Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Einde inhoudsopgave
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.5.2:4.5.2 Gevolgen van de huidige rol van de griffier van het GEA
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba (BPP nr. VII) 2010/4.5.2
4.5.2 Gevolgen van de huidige rol van de griffier van het GEA
Documentgegevens:
Mr. G.C.C. Lewin, datum 08-01-2010
- Datum
08-01-2010
- Auteur
Mr. G.C.C. Lewin
- JCDI
JCDI:ADS443856:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De beperkingen in de reis- en communicatiemiddelen hebben tot een opzet geleid, waarbij hoger beroep wordt ingesteld op elk van de zes eilanden en de memoriewisseling plaatsvindt ter griffie van het gerecht op het eiland waar het hoger beroep is ingesteld. Deze opzet heeft gevolgen voor andere regels.
Ten eerste vermoed ik dat de regel dat de termijnen voor het indienen van memories niet kunnen worden verlengd, verband houdt met deze opzet. Er wordt wel gezegd dat deze regel verband houdt met het streven naar voortvarendheid. Ik vermoed dat het kenmerk eerder voortkomt uit de omstandigheid dat in de oorspronkelijke opzet geen appelrechter bemoeienis kon hebben met de voortgang van de procedure tot het moment dat de stukken naar het Hof werden gezonden. Van de griffier van het GEA mocht niet worden verwacht dat deze rolbeslissingen zou nemen over uitstel.
Zoals in paragraaf 2.24 en 2.26 is beschreven, worden de termijn voor inzending van de stukken naar het Hof en voor plaatsing op de Hofrol regelmatig met maanden overschreden en wordt daarna nog herhaaldelijk uitstel verleend voor het indienen van een pleitnota. Hierdoor is de totale procedure zeer onevenwichtig geworden. In de fase van de memoriewisseling kunnen de termijnen niet worden verlengd en daarna duurt het nog zeer lang voordat de zaak voor vonnis komt te staan. Deze onwenselijkheid klemt temeer, omdat de inhoud van de pleitnota's vaak weinig toevoegt aan hetgeen reeds eerder is aangevoerd.
Ten tweede heeft deze opzet meegebracht dat diverse regels moesten worden ingevoerd om beslissingen uit te lokken in de fase van de procedure waarin de stukken nog niet naar het Hof zijn gezonden:
a.
In 12v 1931:
schorsing van de tenuitvoerlegging (art. 272);
b.
In 12v 1958:
vergunning voor tussentijds appel (art. 263a). Aanvankelijk was tussentijds appel niet mogelijk omdat dit vanwege de afstanden tot te veel vertraging zou leiden;
c.
In 12v 1958:
incidentele vorderingen (art. 275a);
d.
In 12v 2005:
invoering van het spoedappel (art. 235).
Deze regelingen zijn telkens verschillend van opzet. Een verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging moet rechtstreeks worden ingediend bij het Hof, maar een verzoek om tussentijds appel bij het GEA. De procedure ter verkrijging van een vergunning voor tussentijds appel is als enige in de wet uitgewerkt. De beslissing over het spoedappel is niet opgedragen aan het Hof, maar aan de president. De bepaling over incidentele vorderingen werkt gebrekkig, omdat die niet voorziet in een tussentijdse beslissing van het Hof. Door de verschillen is de procedure als geheel minder overzichtelijk en onnodig gecompliceerd.
Ten derde heeft de opzet ertoe geleid dat geregeld moest worden hoe en wanneer om pleidooi moet worden gevraagd (art. 277) en hoe de uitspraak van het Hof ter kennis van partijen wordt gebracht (art. 283, 286). Nu de afstanden geen knelpunt meer vormen, kan ook deze regeling worden vereenvoudigd.
Doordat het niet meer nodig is om de memoriewisseling te laten plaatsvinden ter griffie van het gerecht op het eiland waar het hoger beroep is ingesteld, kan de opzet van de regeling van het hoger beroep in een aantal opzichten worden verbeterd.