HR, 25-11-2016, nr. 12/05757
ECLI:NL:HR:2016:2670
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2016
- Zaaknummer
12/05757
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑11‑2016
ECLI:NL:HR:2016:2670, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2016; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑02‑2013
- Vindplaatsen
NLF 2016/0768 met annotatie van Wendy Nent
FED 2017/23 met annotatie van E. THOMAS
NLF 2017/0307
NTFR 2016/2925 met annotatie van mr. drs. A.J. Meijer
FutD 2016-2871
Viditax (FutD) 2016112507
Beroepschrift 25‑11‑2016
Cassatiemiddel 2: toepassing Staatssecretaris van Financiën d.d. 7/10/2005 CPP 2005/1510M (hierna besluit d.d. 7/10/2005).
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in bijzonder het besluit d.d. 7/10/2005.
Toelichting bij cassatiemiddel 2
In r.o. 4.2 overweegt het Hof dat partijen niet van mening verschillen over de vraag of het ferment als een drank moet worden aangemerkt.
In de uitspraak van het Hof onder kenmerk BK-SHE 09/00673 en BK-SHE 09/00674 heeft ook het Hof geconcludeerd dat deze drank moet worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN (zie r.o. 4.11).
Onbegrijpelijk en onjuist is dan ook r.o. 4.18 van het Hof, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt ….‘dat meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholpercentage de vergistingskenmerken heeft van ongezuiverde, gegiste alcohol’.
Allereerst merkt belanghebbende op dat er geen verschil van inzicht bestaat over de samenstelling van de in geschil zijnde dranken.
Voor de samenstelling van de in geschil zijnde dranken wordt kortheidshalve verwezen naar het eerder genoemde controlerapport d.d. 7/6/2007.
Daarnaast verwijst belanghebbende naar bijlage 7 van het beroepschrift d.d. 23/7/2007 bij Rechtbank Arnhem. In deze bijlage is opgenomen een rapportage van TNO d.d. 9/6/2006. TNO concludeert hierin dat ….‘the profile found is normal for fermented products….’.
Belanghebbende meent wel degelijk aan zijn bewijslast te hebben voldaan.
Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een beroep mag doen op het besluit d.d. 7/10/2005 is van belang of de in geschil zijnde dranken vallen binnen de termen van de in dit besluit genoemde dranken. Daartoe heeft belanghebbende het volgende aangevoerd.
De in geschil zijnde dranken zijn in het controlerapport d.d. 7/6/2007 beoordeeld op basis van de beleidsbesluiten 2003 en 2005 (besluit dd. 7/10/2005).
Blijkens dit controlerapport concludeert de Belastingdienst/Douane [P] dat al deze in geschil zijnde producten op basis van de beleidsbesluiten 2003 en 2005 moeten worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN!
Onbegrijpelijk is voorts dat het Hof geheel ongemotiveerd voorbij gaat aan de stelling van belanghebbende, dat dranken die blijkens genoemd controlerapport geheel vallen binnen de omschrijving van het besluit d.d. 7/10/2005 en voor 1/6/2007 worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, na 1/6/2007 door de Belastingdienst/Douane, zonder enige wijziging in regelgeving, vervolgens worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN.
Het besluit d.d. 7/10/2005 is eerst bij het besluit van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 7/12/2009 (CPP 2009/2274M) ingaande 1/1/2010 ingetrokken.
Belanghebbende meent terecht een beroep te mogen doen op toepassing van het besluit 7/10/2005.
Conclusie cassatiemiddel 2
Belanghebbende bestrijdt op bovenstaande gronden de conclusie van het Hof in r.o. 4.18 dat de inspecteur gemotiveerd de stelling van belanghebbende heeft betwist luidende …‘dat de producten voor meer dan 50 gewichtspercenten van het totale alcoholvolumegehalte de gistingskenmerken hebben van ongezuiverde, gegiste alcohol als bedoeld in het besluit van 7 oktober 2005’.
Reeds de tussen partijen bekende feiten staan een dergelijke conclusie in de weg.
Ook blijkens het controlerapport bestaat er geen verschil van mening over de samenstelling van de dranken.
De conclusie van het Hof is dus niet juist en ook overigens onbegrijpelijk.
Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan het besluit d.d. 7/10/2005 en de juiste toepassing hiervan. Op grond van deze feiten vindt de beslissing van het Hof geen steun in de wet.
Cassatiemiddel 3: beginselen behoorlijk bestuur
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Toelichting bij cassatiemiddel 3
Belanghebbende is van mening dat het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zijn geschonden.
