De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.4.3.2:4.4.3.2 ‘Toerekening’ bij toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.4.3.2
4.4.3.2 ‘Toerekening’ bij toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948016:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3 van hoofdstuk 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
485. Verkrijgt een echtgenoot uit een verdeling meerdere goederen dan is het volgens mij óók mogelijk om het ‘overige’ eigen vermogen ten laste waarvan (een deel van) de totale tegenprestatie bij de verkrijging is voldaan ‘toe te rekenen’ aanslechts één van de goederen die krachtens verdeling is verkregen. Daardoor kan een echtgenoot bewerkstelligen dat het ene goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap valt, en het (de) andere(n) niet, waar anders beide goederen in de huwelijksgemeenschap zouden vallen. Als ‘totale tegenprestatie’ hoeft in die gevallen dus niet de waarde van alle goederen te worden genomen die aan de betreffende echtgenoot zijn toegedeeld. Ook hier kan een voorbeeld verhelderend werken.
Voorbeeld
A en X zijn krachtens erfrecht eigenaar geworden van twee woningen. Aan deze verkrijging is géén uitsluitingsclausule verbonden. A is gerechtigd tot 1/3 deel van de waarde van de woningen en X is gerechtigd tot 2/3 deel van de waarde van de woningen. A is gehuwd in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen met B. A en X gaan over tot verdeling van de woningen, waarbij die woningen allebei aan A worden toegedeeld. De waarde van de eerste woning bedraagt bij de verdeling € 300.000 (woning 1) en de waarde van de tweede woning bedraagt € 600.000 (woning 2). A is uit hoofde van deze verdeling dus een overbedelingsuitkering van € 600.000 aan X verschuldigd. A betaalt deze overbedelingsuitkering voor een bedrag van € 400.000 uit privémiddelen, en voor een bedrag van € 200.000 met middelen van de huwelijksgemeenschap.
Omdat aan de erfrechtelijke verkrijging géén uitsluitingsclausule is verbonden, en A in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, vallen de door verdeling verkregen woningen in beginsel in de huwelijksgemeenschap. Dat geldt zowel wanneer men de translatieve opvatting over de verdeling volgt, als wanneer men de declaratieve opvatting aanhangt. Vervolgens is de vraag of de door verdeling verkregen woningen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Gaat men ervan uit dat de waarde van de door verdeling verkregen goederen als één geheel als de ‘totale tegenprestatie’ moet worden beschouwd, dan is datniet het geval. De totale tegenprestatie voor de verkrijging van de beide woningen bedroeg immers € 900.000, waarvan een deel ter grootte van € 400.000 ten laste van het eigen vermogen van A is gekomen. Dat is niet meer dan de helft van de totale tegenprestatie, zodat beide woningen op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 oud BW in de huwelijksgemeenschap vallen. Naar mijn mening kan A de investering van € 400.000 uit zijn eigen vermogen echter volledig ‘toerekenen’ aan de verkrijging van woning 2. Door een dergelijke toerekening is de volledige tegenprestatie voor de verkrijging van woning 2 ten laste van zijn eigen vermogen gekomen, zodat die woning op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog buiten de huwelijksgemeenschap valt. Woning 1 valt dan in de huwelijksgemeenschap. Precies hetzelfde geldt wanneer A in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, en men de translatieve opvatting over de werking van de verdeling volgt. In dat geval worden de woningen krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’ verkregen, en zal op grond van artikel 1:95 lid 1 BW beoordeeld moeten worden of deze alsnog van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Ook dan is ‘toerekening’ geoorloofd. Gaat men uit van de declaratieve werking van de verdeling, dan zijn de woningen krachtens erfrecht verkregen en vallen deze reeds om die reden buiten de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. Aan toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW komt men in dat geval in het geheel niet toe.
486. Een ‘toerekening’ als hiervoor beschreven is volgens mij mogelijk omdat de woningen als afzonderlijke goederen tot de nalatenschap behoren en ieder van de woningen afzonderlijk het object van de verdeling en levering is. Een differentiatie in de toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW moet om die reden geoorloofd worden geacht. Daarvoor is het in mijn optiek dan wél nodig dat in de akte van levering duidelijk wordt beschreven welk deel van de tegenprestatie van welk goed nu precies met eigen vermogen van de betreffende echtgenoot is voldaan. Is dat niet beschreven, dan kan niet worden vastgesteld of ‘bij de verkrijging’van één of meer van de betreffende goederen meer dan de helft van de verschuldigde tegenprestatie ten laste van het privévermogen van de betreffende echtgenoot is gekomen, zodat in dat geval niet aan alle vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan.1 In dat geval vallen in het gegeven voorbeeld beide woningen alsnog in de wettelijke gemeenschap van goederen. Echtgenoot A heeft in dat geval slechts een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap.