RvS, 09-07-2014, nr. 201107869/1/A2
ECLI:NL:RVS:2014:2489
- Instantie
Raad van State
- Datum
09-07-2014
- Zaaknummer
201107869/1/A2
- LJN
BX2594
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2014:2489, Uitspraak, Raad van State, 09‑07‑2014; (Hoger beroep)
ECLI:NL:RVS:2012:BX2594, Uitspraak, Raad van State, 25‑07‑2012; (Tussenuitspraak bestuurlijke lus)
- Wetingang
art. 5 Besluit gebruik meststoffen
- Vindplaatsen
JBO 2014/130 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2012/116 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2012/68 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Uitspraak 09‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Bij uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201107869/1/T1/A2; hierna: de verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op drie vragen, de behandeling van het hoger beroep van [appellant] geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak wordt naar de verwijzingsuitspraak, die is aangehecht, verwezen.
201107869/1/A2.
Datum uitspraak: 9 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], wonend te Meerkerk, gemeente Zederik (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 8 juni 2011 in zaak nr. 10/8992 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.
Procesverloop
Bij uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201107869/1/T1/A2; hierna: de verwijzingsuitspraak) heeft de Afdeling het Hof van Justitie verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op drie vragen, de behandeling van het hoger beroep van [appellant] geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het procesverloop voorafgaande aan deze uitspraak wordt naar de verwijzingsuitspraak, die is aangehecht, verwezen.
Bij arrest van 27 februari 2014 in zaak C-396/12, inzake [appellant], (www.curia.europa.eu) heeft het Hof deze vragen beantwoord. Het arrest is aangehecht.
[appellant] heeft een reactie ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 6 mei 2014, waar [appellant], bijgestaan door C. Blokland, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Voor de weergave van de bepalingen die in deze zaak van toepassing zijn en voor de voor het geschil relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak.
2. De Afdeling heeft bij verwijzingsuitspraak het Hof de volgende vragen voorgelegd:
1. Hoe dient de term "opzettelijke niet-naleving" in artikel 51, eerste lid, van de Verordening (EG) 1698/2005 (…), artikel 23, van Verordening (EG) 1975/2006 (…), en artikel 67, eerste lid, van Verordening (EG) 796/2004 (…) te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in artikel 8, tweede lid, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna: de Beleidsregels)?
2. Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling "opzettelijk" niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:
a. in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen;
b. de desbetreffende randvoorwaarde complex is;
c. er langdurig bestendig beleid is;
d. er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is;
e. de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en
f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft?
3. Kan de begunstigde van de subsidie "opzet" van de "niet-naleving" worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?
3. Het Hof heeft in het dictum onder punt 1 voor recht verklaard:
"Het begrip "opzettelijke niet-naleving" in de zin van artikel 67, lid 1, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, en artikel 23 van verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling, moet aldus worden uitgelegd dat daarvoor sprake moet zijn van een inbreuk op de voorschriften inzake randvoorwaarden die is gepleegd door een steunontvanger die een toestand van niet-overeenstemming met deze randvoorwaarden beoogt of die - zonder dat hij dit doel voor ogen heeft - de mogelijkheid dat die niet-naleving zich voordoet, aanvaardt. Het recht van de Unie staat niet in de weg aan een nationale bepaling, zoals die in het hoofdgeding, die een hoge bewijswaarde toekent aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, voor zover de steunontvanger de mogelijkheid heeft om in voorkomend geval het bewijs te leveren dat zijn gedragen niet opzettelijk was".
4. Het Hof heeft in het dictum onder punt 2 voor recht verklaard:
"Artikel 67, lid 1, van verordening nr. 796/2004 en artikel 23 van verordening nr. 1975/2006 moeten aldus worden uitgelegd dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van voornoemde derde".
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet vanwege het enkele bestaan van langdurig bestendig beleid een "opzettelijke niet-naleving" kon aannemen. Het college had volgens [appellant] rekening moeten houden met alle omstandigheden.
5.1. Uit het arrest van het Hof volgt dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat het college bij de beoordeling van het begrip "opzettelijke niet-naleving" een hoge bewijswaarde toekent aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, voor zover de subsidieontvanger gelegenheid wordt geboden bewijs te leveren dat niet opzettelijk is gehandeld. Voorts dient, wanneer de overtreding door een derde is begaan, wat betreft de positie van de subsidieontvanger te worden bezien of opzet of nalatigheid kan worden aangenomen door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies.
5.2. Het college heeft in het besluit van 2 december 2010 opzettelijke niet-naleving door [appellant] van de randvoorwaarde dat mest emissiearm moet worden uitgereden, aangenomen op de enkele grond dat die randvoorwaarde langdurig bestendig beleid betreft als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels. Het college heeft aan [appellant] niet de gelegenheid geboden tegenbewijs te leveren, noch op enige wijze beoordeeld of de overtreding van de derde, namelijk [medewerker], de loonwerker die de mest heeft uitgereden, aan [appellant] kan worden toegerekend. Reeds daarom kan dat besluit niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
6. In het kader van de definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling bezien of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.
7. [appellant] betoogt dat uit het oordeel van het Hof en met name punt 2 van het dictum dat een begunstigde aansprakelijk "kan" worden gesteld voor het handelen van een derde volgt dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet een korting op de subsidie toe te passen.
7.1. Het betoog faalt. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van Verordening 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 wordt - samengevat weergegeven - een korting toegepast op verstrekte subsidie wanneer de desbetreffende subsidieontvanger een randvoorwaarde overtreedt. Zoals uit punt 29 van het arrest van het Hof kan worden afgeleid, is deze bepaling dwingend geformuleerd en laat deze de lidstaat en daarmee het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de subsidieregeling geen ruimte daarvan af te wijken.
8. Het betoog van [appellant] dat uit artikel 65, tweede lid, van Verordening 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004, zoals dat luidde ten tijde van de beweerdelijke overtreding, volgt dat de subsidieontvanger zelf de overtreding moet hebben begaan, faalt, gelet op dictum nr. 2 van het arrest van het Hof, evenzeer.
9. De Afdeling zal voorts ingaan op hetgeen [appellant] als tegenbewijs heeft aangevoerd.
10. [appellant] betoogt dat hem, gelet op de omstandigheden van het geval, geen opzet kan worden verweten. De geconstateerde overtreding betrof slechts een klein stuk land, dat niet vlak was en vertrapt door koeien. Door regenval hadden zich her en der plassen gevormd. Van te voren was niet te voorzien dat op dit stuk land de mest niet overeenkomstig de randvoorwaarden zou kunnen worden uitgereden. Toen bleek dat zulks het geval was, was het niet mogelijk om te stoppen met het uitrijden, aldus [appellant]. Daarnaast is het volgens hem, gezien de grootte van zijn bedrijf, niet realistisch te verlangen dat hij te allen tijde toezicht houdt op dergelijke werkzaamheden. De machine waar de mest mee werd uitgereden, voldeed aan alle vereisten en hij had jarenlang goede ervaringen met het loonwerkersbedrijf dat de werkzaamheden verrichtte. Bovendien heeft de politierechter uitgesproken dat [medewerker] de mest niet opzettelijk niet emissiearm heeft uitgereden, zodat reeds daarom ook [appellant] geen opzet kan worden toegerekend.
10.1. Uit dictum nr. 2 van het arrest van het Hof volgt dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, de begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van voornoemde derde.
10.2. [appellant], de steunontvanger, heeft [loonwerkersbedrijf], waar [medewerker], de derde, in dienst was, de opdracht gegeven het land te bemesten. [appellant] heeft niet betwist dat hij geen verdere instructies heeft gegeven aan [medewerker]. Het college heeft tijdens de zitting bij de Afdeling op 6 mei 2014 overtuigend betoogd, dat [appellant] bekend is met de stukken land die door hun ligging een risico vormen bij bemesting en dat [appellant] als ervaren agrariër bekend moet worden geacht met de risico’s die vertrapping en hevige regenval op de avond voor het uitrijden van de mest meebrengen. Deze omstandigheden hadden voor [appellant] aanleiding moeten zijn om hetzij voor aanvang van de werkzaamheden [medewerker] specifieke instructies te geven over het al dan niet uitrijden van de mest op stukken land die al erg drassig waren, hetzij tijdens de werkzaamheden zodanig toezicht te houden dat onmiddellijk ingrijpen mogelijk was op het moment dat emissiearm uitrijden op deze plekken niet mogelijk bleek. Dat de machine waar de mest mee werd uitgereden voldeed aan de vereisten, maakt dit niet anders. Evenmin is van belang dat het bedrijf van [appellant] een groot aantal hectaren bestrijkt. Aan subsidieontvangers die een groot bedrijf hebben worden niet minder hoge eisen gesteld dan aan subsidieontvangers met een klein bedrijf.
10.3. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd dat hij in weerwil van het bestendig beleid de randvoorwaarde niet opzettelijk heeft overtreden. Tevens heeft het college terecht aangenomen dat [appellant] tekort is geschoten in het op [medewerker] uitgeoefende toezicht en de aan hem gegeven instructies, zodat de gedraging van [medewerker] aan [appellant] kon worden toegerekend. Dat de politierechter [medewerker] geen opzet heeft aangerekend, maakt dit niet anders, nu het Hof, gelet op de laatste zin van dictum nr. 2, het karakter van de gedraging van de loonwerker niet bepalend acht.
11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 december 2010 van het college alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen, gelet op hetgeen is overwogen onder 10.3, dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
12. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juni 2011 in zaak nr. 10/8992;
III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 december 2010, kenmerk 466-2757;
IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.619,22 (zegge: vierduizend zeshonderdnegentien euro en tweeëntwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Borman w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2014
362-729.
Uitspraak 25‑07‑2012
Inhoudsindicatie
De Afdeling verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen: 1. Hoe dient de term "opzettelijke niet-naleving" in art. 51, lid 1, van Verordening (EG) 1698/2005, art. 23 van Verordening (EG) 1975/2006, en art. 67, lid 1, van Verordening (EG) 796/2004, te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in art. 8, lid 2, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid? 2. Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling "opzettelijk" niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan: a. in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen; b. de desbetreffende randvoorwaarde complex is; c. er langdurig bestendig beleid is; d. er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is; e. de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en f. de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft? 3. Kan de begunstigde van de subsidie "opzet" van de "niet-naleving" worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?
Partij(en)
201107869/1/T1/A2.
Datum uitspraak: 25 juli 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Verwijzingsuitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Meerkerk, gemeente Zederik (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 2011 in zaak nr. 10/8992 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2010 heeft het college de aan [appellant] voor agrarisch natuurbeheer verleende subsidie lager vastgesteld.
Bij besluit van 2 december 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2012, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door C. Blokland, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.E.B. Haazen, zijn verschenen. Het onderzoek is daar gesloten.
De Afdeling heeft het onderzoek heropend. De zaak is door de enkelvoudige kamer vervolgens verwezen naar een meervoudige.
De Afdeling heeft partijen medegedeeld dat zij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) mogelijk zal verzoeken om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op te stellen vragen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de aan het Hof te stellen vragen te reageren.
[appellant] en het college hebben elk een reactie ingediend.
2. Overwegingen
2.1.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, van Verordening 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277), zoals gewijzigd bij Verordening 74/2009 van de Raad van 19 januari 2009 (PB L 30) (hierna: Verordening 1698/2005), wordt het totaalbedrag van de betalingen die aan de begunstigde voor dat kalenderjaar zijn of moeten worden toegekend, verlaagd of geannuleerd overeenkomstig de volgens lid 4 vastgestelde gedetailleerde bepalingen, indien de voorgeschreven beheerseisen of de goede landbouw- en milieucondities op enigerlei tijdstip in een bepaald kalenderjaar (hierna: het "betrokken kalenderjaar" genoemd) niet worden nageleefd en de niet-naleving het gevolg is van een handelen of nalaten dat rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de begunstigde die de steunaanvraag, als bedoeld in artikel 36, onder a, I tot en met V, en onder b, I, IV en V, in het betrokken kalenderjaar heeft ingediend.
Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, worden de gedetailleerde bepalingen voor de verlagingen en uitsluitingen vastgesteld volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling van de niet-naleving, alsook met de volgende criteria: in het geval van opzettelijke niet-naleving bedraagt het verlagingspercentage in principe ten minste 20% en kan het tot volledige uitsluiting van één of meer steunregelingen gaan en voor één of meer kalenderjaren gelden.
Ingevolge artikel 23 van Verordening 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 1698/2005 (PB L 277) (hierna: Verordening 1975/2006), wordt, onverminderd artikel 51, tweede lid, van Verordening 1698/2005, wanneer een niet-naleving wordt geconstateerd, een korting toegepast op het totale bedrag aan steun in het kader van artikel 36, onder a, I tot en met V, en onder b, I, IV en V, van die verordening dat aan de begunstigde is of moet worden toegekend op grond van de betalingsaanvragen die hij in de loop van het kalenderjaar van de betrokken bevinding heeft ingediend of nog zal indienen. […] In het geval van een opzettelijke niet-naleving wordt de korting berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 67, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004, houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141) (hierna: Verordening 796/2004).
Ingevolge artikel 67, eerste lid, van Verordening 796/2004 geldt, onverminderd artikel 71, dat, indien de geconstateerde niet-naleving door de landbouwer met opzet is begaan, de korting die moet worden toegepast op het totale bedrag, als bedoeld in artikel 66, lid 1, eerste alinea, in de regel 20% van dat totale bedrag beloopt. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling die de bevoegde controleautoriteit overeenkomstig artikel 48, eerste lid, onder c) in het controleverslag heeft gegeven, besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15 % of, in voorkomend geval, dat percentage te verhogen, waarbij het betaalorgaan tot 100 % van dat totale bedrag kan gaan.
Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder h, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Zuid-Holland (hierna: SAN), zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, is de subsidieontvanger verplicht aan de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne te voldoen, hetgeen betekent dat hij op het tijdstip zijn bedrijf uitoefent met inachtneming van de bij of krachtens de Flora- en faunawet, de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Wet bodembescherming, de Meststoffenwet, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren, de Kaderwet Diervoeders en de Plantenziektewet geldende normen.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen, dat is vastgesteld ter implementatie van Richtlijn 91/676/EEG inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L375), is het verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend.
Volgens artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zoals deze luidden ten tijde van belang, (hierna: de Beleidsregels), wordt, indien in strijd wordt gehandeld met de verplichtingen, bedoeld in artikel 3 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, de inkomenssteun, behoudens overmacht en het in het derde lid geregelde, gekort met een percentage dat afhankelijk is van:
- -
de beoordeling van een niet-naleving,
- -
het aantal niet-nalevingen, en
- -
het beleidsterrein, waartoe de overtreden randvoorwaarden behoren.
Volgens het tweede lid gebeurt de beoordeling van een niet-naleving aan de hand van vier criteria:
- a.
herhaling;
- b.
omvang;
- c.
ernst;
- d.
permanent karakter.
Volgens het vierde lid zijn de randvoorwaarden per beleidsterrein opgenomen in de bijlage.
Volgens artikel 8, eerste lid, zoals deze regel luidde ten tijde van belang en voor zover van belang, bedraagt de korting voor opzettelijke niet-naleving van een eis of norm in de regel 20 %.
Volgens het tweede lid gebeurt de beoordeling van opzet in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:
- a.
in de omschrijving van de betrokken randvoorwaarde wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd;
- b.
de mate van complexiteit van de desbetreffende randvoorwaarde;
- c.
de vraag of sprake is van langdurig bestendig beleid;
- d.
de vraag of sprake is van een actieve handeling, dan wel bewust nalaten van een handeling;
- e.
de omstandigheid dat de landbouwer eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde;
- f.
de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd.
Onder 4.8 van de bijlage is als randvoorwaarde de verplichting om de dierlijke mest emissiearm aan te wenden vermeld.
2.2.
In verband met de aan [appellant] verleende inkomenssteun en subsidie voor agrarisch natuurbeheer heeft de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (voorheen: het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna: de AID) op zijn bedrijf op 13 maart 2009 een controle op de naleving van de randvoorwaarden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zoals vermeld in de Beleidsregels, gehouden.
Daarbij is geconstateerd dat bij het uitrijden van mest artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen niet is nageleefd, omdat dierlijke meststoffen op niet-emissiearme wijze werden uitgereden. Het desbetreffende perceel grasland werd op dat moment in opdracht van [appellant] door een loonwerker in dienst van een loonbedrijf bemest.
Naar aanleiding van die constatering is het besluit van 9 juli 2010 genomen, uitgaande van een kortingspercentage van 20 % wegens opzettelijke niet-naleving. Het niet-emissiearm uitrijden van de mest door de loonwerker is daarbij [appellant] aangerekend. Aan het besluit van 2 december 2010 is ten grondslag gelegd dat het verbod op niet-emissiearm uitrijden van mest langdurig bestendig beleid in de zin van artikel 8, tweede lid, onder c, van de Beleidsregels is.
