Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.1:7.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946191:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 1, paragraaf 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken is de historische achtergrond van de regeling van klachtdelicten inzichtelijk gemaakt en is in kaart gebracht hoe daaraan tegenwoordig invulling wordt gegeven. Ook is de rechtsfiguur van het klachtdelict vanuit verschillende rechtstheoretische perspectieven nader belicht en is nagegaan hoe deze rechtsfiguur zich verhoudt tot enkele fundamentele uitgangspunten van het strafrecht, zoals het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. In aanvulling daarop is in het vorige hoofdstuk onderzocht of en in hoeverre de groeiende positie van het slachtoffer in het strafproces ook een veranderde rechtspositie voor de klachtgerechtigde met zich brengt. Daarmee is een gedegen beeld gecreëerd van de functie, plaats en werking van de regeling van klachtdelicten in de Nederlandse strafrechtspleging.
Gelet op de in het inleidende hoofdstuk geformuleerde hoofd- en deelvragen is het onderzoek niet beperkt tot deze beschrijving van het rechtsfenomeen. 1Het onderzoek ziet ook op de vraag of het behoud van de regeling van klachtdelicten wenselijk is en, zo ja, of de wettelijke regeling van klachtdelicten en de toepassing daarvan in de rechtspraktijk (op onderdelen) aanpassing behoeft. Dit hoofdstuk voorziet mede aan de hand van een synthese van de bevindingen uit eerdere hoofdstukken in een concrete beantwoording van die laatste deelvragen. Het is daarmee het sluitstuk van het onderzoek en bevat een weergave van de zoektocht naar de plaats die de klassieke rechtsfiguur van het klachtdelict zou moeten hebben in de moderne Nederlandse strafrechtspleging.