aan de vereisten is voldaan, een recht van verhaal hebben. De wijze waarop dit vervolgens gebeurt, is aan de nationale wetgever.
Dat de Europese wetgever er belang aan hecht dat er sprake is van een daadwerkelijk recht van verhaal, blijkt wel uit de reeds door mij aangehaalde rechtsoverweging van het HvJ EU in het arrest van Weber en Putz.7 Het recht van verhaal dient de financiële belangen van de eindverkoper en vormt een compensatie voor het feit dat de richtlijn de verkoper jegens de consument aansprakelijk stelt voor elk gebrek aan overeenstemming bij de levering van het goed.
Of afdeling 6.1.10 BW van toepassing is, wordt derhalve geheel door het nationale Nederlandse bepaald. Het regresrecht van artikel 7:25 BW verschilt op een aantal fundamentele aspecten van de regresrechten die hierboven zijn behandeld.
De eisende partij (de consument) heeft in tegenstelling tot de hierboven genoemde situaties geen keuze om meerdere partijen op de non-conformiteit van het door hem gekochte product aan te spreken. De Europese en nationale wetgeving is zodanig ingericht dat de consument zich bij een non-conformiteit slechts tot de eindverkoper kan wenden. Behoudens voor schade die het gevolg is van een veiligheidsgebrek, kent de wet de consument niet expliciet een action directe toe.8 Deze eindverkoper heeft vervolgens een regresrecht op de voorschakel, die vervolgens ook zelf weer een regresrecht krijgt. Er is dus geen sprake van dat meerdere partijen dezelfde prestatie moeten verrichten, of dat er sprake is van toevallig samenlopende prestaties. De betalende partij verhaalt vervolgens ook geen bijdrage in de vergoeding die hij aan de consument heeft betaald.
Zodra de eindverkoper wordt aangesproken, moet hij aan de vordering van de consument voldoen. De wijze van handelen van de eindverkoper is in grote mate bepalend voor de schade die de eindverkoper vervolgens lijdt. Wanneer de consument om herstel vraagt en de eindverkoper voldoet niet of niet in voldoende mate aan deze vordering, dan kan de consument andere vorderingen dan louter nakoming instellen (zoals aanvullende en vervangende schadevergoeding, ontbinding, prijsvermindering), waardoor de schade van de eindverkoper, en daarmee tevens de omvang van de regresvordering wordt vergroot.
Er is derhalve niet per definitie meer sprake van, dat de vordering van de consument wordt ‘gekopieerd’ en dat de eindverkoper de gekopieerde vordering jegens de voorschakel kan instellen. De regresvordering ex artikel 7:25 BW is immers niet afgeleid, althans niet direct afgeleid van de vordering van de consument op de eindverkoper. Dat zou hoogstens kunnen worden aangenomen wanneer de eindverkoper een vordering tot nakoming (herstel, vervanging) of schadevergoeding direct inwilligt en de schade beperkt blijft tot de kosten die de eindverkoper heeft moeten maken. De oorspronkelijke vordering tot herstel/vervanging wordt bij een regresvordering ex artikel 7:25 BW omgezet in een geldvordering. Dit is ook zo bij de hierboven beschreven regresrechten inzake borgtocht en artikel 6:10 BW. Het zelfstandige regresrecht zou wat dat betreft vergeleken kunnen worden met het Duitse zelfstandige regresrecht wanneer de eindverkoper zijn verplichtingen jegens de eindkoper alsnog is nagekomen. De kosten die de eindverkoper in dat kader ‘heeft moeten dragen’ kan hij op zijn voorschakel verhalen.9
Het enkele feit dat de vordering van de consument bij het regres wordt omgezet in een vordering in geld is nog geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een vordering tot schadevergoeding. Ook eventuele gevolgschade (niet zijnde gevolgschade als gevolg van een veiligheidsgebrek) die de eindverkoper direct aan de consument moet betalen, kan direct op de voorschakel worden verhaald In al deze gevallen vergoedt de voorschakel precies de geldelijke waarde van de prestatie aan de door de consument aangesproken eindverkoper. In zoverre wordt de vordering van de consument ‘gekopieerd’.
Het bovenstaande gaat mijns inziens echter niet meer op zodra het geschil met de consument door het eigen handelen van de eindverkoper escaleert en de consument zijn secundaire rechten uitoefent. Hierdoor wordt de omvang van de door de eindverkoper geleden schade vergroot (de consument vordert vertragingsschade, vervangende schadevergoeding of de consument ontbindt de overeenkomst). Van een kopie van de oorspronkelijke vordering van de consument (nakoming) is dan geen sprake meer. Bovendien wordt dan de vraag opgeworpen of deze ‘extra’ schadeposten ook op de voorschakel kunnen worden verhaald of dat de eindverkoper door de voorschakel eigen schuld (artikel 6:101 BW) kan worden tegengeworpen.