2.3.
[appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hem ten onrechte opzettelijke niet-naleving is verweten. Daartoe voert hij onder meer aan dat gekozen is voor een zo emissie-arm mogelijk uitrijdsysteem bij omstandigheden die leiden tot zo min mogelijk emissie, in aanmerking nemend dat zijn perceel zich in een bijzonder drassige omgeving bevindt. Bovendien, zo betoogt [appellant], heeft zij miskend dat de gedraging van de loonwerker, ten aanzien waarvan de politierechter Dordrecht heeft geoordeeld dat deze daarbij niet opzettelijk heeft gehandeld, hem niet kan worden aangerekend.
2.3.1.
Het college pleegt aan de hand van de in artikel 8, tweede lid, van de Beleidsregels neergelegde criteria te beoordelen of de randvoorwaarde opzettelijk niet is nageleefd. Deze beleidsregels zijn sinds 1 januari 2007 ook op de SAN van toepassing. Uit de toelichting op de Beleidsregels valt af te leiden dat bedoeld is dat de in artikel 8 vermelde criteria afzonderlijk, dan wel twee of meer gezamenlijk, tot de conclusie kunnen leiden dat de niet-naleving opzettelijk is en in geval van overtreding van artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen opzet wordt aangenomen.
2.3.2.
Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een randvoorwaarde opzettelijk niet is nageleefd, zal "opzettelijke niet-naleving" in het algemeen aangenomen kunnen worden, wanneer een landbouwer een handeling verricht of doet verrichten, terwijl hij weet of behoort te weten dat hij daarmee in strijd handelt met een of meer van de voorgeschreven beheerseisen. Thans moet onderzocht worden of de rechtbank met juistheid tot het oordeel is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de enkele omstandigheid dat het verbod op niet-emissiearm uitrijden van mest "langdurig bestendig beleid" is, ertoe leidt dat de voorgeschreven beheerseisen "opzettelijk" niet zijn nageleefd, ook als dat is gedaan door een derde die in opdracht van de landbouwer werkzaamheden uitvoert.
2.3.3.
De subsidieverlening heeft plaatsgevonden op de voet van Verordening 1698/2005. Artikel 51 ziet op de in geval van opzettelijke niet-naleving van de voorgeschreven beheerseisen op te leggen korting. In deze bepaling, noch in artikel 23 van Verordening 1975/2006 of artikel 67 van Verordening 796/2004, is de betekenis van de term "opzettelijk" nader omschreven.
2.3.4.
Het Hof heeft onder meer in het arrest van 6 maart 2003, C-245/00, Stichting ter Exploitatie van Naburige Rechten tegen de Nederlandse Omroep Stichting, onder 23 tot en met 34 (www.curia.europa.eu) overwogen dat "als algemene regel dient te gelden dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling. Die termen dienen in dier voege te worden toegepast dat elke lidstaat op zijn grondgebied de meest relevante criteria vaststelt om er binnen de door het gemeenschapsrecht en met name door deze richtlijn gestelde grenzen voor te zorgen dat dit communautaire begrip wordt geëerbiedigd".
Nu in Verordening 1698/2005, in Verordening 1975/2006, noch Verordening 796/2004, wat betreft de term "opzettelijke niet-naleving" uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten wordt verwezen, dient de term "opzettelijke niet-naleving" derhalve Unierechtelijk te worden uitgelegd.
2.3.5.
Het Hof heeft zich eerder, onder meer in het arrest van 21 december 2011, C-72/11, Afrasiabi e.a., (www.curia.europa.eu) uitgelaten over de betekenis van de termen "bewust" en "opzettelijk". In dit arrest ging het verzoek om de uitlegging van artikel 7, leden 3 en 4, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1, met rectificatie in PB L 180, blz. 45). Onder 68 heeft het Hof overwogen dat artikel 7, lid 4, van verordening nr. 423/2007 aldus moet worden uitgelegd dat de termen "bewust" en "opzettelijk" de cumulatieve elementen van wetenschap en wil veronderstellen, die aanwezig zijn, wanneer de persoon die aan een activiteit met een dergelijk doel of een dergelijk gevolg deelneemt, dit opzettelijk tracht te bereiken of het op zijn minst mogelijk acht dat zijn deelname een dergelijk doel of gevolg kan hebben en deze mogelijkheid op de koop toe neemt. Het arrest betrof een zaak die betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en niet zeker is dat deze uitleg in deze zaak toepasselijk is. Het Hof heeft zich nog niet over de betekenis van de term "opzettelijke niet-naleving" in artikel 51 van Verordening 1698/2005, artikel 23 van Verordening 1975/2006 en artikel 67 van Verordening 796/2004 uitgesproken. Daarbij valt op te merken dat deze bepalingen in de Franse versie niet eenduidig zijn. In artikel 51, vierde lid onder b, van Verordening 1698/2005 is vermeld: "en cas de non-respect délibéré" in artikel 23, derde alinea van Verordening 1975/2006 is vermeld: "lorsque la non-conformité revêt un caractère intentionnel" en in artikel 67, eerste lid, van Verordening 796/2004 is vermeld: "si le cas de non-corformité intentionnelle". Dit brengt de Afdeling, op de voet van artikel 267, derde alinea van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), ertoe het Hof de volgende vraag te stellen:
Vraag 1:
Hoe dient de term "opzettelijke niet-naleving" in artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) 1698/2005, artikel 23, van Verordening (EG) 1975/2006, en artikel 67, eerste lid, van Verordening (EG) 796/2004, te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in artikel 8, tweede lid, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?
2.3.6.
Meer concreet is van belang, of de Nederlandse beleidsregels leiden tot een juiste toepassing van die bepalingen. Dit brengt de Afdeling tot de volgende vraag:
Vraag 2:
Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling "opzettelijk" niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:
- a.
in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen;
- b.
de desbetreffende randvoorwaarde complex is;
- c.
er langdurig bestendig beleid is;
- d.
er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is;
- e.
de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en
- f.
de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft?
2.3.7.
Van belang is voorts of onjuiste gedragingen van de loonwerker de begunstigde aangerekend mogen worden. Deze vraag is aan het Hof voorgelegd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb). Het heeft hem bij uitspraak van 25 oktober 2011 in zaak 10/454 verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de vraag of artikel 23, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aldus moet worden uitgelegd, dat aan de landbouwer die een steunaanvraag heeft ingediend een verlaging of uitsluiting wordt opgelegd, zoals die ter zake van de geconstateerde niet-naleving zou zijn opgelegd aan de feitelijke overtreder, aan wie of door wie de grond is overgedragen, als die overtreder de aanvraag zelf had ingediend, of dat de bepaling uitsluitend betekent, dat de geconstateerde niet-naleving aan de indiener van de steunaanvraag wordt toegerekend, maar moet bij de besluitvorming over de (hoogte van de) verlaging of uitsluiting nog worden vastgesteld in welke mate nalatigheid, schuld of opzet van de landbouwer zelf bestaat. Het Hof heeft deze zaak geregistreerd onder nummer C-11/12 (PB EU 31 maart 2012, C-98/12). Nu [appellant] betoogt dat hem geen opzet mocht worden verweten, omdat hij het werk te goeder trouw heeft doen uitvoeren door een loonwerker, teminder nu de politierechter Dordrecht heeft geoordeeld dat deze bij het begaan van de overtreding niet opzettelijk heeft gehandeld, ziet de Afdeling aanleiding zich aldus bij deze vraag aan te sluiten:
Vraag 3:
Kan de begunstigde van de subsidie "opzet" van de "niet-naleving" worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?
2.3.8.
Gelet op het vorenstaande, zal de behandeling van het hoger beroep worden geschorst, als na te melden.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
- I.
verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:
1. Hoe dient de term "opzettelijke niet-naleving" in artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) 1698/2005, van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277), zoals gewijzigd door Verordening 74/2009 van de Raad van 19 januari 2009 (PB L 30), artikel 23, van Verordening (EG) 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 1698/2005 (PB L 277), en artikel 67, eerste lid, van Verordening (EG) 796/2004, van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 141), te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in artikel 8, tweede lid, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?
2. Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling "opzettelijk" niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:
- a.
in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen;
- b.
de desbetreffende randvoorwaarde complex is;
- c.
er langdurig bestendig beleid is;
- d.
er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is;
- e.
de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en
- f.
de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft?
3.
Kan de begunstigde van de subsidie "opzet" van de "niet-naleving" worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?
- II.
schorst de behandeling van de zaak;
- III.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2012
362-729.