Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.2.1
4.2.1 De terminologie van de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398392:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 17 september 2009, nr. C-347/08 (Vorarlberger Gebietskrankenkasse/WGV-Schwdbische Algemeine Versicherungs AG),Jur. 2009, p. 2208.
Vgl. de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 25 van het Vorarlberger-arrest.
Voor alle duidelijkheid: het gaat hier om de (Nederlandse) tekst van de Richtlijn en niet om de Wam, die - zoals hierna nog uitvoerig aan de orde zal komen - andere benadeelden dan het slachtoffer zelf expliciet een eigen recht ter beschikking stelt en die hen ook toegang geeft tot het Waarborgfonds Motorverkeer en - voor zover het andere benadeelden betreft dan, kort gezegd, particuliere en sociale regresnemende verzekeraars - tot het Schadevergoedingsorgaan. Zie par. 4.63.4 en 4.8.2.
Een van de centrale begrippen in de Richtlijn is de term 'benadeelde'. De Richtlijn omschrijft in art. 1, onderdeel 2 de 'benadeelde' als volgt:
"'benadeelden': zij die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade."
De Richtlijn hanteert daarnaast evenwel ook een aantal andere termen die niet worden gedefinieerd. Zo wordt in art. 10 en 11 (in het kader van het waarborgfonds) de term 'slachtoffer' gebruikt, terwijl art. 18, dat de directe actie tegen de verzekeraar voorschrijft, spreekt van 'personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden'. Deze termen lijken op een beperktere kring van personen te zien dan de term 'benadeelde'. Dat is immers een ruim begrip, dat niet alleen de rechtstreeks bij het ongeval getroffene lijkt te omvatten, maar ook rechtverkrijgenden, zoals - onder omstandigheden en afhankelijk van de inhoud van het toepasselijke recht nabestaanden, gezinsleden van de gewonde, werkgevers die een vordering wegens doorbetaald loon kunnen instellen, instanties van de sociale zekerheid die veelal een op een wettelijke bepaling gestoelde regresaanspraak hebben, en particuliere regresnemers, zoals gesubrogeerde verzekeraars. Ook zij hebben immers 'recht op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade'. Zowel het woord 'slachtoffer', als de term 'personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden' lijken een beperktere inhoud te hebben. Van anderen dan de rechtstreeks bij het ongeval betrokkene kan immers niet worden gezegd dat zij (zelf) schade aan zaken of personenschade lijden.
Op zichzelf zou een dergelijk onderscheid vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming, althans voor zover het regresnemende particuliere en sociale verzekeraars betreft, te onderbouwen zijn. Door hun uitkering is de benadeelde immers reeds schadeloos gesteld. Hetzelfde geldt voor de werkgever die het loon van de gewonde werknemer heeft doorbetaald en die op de voet van art. 6:107a BW een eigen recht op schadevergoeding heeft, al kan daar al meer ruimte voor twijfel bestaan (er zijn immers ook kleine werkgevers). Anders is dat bij andere benadeelden, zoals bijvoorbeeld familie- en gezinsleden van het gewonde of overleden slachtoffer, die een eigen recht op schadevergoeding jegens de aansprakelijke hebben.
De vraag is of de Richtlijn met deze verschillen in terminologie onderscheid heeft willen maken voor wat betreft toegang van verschillende categorieën 'benadeelden' tot de hiervoor genoemde instanties. In dit verband is het nuttig de Richtlijn ook in andere talen te lezen. De Duitse, de Engelse en de Franse versie gebruiken in art. 1, onderdeel 2, de term Geschädigte, injured party, respectievelijk personne lésée, en dat begrip heeft in die talen de in art. 1 bedoelde inhoud: zij die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade:
"Geschädigte: jede Person, die ein Recht auf Ersatz eines von einem Fahrzeug verursachten Schadens hat."
"Injured person: any person entitled to compensation in respect of any loss or injury caused by vehicles."
"Personne lésée: toute personne ayant droit à la réparation du dommage causé par des véhicules."
In art. 10 en 11 spreken deze versies van de Richtlijn van Geschädigte, victim en victime. In art. 18 wordt gesproken van Geschädigte, any party injured en personne lésée, evenals in art. 24 (waarbij ik aanneem dat onder party injured hetzelfde moet worden verstaan als onder injured party). De terminologie lijkt derhalve niet consequent gehanteerd en onderzocht moet worden of, en zo ja welke materiële consequenties daaruit moeten worden getrokken.
In dit verband is van belang hetgeen het Hof van Justitie van de EU heeft overwogen in het - hierna nog in het kader van de rechterlijke bevoegdheid nader te bespreken - Vorarlberger-arrest1Aan de rechtsoverwegingen 25 e.v. van dat arrest valt het volgende te ontlenen ten aanzien van de interpretatie van EUwetsteksten, in dit verband van het begrip 'benadeelde' in het kader van de Verordening Brussel I:
"25 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de verschillende taalversies van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 van elkaar afwijken. Zo gebruikt de Franse versie het begrip "victime", waarvan de semantische interpretatie verwijst naar de persoon die de schade rechtstreeks heeft geleden. In de versie van de procestaal, het Duits, wordt daarentegen de uitdrukking "der Geschkligte" gebruikt, wat "de getroffene" betekent. Dit woord kan niet alleen betrekking hebben op de persoon die de schade rechtstreeks heeft geleden, maar ook op degene die ze slechts indirect heeft geleden.
