HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511, NJ 2021/347 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.
HR, 17-12-2024, nr. 22/01769
ECLI:NL:HR:2024:1877
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-12-2024
- Zaaknummer
22/01769
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1877, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑12‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1218
ECLI:NL:PHR:2024:1218, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1877
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0340
NTS 2024/59
Uitspraak 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen aanwezig hebben van grote hoeveelheid hennepplanten (3.C Opiumwet) en medeplegen diefstal van stroom t.b.v. hennepkwekerij (art. 311.1.4 Sr). Bewijsklacht medeplegen diefstal van stroom. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Betrokkenheid verdachte bij de teelt van hennep brengt op zichzelf nog niet mee dat verdachte zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van elektriciteit, ook al weet hij wat zich in zijn pand afspeelt. Hof heeft in bewijsvoering geen zelfstandige aandacht besteed aan diefstal van elektriciteit. Niet blijkt van concrete gedragingen van verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij hennepteelt volgt, terwijl hof de verdachte heeft vrijgesproken van (medeplegen) hennepteelt. Bewezenverklaring kan, v.zv. die inhoudt dat verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen elektriciteit heeft weggenomen, dan ook niet uit bewijsvoering worden afgeleid en is daarom onvoldoende gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01769
Datum 17 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2022, nummer 21-003499-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben K. Renssen en S.W. Teuwen, beiden advocaat in 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en de strafoplegging, waaronder de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 2 tenlastegelegde diefstal door twee of meer verenigde personen.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen aanwezig hebben hennepplanten en medeplegen diefstal elektriciteit. Het bewezenverklaarde tezamen en in vereniging met een of meer anderen elektriciteit wegnemen is ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en in zoverre terugwijzing van de zaak.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01769
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 29 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens medeplegen van aanwezig hebben van hennepplanten en medeplegen van diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is op 13 mei 2022 ingesteld namens de verdachte. K. Renssen en B. Teuwen, beiden advocaat in 's‑Gravenhage, hebben één middel van cassatie voorgesteld. In het middel wordt geklaagd over het bewezenverklaarde medeplegen van diefstal van stroom.
1.3
De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat de bewezenverklaarde “diefstal van stroom in vereniging” niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Het hof heeft de verdachte onder vrijgesproken van het medeplegen van het opzettelijk telen van hennep en heeft hem veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1299 hennepplanten. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode 09 september 2014 tot en met 11 november 2014 te Aalten tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s).”
2.3
Deze bewezenverklaring berust op de door het hof in een aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik hier verwijs. De gebruikte bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in:
a) Een verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende
- dat hij is gevraagd om een pand te huren zodat men daarin een hennepplantage kon inrichten;
- dat hem een vast bedrag van € 5.000,- is beloofd voor het huren van het pand;
- dat de mensen voor wie hij het pand huurde, de onderhuurders, intimiderend waren;
- dat hij nooit in de plantage is geweest en dat het niet de bedoeling was dat hij daar iets ging ondernemen;
- dat hij er de eerste drie maanden regelmatig moest zijn van de onderhuurders;
- dat hij er door de week elke dag was;
- dat hij daar een beetje ging internetten, wat bellen, dat hij niet veel te doen had;
- dat hij met de onderhuurders communiceerde via briefjes, en dat één keer per week deed;
- dat hij panelen heeft besteld voor de plantage en dat de onderhuurder de panelen naar binnen heeft gebracht;
- dat hij alleen het pand hoefde te huren en dat de onderhuurders gas/water/elektriciteit zouden betalen;
- dat hij niet wist of zij zaken m.b.t. gas/water/elektriciteit geregeld hadden;
- dat hij daar geen duidelijke afspraken over heeft gemaakt omdat de afspraak was dat hij € 5.000,- zou krijgen, en
- dat hij nooit een nota heeft gekregen voor stroom.
b) Een verklaring van de eigenaar van het pand inhoudende
- dat hij tussen 25 augustus en 11 november 2014 één keer fysiek contact heeft gehad met de verdachte om de meterstand op te nemen en dat er toen een andere man bij was, en
- dat hij af en toe meerdere auto’s bij het pand zag staan.
c) Een verklaring van de getuige [betrokkene 1] inhoudende
- dat er regelmatig drie potige mannen bij het pand kwamen die zich niet graag in het gezicht lieten kijken en altijd heel snel in het pand naar binnen gingen.
d) Een verklaring van verbalisanten inhoudende
- dat in het door de verdachte gehuurde pand een hennepkwekerij met planten aanwezig was en dat deze in de loodsruimte door middel van isolatiewanden was afgeschermd, en
- dat de stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door een fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder Liander en dat werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.
e) Een verklaring van [betrokkene 2] namens Liander N.V. inhoudende dat verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie zijn geconstateerd, te weten:
- dat aan de onderzijde van de zekeringhouders een illegale 3 fasen elektriciteitsaansluiting was gemaakt die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit;
- dat door de manipulatie de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter werd geregistreerd;
- dat er minimaal 57.830 kWH illegaal is afgenomen ten behoeve van de hennepplantage, en
- dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken.
2.4
De verdachte is ook door de rechtbank veroordeeld voor dit feit. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 15 april 2022 blijkt dat de advocaat-generaal vrijspraak heeft gevorderd voor de diefstal van stroom, omdat “er (…) te weinig bewijs (is) voor medeplegen van diefstal van stroom zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken”.
2.5 “
“In gevallen als het onderhavige, waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat de elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij, kort gezegd, ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient die diefstal zelfstandige aandacht in de bewijsvoering”.1.Het hof Heeft dat in dit geval niet gedaan.
2.6
De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt op zichzelf nog niet mee dat de verdachte zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van elektriciteit, ook al weet hij wat zich in zijn pand afspeelt.2.Een en ander geldt ook bij het medeplegen van deze diefstal.3.Wel kunnen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit.4.
2.7
Van dergelijke gedragingen blijkt in deze zaak niet. Integendeel: uit de bewijsmiddelen blijkt (i) dat de verdachte nooit in de plantage is geweest, (ii) dat het niet de bedoeling was dat hij daar iets ging ondernemen, (iii) dat de onderhuurders gas/water/elektriciteit zouden betalen en dat de verdachte niet wist of zij zaken met betrekking tot gas/water/elektriciteit geregeld hadden en (iv) dat hij nooit een nota heeft gekregen voor stroom. Dat de eigenaar van het pand een keer fysiek contact heeft gehad met de verdachte om de meterstand op te nemen maakt het voorgaande niet anders. Bovendien heeft het hof de verdachte vrijgesproken van (het medeplegen van) het telen van hennep.
2.8
De bewezenverklaring kan, voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen elektriciteit heeft weggenomen, dan ook niet uit de bewijsvoering worden afgeleid en is daarom onvoldoende gemotiveerd. In het middel wordt daarover terecht geklaagd.5.
3. Slotsom
3.1
Het middel is terecht voorgesteld.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 13 mei 2022 tot aan deze conclusie meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen – of, wanneer dat niet het geval is, de Hoge Raad zelf – zal met deze overschrijding rekening dienen te houden.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft
i. de beslissingen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit,
ii. de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en
iii. de strafoplegging, waaronder de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel,
en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511, NJ 2021/347 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:994, rov. 2.3.1.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511, NJ 2021/347 m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4.
Vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218, rov. 2.4., HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1285 onder 3.3.2 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:994, rov. 2.3.2.