De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.5.1:6.5.1 Het nieuwe raamwerk over aandeelhouders in beursvennootschappen
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.5.1
6.5.1 Het nieuwe raamwerk over aandeelhouders in beursvennootschappen
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS389456:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Assink 2013, §51 en HR 4 april 2014, NJ 2014, 389 m.nt. P. van Schilfgaarde, Ondernemingsrecht 2014, 101 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Cancun). Zie voorts A. Hammerstein, ‘Het evenredigheidsbeginsel als leidraad’, Ondernemingsrecht 2011, 122 onder 3 en meer genuanceerd M.J. van Ginneken & L. Timmerman, ‘De betekenis van het evenredigheidsbeginsel voor het ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2011, 123 onder 13.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De uitgangspunten van het bestel van corporate governance na de hierboven beschreven correcties zijn als volgt samen te vatten. Het bepalen en uitvoeren van de strategie van een beursvennootschap is in beginsel een zaak van het bestuur, onder toezicht van de RvC. De vennootschapsleiding geniet hierbij een aanzienlijke mate van beleidsvrijheid. De vennootschapsleiding legt over het gevoerde beleid verantwoording af aan de AVA. De invloed van aandeelhouders op het te voeren beleid is evenwel beperkt tot het doen blijken van hun opvattingen via het uitoefenen van hun wettelijke en statutaire bevoegdheden. Richtsnoer voor de vennootschapsleiding is en blijft het belang van de vennootschap, waarbij het belang van de aandeelhouders één van de relevante -, maar in beginsel nevengeschikte deelbelangen is.1 Wat betreft de aandeelhouders geldt dat de strekking en reikwijdte van hun bevoegdheden met het oog op de rechtszekerheid in beginsel beperkt moeten worden uitgelegd. De aanvullende werking van de normen van redelijkheid en billijkheid ex artikel 2:8 BW kunnen gelet op diezelfde rechtszekerheid geen grondslag vormen voor het aannemen van aanvullende bevoegdheden van de AVA, noch kan een aandeelhouder daaraan – althans als men de overwegingen van de Hoge Raad in zijn ASMI-beschikking op dit punt doortrekt – een afdwingbare aanspraak ontlenen ten aanzien van de wijze waarop bestuur en RvC hun respectievelijke taken vervullen. Bij dit alles is voorts de Code een relevant gezichtspunt nu de daarin vervatte principes en best practices een weergave vormen van de positie die aandeelhouders in beursvennootschappen in de algemeen in Nederland aanvaarde inzichten omtrent corporate governance is toebedacht.
De vraag is of met dit kader een adequaat antwoord is geformuleerd op de vragen die in de periode tot 2007 door de in §6.2 beschreven breuklijnen zijn opgeworpen. Bij lezing van het bovenstaande zou de indruk kunnen ontstaan dat de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen nu wel voldoende duidelijk is. Ook zou men de indruk kunnen krijgen dat we met dit nieuw instrumentarium aan juridische argumenten de dagen van ongebreideld aandeelhoudersactivisme nu definitief achter ons hebben gelaten. De eerste indruk acht ik juist, maar bij de tweede indruk heb ik de nodige aarzelingen. Voor mij staat niet zonder meer vast dat het ‘gecorrigeerde’ bestel van corporate governance per definitie een effectief middel biedt voor bestuur en RvC van een beursvennootschap om een adequaat tegengewicht te kunnen bieden tegen activistische aandeelhouders. Ik plaats dan ook enkele kanttekeningen bij dit gecorrigeerd kader om het beeld van deze indrukken wat bij te stellen.