26 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het vereiste van een uniforme uitlegging van het gemeenschapsrecht meebrengt dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf mag worden beschouwd, maar integendeel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de tekst in de andere officiële talen (zie arresten van 12 juli 1979, Koschniske, 9/79, Jurispr. blz. 2717, punt 6; 2 april 1998, EMU Tabac e.a., C-296/95, Jurispr. blz. 1-1605, punt 36, en 9 maart 2006, Zuid-Hollandse Milieufederatie en Natuur en Milieu, C-174/05, Jurispr. blz. 1-2443, punt 20), en met het oog op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 14).
27 In casu moet worden vastgesteld dat behalve de Duitse versie ook andere taalversies van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 de uitdrukking "de getroffene" gebruiken. Dit is het geval voor de Spaanse ("persona perjudicada"), Tsjechische ("poškozený"), Deense ("skadelidte"), Estse ("kahju kannatanud pool"), Italiaanse ("persona lesa"), Poolse ("poszkodowany"), Slowaakse ("poškozený ") en Zweedse ("skadelidande") versie. Voorts heeft het Hof in punt 26 van het reeds aangehaalde arrest FBTO Schadeverzekeringen overwogen dat de verwijzing in artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 tot doel heeft de in artikel 9, lid 1, sub b, van deze verordening bedoelde opsomming van eisers aan te vullen met de personen die schade hebben geleden, zonder dat de kring van deze personen werd beperkt tot degenen die de schade rechtstreeks hebben geleden.
28 Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 44/2001 moet bijgevolg aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de getroffene."
Deze benadering gaat ook op voor de Richtlijn. Verschillende taalversies zullen in ogenschouw moeten worden genomen. In dit verband lijkt de Duitse taalversie af te wijken van de andere drie, omdat zij in alle gevallen de term Geschädigte gebruikt, waarmee de ruimste categorie wordt aangeduid.2 De Engelse gebruikt evenals de Franse versie in het kader van het waarborgfonds de beperkte term victim (victime), die in de woorden van het Vorarlberger-arrest "in de semantische interpretatie verwijst naar de persoon die de schade rechtstreeks heeft geleden". Dat komt overeen met het begrip 'slachtoffer' in de Nederlandse bewoordingen van art. 10 en 11. In het kader van de rechtstreekse vordering van art. 18 bezigen de Duitse, Engelse en Franse versies het in art. 1, onderdeel 2 van de Richtlijn gedefinieerde begrip. Daar wijkt de Nederlandse tekst af door te spreken van "personen die materiële schade of lichamelijk letsel hebben geleden".
Dit alles brengt mij tot de volgende conclusies. Waar de Nederlandse tekst de rechtstreekse vordering alleen lijkt toe te kennen aan degene die materiële schade of lichamelijk letsel lijdt, mag daaruit niet worden afgeleid dat regresnemers en anderen wier stoffelijke bezittingen of lichamelijke integriteit niet worden aangetast maar die wel aanspraak kunnen maken op vergoeding van hun schade, geen rechtstreekse vordering jegens de aansprakelijkheidsverzekeraar van de laedens ter beschikking zou moeten staan. Daarvoor wijkt de Nederlandse tekst te sterk af van de andere onderzochte. Waar de Nederlandse tekst van de Richtlijn de toegang tot het waarborgfonds beperkt tot 'slachtoffers' is dat naar het mij voorkomt wel in overeenstemming met de andere talen. Dat houdt mijns inziens overigens niet in dat anderen dan de direct getroffene zelf, zoals familie- en gezinsleden van de benadeelde, of zijn werkgever die op de voet van art. 6:107a lid 2 BW het loon van de werknemer heeft doorbetaald, geen aanspraak op vergoeding van hun schade door waarborgfonds of schadevergoedingsorgaan zouden moeten hebben.3
Dit betekent dat de Richtlijn niet aan alle categorieën van benadeelden in de zin van art. 1 dezelfde bescherming biedt. Met name particuliere en sociale verzekeraars met een regresvordering worden minder sterk beschermd. De Richtlijn laat de nationale wetgever de mogelijkheid om hun toegang tot het waarborgfonds te beperken of zelfs uit te sluiten. De Richtlijn lijkt in het kader van het schadevergoedingsorgaan zelfs nog verder te gaan: daar zou het zelfs de bedoeling zijn dat regresnemende particuliere en sociale verzekeraars zich niet tot dit orgaan kunnen wenden. Merkwaardig in dat verband is dan weer wel dat de Richtlijn in art. 24 weer de ruime term 'benadeelde' in de zin van art. 1, onderdeel 2, gebruikt. Het vraagstuk van de subsidiariteit van de waarborgfondsen en de schadevergoedingsorganen komt nader aan de orde in paragraaf 4.6.3 respectievelijk 4.8.2; de toegang tot de schaderegelaar wordt besproken in paragraaf 4.7.
Dit alles brengt mee dat bij de beoordeling van de vraag welke categorie benadeelden de Richtlijn beoogt te beschermen, steeds goed in het oog moet worden gehouden jegens wie de betrokken benadeelde zijn aanspraak geldend wil maken. Deze vraag zal steeds bij de behandeling van de aanspraken tegen de verschillende personen en organen afzonderlijk aan de orde komen.