Bij de andere regresrechten is het civiele plafond expliciet opgenomen: er kan niet meer worden verhaald dan hetgeen de benadeelde zelf op de schadeveroorzaker had kunnen verhalen. Bij artikel 7:25 BW ontbreekt een regeling over het civiele plafond. De beperkingen die in artikel 7:25 BW zijn opgenomen, zijn te summier. Artikel 7:25 BW geeft slechts enkele voorschriften voor de inhoud en omvang van het regresrecht. In lid 3 wordt slechts bepaald dat er géén regresrecht is als de afwijking betrekking heeft op feiten die de eindverkoper kende of behoorde te kennen, dan wel haar oorzaak vindt in een omstandigheid die is voorgevallen nadat de zaak aan hem werd afgeleverd. Lid 3 betreft derhalve niet de omvang van het regres. Deze omvang wordt bepaald door lid 410 en de laatste zin van lid 1.11 Voor de gevolgen van de omvang van het regresrecht door het eigen handelen van de eindverkoper is er geen regeling.
In de rechtspraktijk bestaat behoefte aan een nadere duiding van de inhoud en omvang van de schadevergoedingsplicht. Dit geldt uiteraard voor gevallen die niet door artikel 7:25 BW zelf worden benoemd. Hierbij kan (naast artikel 6:101 BW) worden gedacht aan de leer van de redelijke toerekening (artikel 6:98 BW) of de matiging van een schadevergoedingsverplichting (artikel 6:109 BW). De door de eindverkoper geleden schade als gevolg van een non-conformiteit kan behoorlijk oplopen, ook wanneer er geen sprake is van productaansprakelijkheid.
Een voorbeeld uit de casus: kunnen de kosten die de consument heeft geleden als gevolg van de noodzakelijke vervanging van de vloerdelen (bijvoorbeeld de kosten van de tijdelijke opslag van meubilair, hotelkosten, en dergelijke) en die de consument op de eindverkoper heeft verhaald, door deze eindverkoper volledig op de voorschakel worden verhaald? Kunnen deze kosten allemaal in redelijkheid aan de eindverkoper worden toegerekend? En is er een reden om de schadevergoeding te matigen (artikel 6:109 BW) omdat bij massaproducten de schade voor de voorschakel (en uiteindelijk de producent) dan niet meer is te overzien? Artikel 7:25 BW geeft geen antwoord op deze vragen.
Juist bij de toepassing van artikel 7:25 BW is er een behoefte aan nadere regels om de omvang van de te vergoeden schade nader vast te stellen. Deze regeling zou mijns inziens gevonden kunnen worden in afdeling 6.1.10 BW.
Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt dat de wetgever met artikel 7:25 BW een daadwerkelijk recht op schadevergoeding wilde instellen. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de eerste versie van artikel 7:25 BW heeft geleid, merkt de minister op dat moet worden voorkomen dat de eindverkoper:
‘…bekneld raakt tussen die koper en zijn voorman die wellicht zijn aansprakelijkheid geheel heeft uitgesloten. De wet dient derhalve dwingend te regelen dat dit regres mogelijk is. Daartoe strekt het onderhavige artikel. Lid 1 kent dan ook voor het geval de koper een of meer van zijn rechten terzake van de in artikel 7, lid 1 (thans art. 7:24 BW, TvS), bedoelde tekortkoming heeft uitgeoefend (herstel, vervanging, ontbinding, vernietiging, schadevergoeding binnen de grenzen van artikel 7, lid 1) de verkoper ongeacht enig andersluidend beding een recht op schadevergoeding toe jegens zijn professionele voorschakel. Opmerking verdient dat hier niet alle zojuist genoemde rechten, gelijk dit voor de koper in artikel 6 is geschied, tot dwingend recht worden gemaakt. Het komt mij voor dat in de zuiver commerciële relatie tussen de schakels in de verkoopketen een dwingende bepaling inzake het recht op schadevergoeding voldoende is. Wat dit recht betreft wordt in de tweede zin van lid 1 nog een beperking aangebracht voor kosten en verweer; deze worden slechts vergoed voor zover zij in redelijkheid zijn gemaakt. De hier bedoelde kosten ter zake van verweer omvatten enerzijds de kosten van de consument als bedoeld in artikel 7.1.7.0 (dit artikel is nooit in het wetsvoorstel opgenomen, TvS), die hem op grond van artikel 7 door de verkoper zijn vergoed, en anderzijds de proceskosten waartoe de verkoper jegens de consument mocht zijn veroordeeld; zij komen volgens de onderhavige bepaling voor vergoeding in aanmerking indien de verkoper redelijkerwijze het gepretendeerde gebrek c.q. zijn aansprakelijkheid mocht betwisten. Mocht de verkoper in een eventueel geschil met zijn voorman zélf kosten als bedoeld in artikel 7.1.7.0 maken, dan vallen deze onder de schade die hem op grond van de eerste zin van lid 1 moet worden vergoed.’12
Bij de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer heeft de minister het volgend gesteld.
‘In artikel 7.1.3.9 (thans artikel 7:2 BW, TvS) wordt verondersteld dat de koper ter zake van een tekortkoming als bedoeld in artikel 7.1.3.7 (thans art. 7:24 BW, TvS) (de afgeleverde zaak bezit niet de eigenschappen die de koper mocht verwachten) een of meer van zijn rechten tegen de verkoper heeft uitgeoefend. Dit kan bijv. zijn een recht op schadevergoeding, op ontbinding (artikel 6.5.4.6 (thans artikel 6:265 BW, TvS)) of een recht op nakoming als bedoeld in artikel 7.1.3.2 (thans artikel 7:21 BW TvS). Het artikel geeft de verkoper het recht de hierdoor geleden schade op zijn voorman te verhalen (lid 1);’13
Het regresrecht is derhalve door de nationale wetgever uitdrukkelijk als een recht op schadevergoeding bedoeld en wel om de eindverkoper te compenseren voor de toegenomen consumentenbescherming (en om daarmee beknelling van de eindschakel te voorkomen).
Ook een teleologische uitleg van artikel 7:25 BW brengt mijns inziens ook mee dat afdeling 6.1.10 BW op het regresrecht van toepassing zou kunnen zijn. Artikel 7:25 BW brengt in lid 3 en 4 tot uitdrukking dat alleen de schade waar de eindverkoper part nog deel aan heeft, verhaalbaar is. De eindverkoper lijdt schade doordat de consument hem op een non-conformiteit aanspreekt. De door de eindverkoper geleden schade wordt in beginsel veroorzaakt doordat de eindverkoper van de voorschakel een product heeft ontvangen dat niet aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de consument voldoet. Deze schade kan hij vervolgens op zijn voorschakel verhalen. Maar artikel 7:25 BW beoogt dat de eindverkoper alleen deze schade kan verhalen. De schade die daadwerkelijk het gevolg is van de non-conformiteit van het product is verhaalbaar. Schadeposten die het gevolg zijn van (onoordeelkundig) handelen van de eindverkoper dienen voor zijn rekening te blijven. Dit uitgangspunt wordt tot uitdrukking gebracht in de leden 3 en 4 van artikel 7:25 BW.
Een aanvullend argument om aan te nemen dat afdeling 6.1.10 BW op artikel 7:25 BW van toepassing is, is het feit dat lid 1 verwijst naar artikel 7:24 lid 1 BW. In lid 1 van artikel 7:24 BW is het volgende bepaald:
‘Indien op grond van een consumentenkoop een zaak is afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de koper jegens de verkoper recht op schadevergoeding overeenkomstig de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.’
Artikel 7:24 lid 1 BW verklaart afdeling 6.1.10 BW van toepassing op het recht op schadevergoeding van de consument op de eindverkoper. Nu artikel 7:25 lid 1 BW naar deze bepaling verwijst ‘(in geval van een tekortkoming als bedoeld in artikel 24’), ligt het voor de hand dat ook de regresvordering die hier het gevolg van is, wordt beheerst door afdeling 6.1.10 BW.
Gezien het van de andere behandelde regresrechten afwijkende karakter van artikel 7:25 BW, het feit dat de eindverkoper een grote rol kan spelen bij het bepalen van de omvang van de verhaalbare schade, en het feit dat artikel 7:25 naar artikel 7:24 verwijst waarop afdeling 6.1.10 van toepassing wordt verklaard, meen ik dat een redelijke en op de praktijk afgestemde wetstoepassing meebrengt dat afdeling 6.1.10 BW op regresvorderingen ex artikel 7:25 BW van toepassing is. Deze afdeling is van toepassing om de omvang van de regresvorderingen nader vast te stellen. Dit geschiedt nadat de omvang in eerste instantie is vastgesteld door de bepalingen in artikel 7:25 BW zelf (de genoemde lid 1, tweede zin en lid 4). Afdeling 6.1.10 BW bepaalt derhalve (mede) de omvang van het regres. Ik behandel de omvang van het regres hieronder verder in hoofdstuk 5.
De regresvorderingen die vervolgens hoger in de keten worden ingesteld, hebben steeds in mindere mate het karakter van een schadevergoedingsvordering. Het is immers de eindverkoper die de grootste invloed op de omvang van de regresvordering heeft. Desondanks kan de omvang van het regres ook hoger in de keten nog ter discussie worden gesteld. Ook het handelen van de door de eindverkoper aangesproken voorschakel kan de omvang van zijn schade en vervolgens de omvang van diens regresvordering vergroten of verkleinen, bijvoorbeeld door al dan niet afdoende verweer te voeren. Verder dienen ook hoger in de distributieketen dienen de artikelen 6:98 BW en 6:109 BW op de regresvordering van toepassing te zijn, bijvoorbeeld wanneer een kleine voorschakel door een grote onderliggende voorschakel wordt aangesproken op een bijzonder omvangrijke schade die niet voorzienbaar is en/of waarvan kan worden bediscussieerd of het redelijk is om deze (geheel) voor rekening van deze voorschakel te laten komen.