Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VIII.B
VIII.B. DE DRIE 'PRINCIPLES' VAN EXECUTELE
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS408225:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een van de ingredienten, al dan niet in combinatie met art. 4:130 BW, waarop de 'quasi-wettelijke verdeling'gebaseerd is.
Recentelijk, op 2 augustus 2006, LJN BA8931, besliste de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle nog: 'Orcom ''valt er tussenuit' nu zijbinnen de grenzen van haar bevoegdheid- dat laatste is niet in twijfel getrokken - en in naam van [A] - zijhet vooralsnog als nader te noemen meester - een rechtshandeling met VV.M. heeft verricht. Op grond van die be
paling is er derhalve een rechtstreekse contractsband ontstaan tussen [A] en VV.M.' De klemtoon werd door de rechter gelegd op lid 1 van art. 3:66 BW: 'Een door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever.' 10. D. BUSCH, Middellijke vertegenwoordiging in het Europese contractenrecht (diss. Utrecht) Deventer: Kluwer 2002, p. 23 merkt op dat de term'in naam van-vereiste' misleidend is, aangezien anders dan zij doet vermoeden niet noodzakelijk is dat de tussenpersoon de naam van de principaal ten tijde van het sluiten van het contract uitdrukkelijk noemt. Men kan zijns inziens beter spreken van het 'kenbaarheidsvereiste'. Men zou kunnen stellen dat met het noemen van de erfrechtelijke hoedanigheid executeur aan het 'kenbaarheidsvereiste' voldaan is. Veelal zal overigens in het rechtsverkeer ook de naam van de overledene genoemdworden in plaats van de namen van de erfgenamen. Wat er ook van zij, het onderscheid tussen middellijke en onmiddellijke vertegenwoordiging is voor de 'tussenfiguur'en erfrechtelijke tussenpersoon de executeur niet altijd even zwart-wit. Het in art. 3: 67 BW neergelegde beginsel kan echter zwart met wit verbinden. Ook de artikelen 7: 419-421 BW laten zien dat het onderscheid niet altijd even zwart-wit te maken is
Zoals in dit onderzoek gezien valt de erfrechtelijke verbintenis executele uiteen in drie lagen, waarbij de ene laag zich, afhankelijk van de onderliggende rechtsvraag, soms meer manifesteert dan de andere laag. Analyse van de voorliggende rechtsvraag is steeds van belang. Het bindmiddel is het beginsel van privatieve lastgeving. Wie de stap zet van 'laag' naar beginsel komt tot de conclusie dat de drietand executele gedragen wordt door de navolgende drie beginselen, en met een Europese bril drie 'Principles:'
1. Het verbintenisrechtelijke beginsel van quasi-overeenkomst van opdracht/ lastgeving (intern) Hfdst. II.A.
Voor de oplossing van vraagstukken in de interne relatie tussen erflater/erfgenamen aan de ene kant en de executeur aan de andere kant, kan aansluiting gezocht worden bij de regels van overeenkomstenrecht, te weten de regels van opdracht/lastgeving, daar waar de erfrechtelijke speciesregeling geen antwoordgeeft. Dit maakt executele echter nog niet tot een overeenkomst, maar tot een 'quasi-overeenkomst', aangezien er nog geen binding tijdens leven van erflater bestaat. Het is erflater die het 'aanbod' tot het aangaan van de rechtsverhouding heeft gedaan.
Denk in dit kader bijvoorbeeld aan de vraag of een executeur recht heeft op een onkostenvergoeding bij de vervulling van zijn werkzaamheden. De regels van opdracht/lastgeving kunnen het antwoord geven. Zie art. 7:406 lid 1 BW.Denkvoortsaanhet'zorgvuldigheidsbeginsel' dat voor iedere opdrachtnemer en derhalve ook voor de executeur geldt. Wat het slaan van bruggen betreft tussen eenzijdige erfrechtelijke rechtshandelingen en overeenkom-stenrecht dient ook niet vergeten te worden dat bijvoorbeeld in ons algemeen vermogensrecht een rechtsfiguur als volmacht aan de ene kant in beginsel, net als een uiterste wilsbeschikking, een eenzijdige rechtshandeling is, doch aan de andere kant veelal geïncorporeerdwordt in bijvoorbeeld een overeenkomst van lastgeving. Het bevreemdt dan ook niet dat in het erfrechtelijke verlengde daarvan de quasi-overeenkomst van executele zich op de grens van uiterste wilsbeschikking en overeenkomst bevindt.