Belanghebbende heeft in de loop van de procedure meermaals concrete voorbeelden van dranken getoond en BTI's genoemd (zie onder meer bijlagen bij pleitnota's), die qua samenstelling, voor zover het betreft de toepassing van gegiste en/of gedistilleerde alcohol, vergelijkbaar zijn met de thans in geschil zijnde ‘overige dranken’.
Belanghebbende heeft daarbij enkele BTI's van derden aangereikt ter onderbouwing van de stelling, dat de Belastingdienst/Douane soortgelijke producten niet in alle gevallen gelijk behandelt, hetgeen overigens niet door de Belastingdienst Douane is weersproken, noch weerlegd.
Ter voorkoming van misverstand: Belanghebbende is niet van mening dat hij zich kan beroepen op deze aan derden afgegeven BTI's.
Belanghebbende wenst echter wel middels toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, op gelijke wijze als derden, waaraan deze BTI's met indeling van soortgelijke producten in tariefpost 2206 GN, te worden behandeld.
De vraag is of er sprake is van enig beleid, waarop met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel een beroep kan worden gedaan. Tot meerdere ondersteuning van deze stelling dat er kennelijk sprake is van enig beleid, wordt er verwezen naar BTI's van soortgelijke producten.
Toepassing van de GN door de Belastingdienst/Douane alsmede de uitleg die men meent te mogen geven aan de GN en de toelichtingen daarop, leidt blijkens deze voorbeelden tot ongelijke behandeling, waarvoor geen enkele objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
Belastingdienst/Douane heeft in dit kader geen enkele beoordelingsmarge (marge of appreciation) omdat deze marge uitsluitend mag worden toegepast door de internationale (gemeenschaps-) instellingen.
In het kader van de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel meent belanghebbende zich te mogen beroepen op onder meer het besluit d.d. 7/10/2005, Verordening EG 600/2006 (PbL 106/blz. 5) en standpunten van de Wereld Douane Organisatie zoals verwoord in de verslagen van HSC (zie HSC NC 1111 E1a en NC 1171 E1a).
Conclusie cassatiemiddel 3
Belanghebbende is van mening dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toepassing van de (internationale) regelgeving rechtvaardigt en het Hof hieraan ten onrechte is voorbij gegaan.
Cassatiemiddel 4: Siebrand arrest ECJ C-150/08
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de toepassing van de uitspraak van het Europees hof van Justitie (ECJ C-150/08).
Toelichting bij cassatiemiddel 4
Blijkens r.o 4.5, waarbij het Hof r.o. 26 t/m 38 van ECJ C-150/08 (Siebrand-arrest) citeert, wenst het Hof deze beslissing van het ECJ in haar oordeel omtrent vraag I te betrekken en ‘in het voetspoor’ van deze uitspraak van het ECJ en uw Raad d.d. 13/9/2009 nr. 43038bis te beslissen.
Het Hof lijkt daarmee een extensieve uitleg van het Siebrand-arrest te beogen. Een dergelijke uitleg vindt geen enkele aansluiting bij de hiervoor genoemde jurisprudentie en (internationale) regelgeving.
Het Hof gaat in de overwegingen ten onrechte geheel voorbij aan hetgeen door belanghebbende is gesteld met betrekking tot het Siebrand-arrest.
In de eerste plaats ziet het Siebrand-arrest op geheel andere producten, namelijk op dranken waarbij het aandeel gedistilleerde alcohol niet in overeenstemming is met het besluit d.d. 7/10/2005.
Voorts gaat het Hof ongemotiveerd voorbij aan de uitleg door het Directoraat Generaal Taxud van de Europese Commissie over de strekking van de uitspraak van het ECJ inzake het Siebrand-arrest (zie bijlage 1 bij pleitnota 7/6/2011 Gerechtshof 's‑Hertogenbosch), waarbij DG Taxud de strekking van het Siebrand-arrest sterk beperkt.
Belanghebbende wijst erop dat DG Taxud voorts van mening is dat het Siebrand-arrest geen gevolgen heeft voor ‘traditional products of headings 2206’.
Dit steunt de stelling dat het Siebrand-arrest alleen betekenis heeft voor eindproducten, waar geen sprake is van een basisdrank in de zin van tariefpost 2206 GN.
