Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.3.4:3.3.4 Bezit en houderschap
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.3.4
3.3.4 Bezit en houderschap
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS586392:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In welke gevallen er een zodanige betrekking tot geld bestaat dat van een goederenrechtelijk toebehoren sprake is, is de kernvraag van dit hoofdstuk. Hierna schets ik de eerste contouren van een antwoord op deze vraag aan de hand van de begrippen bezit en houderschap. Bezit en houderschap vervullen in het vermogensrecht een functie op het snijvlak van feit en recht en geven zo een invulling aan de vraag wanneer een feitelijke verhouding zich zodanig heeft verdicht dat een goederenrechtelijke aanspraak kan worden erkend. Bovendien valt in de theorie over bezit en houderschap, van oudsher gekleurd door uiterlijk waarneembare feiten, een kentering te bespeuren waarbij uiterlijk waarneembare feiten niet meer de enige factoren zijn die invulling geven aan bezit en houderschap. Ook hier lijkt het recht, net als in de begripsvorming over het wezenskenmerk van geld zoals dat in hoofdstuk 2 ter sprake kwam, zich langzaam te bevrijden uit 'de klem van het materialistisch denken'. Aldus Pitlo:
`Een primitief rechtsbegrip brengt mede, dat men slechts dan van bezit spreekt als er sprake is van een feitelijke band tussen subject en object. De evolutie in ons denken heeft medegebracht, dat wij voor die feitelijke band in de plaats hebben gesteld de maatschappelijk erkende band, zodat men bezitter kan zijn van goederen, die zich aan de andere zijde van de aardbol bevinden, terwijl het zich daartegenover kan voordoen, dat men geen bezitter is van goederen, die men onder zich heeft. Ook past in deze stroming, dat wij nog slechts betrekkelijk korte tijd geleden bij bezitsdaden uitsluitend aan feitelijke handelingen dachten, terwijl wij thans ook uit rechtshandelingen het bezit aflezen.'1
Het BW laat inmiddels ook de mogelijkheid open om bij het bepalen van bezit en houderschap niet alleen aan te sluiten bij uiterlijk waarneembare feiten, maar ook bijvoorbeeld gedragingen en rechtshandelingen daarbij te betrekken.2 Door het onstoffelijke karakter van giraal geld zijn het vooral de verkeersopvattingen die van belang zijn voor het erkennen van bezit of houderschap en een aanzet vormen tot de erkenning van een goederenrechtelijk toebehoren. Ik noem hierna enkele factoren waaraan bij het vaststellen van bezit en houderschap in algemene zin een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend dan aan tastbare en uiterlijke kenmerken, voor zover daarvan overigens al gesproken kan worden.
Ten eerste de hoedanigheid van partijen, waarin een eerste indicatie kan zijn gelegen voor het oordeel dat een partij die geld heeft ontvangen van een andere partij, dit geld kennelijk niet als schuldeiser, maar uit andere hoofde in ontvangst heeft genomen en daarmee mogelijk slechts houder (en geen bezitter) is geworden. Als bijvoorbeeld een bank een betaalrekening heeft geopend en op naam gesteld van de rekeninghouder, zullen de girale tegoeden op de rekening worden gehouden ten behoeve van die rekeninghouder. Deze rekeninghouder zal doorgaans de bezitter zijn van het geld dat op de rekening staat geadministreerd. Dat de bank het tegoed niet voor zichzelf, maar voor de rekeninghouder aanhoudt, blijkt reeds uit het feit dat de bank niet over de tegoeden van de rekeninghouder kan beschikken zonder een daartoe strekkende opdracht. Bovendien is de omvang van het tegoed op de betaalrekening het resultaat van rechtsverhoudingen tussen de rekeninghouder en derden. De bank staat buiten deze rechtsverhouding en is houder van het tegoed.3
Ten tweede winnen obligatoire verhoudingen steeds meer aan betekenis bij de invulling van bezit en houderschap en daarmee indirect bij de beantwoording van de vraag of sprake kan zijn van een goederenrechtelijke aanspraak. Artikel 3:110 BW bepaalt bijvoorbeeld dat als er een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat hetgeen de ene partij op een bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor een ander zal worden gehouden (een zogenaamde onmiddellijke verkrijging).
Een ander voorbeeld is de overeenkomst waarbij een eigendomsvoorbehoud is gemaakt. Tot het moment waarop de koopprijs is betaald, is op basis van deze overeenkomst de voorbehouden eigenaar middellijk bezitter en de koper onmiddellijk houder. Na de betaling van de koopprijs gaat de eigendom over en wordt de houder tot bezitter. Kortom, er zou weinig vreemds aan zijn om bij het bepalen van bezit en houderschap ook de obligatoire verhouding tussen partijen te betrekken.
De heersende leer erkent in girale verhoudingen echter geen bezit en houder-schap, zoals blijkt uit Ontvanger-Kerseboom.4 De Cooperatieve Groente- en Fruitveiling Vereniging 'Kerseboom' maakt geld over naar haar Poolse crediteur Agriculture International (`Agri'), die het om haar moverende redenen weer terugstort naar de rekening van Kerseboom. De Ontvanger legt derdenbeslag op de rekening van Kerseboom tot verhaal van een vordering van de Ontvanger op Agri. Kerseboom blokkeert de rekening, waardoor de terugstorting door Agri niet op de rekening van Kerseboom kan plaatsvinden. De bank administreert het geld op een verschillenrekening. Daarna wordt er voor een tweede maal beslag gelegd onder Kersenboom. Het hof geeft aan deze gebeurtenissen een goederenrechtelijke duiding en onderzoekt of de bank is gaan houden voor Agri in de zin van artikel 3:111 BW. De Hoge Raad gaat daar niet in mee. De Hoge Raad oordeelt in to. 3.3 dat het hof ten onrechte een goederenrechtelijke betekenis heeft toegekend aan de mededeling van Kerseboom dat het door Agri teruggestorte bedrag haar niet toekwam. Het hof heeft voorts uit het oog verloren dat de verhouding tussen Agri en de bank slechts verbintenisrechtelijk van aard is en dat ook de vraag of Agri een vordering op Kerseboom had vanuit het verbintenissenrecht moet worden beoordeeld.