2. Het goederenrechtelijke beginsel van beschikkingsonbevoegdheid van de erfgenamen; het bewindsaspect, Hfdst. II.B.
Voor een goedfunctioneren van executele dienen de erfgenamen beheers-en beschikkingsonbevoegd te zijn. Executeurs dienen door de erfgenamen zo min mogelijk 'voor de voeten' gelopen te worden bij de afwikkeling van een nalatenschap. Een beschikkingsonbevoegdheidsregel, zoals in ons stelsel art. 4:145 lid 1 BW, heeft de vereiste (vergaande) privatieve werking van executele tot gevolg.
Er kan in het verlengde van het bewindsaspect ook een verband gelegd worden tussen executele en de regeling van de kwaliteitsrekening.Eendooreen executeur beheerde bankrekening met daarop gelden die tot de nalatenschap behoren, kan onder omstandigheden gezien worden als een kwaliteitsrekening. Door de rechthebbenden hun beschikkingsbevoegdheid te ontnemen en de vertegenwoordiger enige vrijheid van handelen te geven, ontstaat vanzelf een vorm van relatief 'dual ownership' oftewel een trustachtige rechtsfiguur, ook al wordt de executeur de iure niet de rechthebbende van het banktegoed.
Eveneens in het verlengde van het bewindsaspect van executele kan de beschikkingsbevoegdheid van een executeur met afwikkelingsbewind uitgebreid worden tot de bevoegdheid om zelfstandig de nalatenschap te verdelen.In ons recht is dit geregeld in art. 4:171 BW.1
Dit afwikkelingsbewind kan ook onderdeel zijn van een, op een executeur rustende, testamentaire last. De testamentaire last is geregeld in art. 4:130 BW. Zo kan aan een executeur de last opgelegd worden om de nalatenschap op een bepaalde wijze te verdelen.
3. Het verbintenisrechtelijke beginsel van onmiddellijke vertegenwoordiging van erflater (extern), Hfdst. II. C.
Van belang is zich, bij het oplossen van de vraagstukken rond de positie van de executeur, steeds te realiseren dat een executeur niet als een vertegenwoordiger van de erfgenamen gezien dient te worden, doch als vertegenwoor-digervanerflater.
Voor ons huidige Nederlandse erfrecht wordt art. 4:145 lid 2 BW 'gecorrigeerd' door het bepaalde in art. 3:77 BW. Hiermee wordt de vertegenwoordiging van het niveau van de erfgenamen naar het niveau van de erflater getild.
De verbinding tussen het 'in naam van' vereiste van onmiddellijke vertegenwoordiging en het op 'eigen naam' handelen van de executeur kan, gelet op de erfrechtelijke 'Gleichgultigkeit', gelegdworden via het vertegenwoordi-gingsrechtelijke uitgangspunt van het handelen voor een 'nader te noemen meester' zoals in ons stelsel is neergelegdin art. 3:67 BW.2 Het is immers (nog) niet altijd 'meteen' na overlijden even duidelijk wie de rechtsopvolgers van erflater zijn. Erfgenamen dienen veelal nog opgespoord te worden ofzijn zich eventueel nog aan het 'beraden' over het al dan niet aanvaarden van de erfenis. De gedachte van handelen voor een nader te noemen meester kan in de erfrechtelijke context van executele gelezen worden als: handelen namens de nader te noemen rechtsopvolgers onder algemene titel van de erfrechtelijke meester.3
Een ander voorbeeld van een belangrijke vertegenwoordigingsrechtelijke bepaling uit titel 3.3 die op executele kan worden toegepast, is art. 3:75 lid 1 BW inzake het 'notarieel vastleggen' van het einde van een volmacht. In de praktijk is immers voor het rechtsverkeer niet altijdeven duidelijk wanneer het beheer van een executeur geëindigd is oftewel of er 'Freigabe' plaatsgevonden heeft. Het notariaat kan bij de 'publicatie' hiervan een belangrijke rol gaan spelen.
De toetsing van de juistheid van de gevonden drie lagen kwam het best tot zijn recht in het onderzoek naar de bevoegdheid van de executeur om de goederen van de nalatenschap te gelde te maken, Hfdst. IV.A. Hier bleek niet alleen het grote belang van de conclusie dat een executeur vertegenwoordiger van erflater is en niet van de erfgenamen, maar hier kwam eveneens duidelijk voor het voetlicht het verschil tussen de interne en de externe verbintenisrechtelijke aspecten van de quasi-overeenkomst, nu immers het ontbreken van een intern werkende toestemming nog niet automatisch met zich bracht dat de executeur geen vertegenwoordigingsmacht heeft. En bij de analyse van de positie van een failliete erfgenaam kwam ook de betekenis van het bewindsaspect van executele, vanzelf bovendrijven.