Dit laatste sluit eveneens aan met het maltbase-arrest van uw Raad (HR 19/6/2009 nr. 44029) en het Paderborner Brauerei-arrest (ECJ C-196/10) en de nieuwe regelgeving inzake halffabricaten, zoals vastgelegd in EG-Verordening 2011 C-364.
Belanghebbende acht het onbegrijpelijk dat het Hof miskent en geheel voorbij gaat aan de interpretatie van het Siebrand-arrest door DG Taxud, omdat een van de doelstellingen van DG Taxud is bijstand te verlenen aan de lidstaten voor een correcte toepassing van ‘EU tax and customs’ en het monitoren van een juiste implementatie en toepassing van ‘tax and customs legislation’.
Belanghebbende wijst er voorts op dat het Siebrand-arrest slechts de beantwoording van prejudiciële vragen betreft en niet een bestaande rechtstoestand vaststelt en dus geen declaratoire werking heeft. Belanghebbende bestrijdt een terugwerkende kracht van het Siebrand-arrest.
In deze context wenst belanghebbende te wijzen op ECJ 16/7/2009 C-56/08 (Pärlitigu OU), in het bijzonder naar r.o. 23 luidende:
….‘Er zij aan herinnerd dat, wanneer het Hof een prejudiciële vraag krijgt voorgelegd op het gebied van de tariefindeling, het veeleer taak heeft de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan deze de betrokken producten correct in de GN kan indelen, dan zelf deze indeling te verrichten, te meer daar het Hof niet altijd over de daarvoor noodzakelijke gegevens beschikt’.
Dit betekent dat het Siebrand-arrest evenmin een constitutief karakter heeft, doch slechts als een guidance voor de nationale rechter heeft te gelden.
Overigens heeft de ‘dagelijkse praktijk’ grote problemen met de vraag wat nu de exacte strekking van het Siebrand-arrest is.
Is daarin het standpunt van de Belastingdienst/Douane, die zowel 100% vergiste dranken als vergiste dranken, waaraan in enige mate gedistilleerde alcohol is toegevoegd, indeelt in tariefpost 2208 GN of is het standpunt DG Taxud leidend.
Er is een ‘juridisch moeras’ ontstaan.
Iedere verwijzing van het Hof naar ECJ C-150/08 ter motivering van het oordeel is derhalve onjuist en onbegrijpelijk.
Conclusie cassatiemiddel 4
Belanghebbende is van mening dat het Hof de uitspraak van het ECJ in C-150/08 onjuist interpreteert, respectievelijk toepast alsmede de toelichting en uitleg van DG Taxud van het Siebrand-arrest miskent en daarmee een uniforme toepassing van (internationale) regelgeving frustreert.
Ook terugwerkende kracht kan aan het Siebrand-arrest niet worden toegedicht. Uit oogpunt van rechtszekerheid dient men geen terugwerkende kracht aan een ECJ-uitspraak omtrent prejudiciële vragen over tariefindeling te verlenen.
In geval uw Raad toch van oordeel mocht zijn dat de in geschil zijnde dranken, met inachtneming van het Siebrand-arrest, moeten worden ingedeeld in tariefpost 2208 GN, is belanghebbende van mening dat aan het Siebrand-arrest, onder verwijzing naar ECJ C-133/02 en C-134/02 (Timmermans-arrest) eerst vanaf 2010 betekenis kan worden toegekend.
Cassatiemiddel 5: Art. 90 EG-verdrag/art. 110 VWEU
Toelichting bij cassatiemiddel 5
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte voorbij gaat aan zijn stelling dat, in gevolge art. 95 EG Verdrag (thans art. 114 VWEU), wijn van druiven en wijn van vruchten gelijksoortig zijn. Dit betekent dat een ongelijke behandeling van wijn van vruchten ten opzichte van wijn van druiven leidt tot verboden discriminatie ex art. 90 EG-Verdrag.
Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende naar het lijkt met de simpele overweging dat de inspecteur gemotiveerd heeft betwist, dat de in geschil zijnde dranken niet vergelijkbaar zijn met (likeur) wijn.
De inspecteur is immers van mening dat er sprake is van een ‘gedistilleerd product’ en niet van een wijn. Deze overweging lijkt enigermate ongerijmd. Het betekent namelijk dat, in geval de Belastingdienst/Douane stelt dat er sprake is van een gedistilleerd product, ieder beroep op art. 90 EG-Verdrag wordt geblokkeerd.
Wat wil belanghebbende met een beroep op art. 90 EG-Verdrag tot uitdrukking brengen.
In gevolge art. 15 EG-Richtlijn 92/83 worden de bepalingen inzake ‘wijn’ geacht gelijk te gelden voor andere gegiste dranken.
In EG-Verordening 822/87 worden toegestane oenologische procedés en behandeling van wijnen omschreven.
In EG-Verordening 1601/91 worden onder meer aanbiedingsvormen van gearomatiseerde wijnen, gearomatiseerde dranken op basis van wijnen en gearomatiseerde cocktails omschreven. Voorts worden begrippen verzoeting, aromatisering, klaring en toevoeging van alcohol toegelicht.
Nu blijkens ECJ C-106/84 Commissie vs Denemarken wijn van druiven en wijn van vruchten als gelijksoortig in de zin van art. 95 EG-Verdrag moeten worden aangemerkt, is het volgens belanghebbende in strijd met art. 90 EG-Verdrag wijn van vruchten, waaraan water, suiker, (natuurlijke) geur-, kleur- en smaakstoffen zijn toegevoegd en vervolgens versterkt zijn met gedistilleerde alcohol, voor de heffing van accijns anders te behandelen, dan wijn van druiven die soortgelijke behandeling en toevoegingen hebben ondergaan.
Ook in ECJ C-367/93 t/m E-377/93 (Roders) r.o. 38 overweegt het Hof dat art. 95 EG-Verdrag zich richt tegen elke vorm van ongelijke behandeling, die het potentiële verbruik door bijvoorbeeld verschil in verkoopprijzen, vermindert.
Conclusie cassatiemiddel 5
Deze ongelijke behandeling leidt tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten en vormt een hinderpaal voor de werking van de interne markt.
Belanghebbende is van mening dat het Hof ten onrechte en op onjuiste gronden en overwegingen voorbij gaat aan de toepassing van art. 90 EG-Verdrag. Belanghebbende is van mening dat op grond van art. 95 EG-Verdrag wijn van vruchten dezelfde behandelingen, zoals onder meer verzoeting, aromatisering, versterking met gedistilleerde alcohol, mogen ondergaan als wijn van druiven. Voor een verschillende behandeling bestaat geen enkele rechtvaardiging.
Cassatiemiddel 6: vergoeding proceskosten
Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vorm die nietigheid met zich brengt, omdat het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend.
Toelichting bij cassatiemiddel 6
Belanghebbende is, in aanmerking nemende dat hij in het beroep in cassatie in het gelijk wordt gesteld, van mening dat de Belastingdienst/Douane lichtvaardig en derhalve in verregaande mate onzorgvuldig, zo niet onrechtmatig heeft gehandeld door een standpunt in te nemen dat naderhand door de rechter wordt vernietigd.
Belanghebbende is van mening dat er, met toepassing van art. 2 lid 3 Besluit Proceskosten Bestuursrecht, ruimte is voor een integrale proceskosten vergoeding.
Er is immers sprake van een situatie waarin de Belastingdienst/Douane tegen beter weten in de wettelijke regelingen buiten toepassing heeft gelaten, in het bijzonder de GN en het besluit d.d. 7/10/2005.
Belanghebbende is van mening dat ook in het geval zij zelf de bezwaar- en beroepsprocedure verzorgt, er niettemin sprake is van aanzienlijke proceskosten, die onder meer bestaan uit kosten wegens kosten eigen medewerkers, verletkosten en kosten van juridische bijstand door derden. Belanghebbende wenst, in geval uw Raad oordeelt tot integrale vergoeding van proceskosten, in de gelegenheid te worden gesteld de hoogte van de vergoeding te onderbouwen.
Conclusie cassatiemiddel 6
Belanghebbende is van mening dat het Hof de Belastingdienst/Douane ten onrechte niet heeft veroordeeld tot het vergoeding van de integrale proceskosten.
Eindconclusie
Belanghebbende verzoekt uw Raad, op grond van bovenstaande cassatiemiddelen, de uitspraak van het Hof te vernietigen en te beslissen dat de in geschil zijnde dranken worden ingedeeld in tariefpost 2206 GN, de uitspraak van Rechtbank te bevestigen alsmede Belastingdienst/Douane te veroordelen tot het vergoeden van griffierechten en integrale vergoeding van de kosten van het cassatieberoep.
Uitspraak 25‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Proceskosten. Art. 8:75 Awb. De enkele omstandigheid dat het gerechtshof de in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank vernietigt, levert geen grond op voor een veroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb van de inspecteur wiens hoger beroep heeft geleid tot die vernietiging en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.
