NJ 1934, p. 945
Gebruik maken van een valsch stuk door het „doen toonen" en „doen overleggen" vau het stuk door een ander. Geen „doen plegen" in den zin van art. 47 Sr. Mogelijkheid van nadeel. Getuigeverklaring, dat een stuk in het geding werd gebracht „ten bewijze dat er betaald was".
HR 26-03-1934, ECLI:NL:HR:1934:235, m.nt. Prof. Mr. B.M. Taverne
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 maart 1934
- Magistraten
Mrs. Jhr. Feith, Taverne, Schepel, Kirberger en Donner
- Zaaknummer
[26031934/NJ_1934,_p._945]
- Conclusie
Wijnveldt
- Noot
Prof. Mr. B.M. Taverne
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS153528:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1934:235, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑1934
- Wetingang
Essentie
Gebruik maken van een valsch stuk door het „doen toonen" en „doen overleggen" vau het stuk door een ander. Geen „doen plegen" in den zin van art. 47 Sr. Mogelijkheid van nadeel. Getuigeverklaring, dat een stuk in het geding werd gebracht „ten bewijze dat er betaald was".
Samenvatting
Van „doen plegen" in den zin van art. 47 Sr. is i. c. geen sprake, daar immers ten laste van req. is bewezenverklaard, dat hij zelf van het valsche stuk heeft gebruik gemaakt en niet, dat hij van dat stuk door een ander gebruik heeft doen maken, terwijl niets er ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.