Partij(en)
25 november 2016
nr. 12/05757
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 november 2012, nr. 08/00581, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/3276) betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan accijns. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep in cassatie beantwoord.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van 12 mei 2016, Toorank Productions B.V., gevoegde zaken C-532/14 en C-533/14, ECLI:EU:C:2016:337, BNB 2016/173, van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
2. Beoordeling van de door belanghebbende in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het door de Staatssecretaris in het incidentele beroep voorgestelde middel
Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende op de grond dat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd.
Het middel slaagt. De enkele omstandigheid dat het gerechtshof de in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank vernietigt, levert geen grond op voor een veroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb van de inspecteur wiens hoger beroep heeft geleid tot die vernietiging en tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep. Aangezien het Hof zijn bestreden beslissing niet van een verdere motivering heeft voorzien en voorts noch uit de uitspraak van het Hof noch uit de stukken van het geding blijkt van omstandigheden die een uitzondering op de hiervoor weergegeven regel rechtvaardigen, kan ’s Hofs uitspraak in zoverre niet in stand blijven.
4. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3 is overwogen moet verwijzing volgen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.
Beroepschrift 20‑02‑2013
Den Haag, [20 FEB 2013]
Kenmerk: DGB 2013-820M
Incidenteel beroepschrift in cassatie (rolnummer 12/05757) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 2 november 2012, nr. 08/00581, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de voldoening van accijns over het tijdvak van 1 juni 2007 tot en met 30 juni 2007.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en van artikel 1, aanhef en onderdeel a, en artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en/of van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof oordeelt dat nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, termen aanwezig zijn om de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, zulks ten onrechte, althans op gronden welke de beslissing niet kunnen dragen.
Ter toelichting merk ik het volgende op.
De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. De uitspraak van de Rechtbank is door het Hof vernietigd en het bij de Rechtbank door belanghebbende ingediende beroep is ongegrond verklaard.
Gelet op het arrest van 13 maart 1996, nr. 30 986, BNB 1996/257*, heeft als hoofdregel te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (HR 20 december 1995, nr. 30 728, V-N 1 februari 1996, blz. 525–528). Een veroordeling kan ook volgen indien de bestreden uitspraak wordt bevestigd. Een voorbeeld daarvan is te vinden in het arrest van 24 augustus 1995, nr. 30 416, BNB 1996/124*. In dat geval had het Hof als volgt beslist.
‘—6.5.
Hoewel aan belanghebbende kan worden toegegeven dat haar standpunt steun vindt in de letterlijke tekst van post a.4, onderdeel b, van Tabel I, moet — naar 's Hofs oordeel — uit hetgeen onder 6.1 tot en met 6.4 is overwogen worden afgeleid dat, nu — naar overigens niet in geschil is — de onderwerpelijke hommelkolonies niet zijn aan te merken als voedingsmiddelen als daar bedoeld, noch kunnen worden gerangschikt onder de posten a 20 en 26 van Tabel I zoals die luidden vóór 1 januari 1989, naar de bedoeling van de wetgever de levering van deze hommelkolonies niet is onderworpen aan het verlaagd tarief van omzetbelasting. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de Inspecteur.
7. Proceskosten
In het onder 6.5 overwogene, vindt het Hof aanleiding om de Inspecteur in de proceskosten te veroordelen. Het gaat hier om de kosten van de door belanghebbendes gemachtigde verleende rechtsbijstand, bestaande in het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de mondelinge behandeling van de zaak. Deze kosten worden — forfaitair — vastgesteld op ƒ 1420 (2 punten à 710 met wegingsfactor 1). De Staat is de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Tevens gelast het Hof dat door de Inspecteur, gelet op het bepaalde in artikel 5, lid 7, laatste volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, het griffierecht ad ƒ 75 aan belanghebbende wordt vergoed.
8. Beslissing
Het Gerechtshof handhaaft de naheffingsaanslag waarvan beroep, veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op ƒ 1420 aan kosten voor de gemachtigde, onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden en gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep gestorte griffierecht van ƒ 75.’
In het arrest van 24 augustus 1995, nr. 30 416, BNB 1996/124*, geeft het Hof een motivering voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De motivering voor de toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat in het onderhavige geval uitsluitend uit de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. De uitspraak van het Hof zou meebrengen dat de inspecteur altijd veroordeeld zou worden in de proceskosten bij een door hem ingesteld hoger beroep. Een dergelijke rechtsopvatting acht ik onjuist.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco