Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.3.3.2
8.5.3.3.2 Herziening aftrek niet-investeringsgoederen en diensten
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291113:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: HR 14 december 2018, nr. 17/00799, BNB 2019/28, m.nt. Bijl, r.o. 6.2.2 en Bijl in zijn noot bij dit arrest.
HvJ EG 17 mei 2001, gevoegde zaken C-322/99 en 323/99, FED 2001/509, m.nt. Swinkels, r.o. 91 en 92. (Fischer/Brandenstein).
De Hoge Raad spreek van goederen en diensten met betrekking tot een bedrijfsmiddel, een investeringsgoed. Naar mijn mening is er op grond van de algemene herzieningsregeling geen reden om goederen en diensten met betrekking tot een (onroerend) goed dat als voorraad kwalificeert anders te behandelen. Een onroerend goed dat door een vastgoedhandelaar is aangeschaft met het oog op de doorverkoop of een onroerend goed dat gehuurd wordt, is naar mijn mening geen bedrijfsmiddel (zie paragraaf 8.5.4.2.2.3). Niettemin kan een belastingplichtige wel goederen en diensten afnemen om dit onroerend goed in goede staat te houden of hieraan wijzigingen aan te brengen. Tevens is het mogelijk dat een belastingplichtige, zoals een projectontwikkelaar, een onroerend goed ontwikkelt en tot stand brengt dat als voorraad kwalificeert. Omdat onroerend goed in Nederland - naar mijn mening ten onrechte (zie paragraaf 8.5.4.2.2.3) - zonder meer wordt aangemerkt als een investeringsgoed, zal de restrictie van de Hoge Raad tot bedrijfsmiddelen niet leiden tot een - in het licht van de inwendige en concurrentieneutraliteit onwenselijke - ongelijke herzieningsbehandeling van goederen en diensten die gerelateerd zijn aan onroerende investeringsgoederen en goederen en diensten die gerelateerd zijn aan onroerende goederen die kwalificeren als voorraad. Dit neemt niet weg dat het naar mijn mening wenselijk is dat de Hoge Raad de onjuiste restrictie tot goederen en diensten met betrekking tot bedrijfsmiddelen loslaat.
Zie bijv. HR 17 februari 1993, nr. 28.910, BNB 1993/126, HR 14 december 2001, nr. 36.859, V-N 2001/66.17 en HR 15 juni 2012, nr. 15 juni 2012, nr. 10/01746, BNB 2012/222, m.nt. Bijl.
Uit paragraaf 8.5.3.3.1 volgt dat de algemene herzieningsregeling in art. 184 tot en met 186 Btw-richtlijn zich naar het oordeel van het Hof van Justitie niet verzet tegen een herziening van het totale bedrag van de oorspronkelijk voor een onroerend investeringsgoed toegepaste aftrek in één keer indien bij de ingebruikneming ervan die oorspronkelijke toegepaste aftrek blijkt af te wijken van de aftrek die belastingplichtige gerechtigd is toe te passen op basis van het werkelijke gebruik van dat goed. Dit heeft evenzeer te gelden voor goederen en diensten waarop de bijzondere herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen niet van toepassing is (en waarbij een samenloop van de algemene en bijzondere herzieningsregeling dus niet speelt). Ook bij die goederen en diensten leidt een herziening van het totale bedrag indien het werkelijke gebruik afwijkt van de toegepaste aftrek op grond van de bestemming, tot een resultaat dat meer in overeenstemming is met de strekking van de herzieningsregeling, de inwendige neutraliteit, en de concurrentieneutraliteit. Dat Nederland ervoor heeft gekozen om de btw op alle goederen en diensten te herzien indien op het tijdstip van ingebruikneming blijkt dat de btw voor een groter of kleiner deel in aftrek is gebracht dan waartoe de belastingplichtige op grond van het gebruik gerechtigd is, is daarom op grond van art. 186 Btw-richtlijn toegestaan1 en naar mijn mening ook wenselijk.
Een belastingplichtige die een onroerend (investerings)goed huurt of geleverd heeft gekregen en nadien goederen of diensten met betrekking tot dit onroerend (investerings)goed afneemt, zoals een verbouwing van een gebouw of bewerkingen van een onbebouwd terrein, kan op grond van art. 15 lid 4 Wet OB tegen een herziening van de aftrek van de btw op die goederen diensten aanlopen indien hij deze goederen en diensten in gebruik neemt voor een belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie. Dit is het geval indien op het moment van ingebruikneming voor de belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie blijkt dat de oorspronkelijke toegepaste aftrek afwijkt van dit volledige aftrekgerechtigde of volledige niet-aftrekgerechtigde gebruik. Een herziening op het moment van ingebruikneming wegens een wijziging in het recht op aftrek als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn (zie paragraaf 8.5.3.2.2) impliceert dat het betreffende goed of de betreffende dienst op dat moment nog niet is verbruikt. Indien een goed of een dienst op het moment van verwerving onmiddellijk is verbruikt, dan is een herziening wegens een wijziging in het recht op aftrek op een later moment volgens het Hof van Justitie niet mogelijk.2
De Hoge Raad hanteert voor de toepassing van art. 15 lid 4 Wet OB daarom terecht een onderscheid tussen goederen en diensten die bij verwerving onmiddellijk worden verbruikt en goederen en diensten waarbij dat niet het geval is. Alleen de btw op laatstgenoemde goederen en diensten kan bij ingebruikneming worden herzien indien het gebruik afwijkt van de bestemming. Die goederen en diensten zijn (voor de btw) verbruikt op het moment van ingebruikneming. Indien een belastingplichtige een vastgoedtransactie verricht en hij met betrekking tot dit vastgoed goederen en diensten heeft betrokken, dan dient derhalve te worden beoordeeld of die goederen en diensten op het moment van het betrekken al dan niet onmiddellijk zijn verbruikt. In onderstaand overzicht is aan de hand van de Nederlandse jurisprudentie en literatuur inzichtelijk gemaakt welke goederen en diensten met betrekking tot een onroerend goed3 onmiddellijk worden verbruikt (geen herziening mogelijk bij ingebruikneming voor belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie) en welke goederen en diensten op het moment van ingebruikneming worden verbruikt (herziening mogelijk bij ingebruikneming voor belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie).
Categorie goederen en diensten
Verbruiksmoment
Herziening
Voorbeelden
Goederen en diensten om een onroerend goed in goede staat te houden (instandhoudingskosten)1
Verwerving
Nee
• Verwarming2
• Servicekosten3
• Onderhoud4
• Reparatie5
• Schoonmaak6
• Beveiliging7
• (Object)bewaking8
Goederen en diensten om wijzigingen aan onroerend goed aan te brengen (wijzigingskosten9)10
Ingebruikneming
Ja
• Verbouwing en/of uitbreiding gebouw11
• Bewerking onbebouwd terrein (bouwrijp maken bijv.)12
Goederen en diensten om onroerend (investerings)goed in eigen bedrijf te ontwikkelen (ontwikkelingskosten)13
Ingebruikneming
Ja
• Ontwerp voor nog te bouwen gebouw(en)
• Haalbaarheidsonderzoek
Goederen en diensten om onroerend niet-investeringsgoed in eigen bedrijf tot stand te brengen (totstandbrengingskosten)14
Ingebruikneming
Ja
• Bouwmaterialen
• (Bouw)diensten onderaannemers
• Bouwbegeleiding
HR 24 augustus 1994, nr. 29.414, BNB 1995/43, m.nt. Finkensieper, r.o. 3.3, HR 4 december 2009, nr. 07/13230, BNB 2010/64, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.6 en HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11, m.nt. Blokland, r.o. 2.3.3.
HR 24 augustus 1994, nr. 29.414, BNB 1995/43, m.nt. Finkensieper.
HR 24 augustus 1994, nr. 29.414, BNB 1995/43, m.nt. Finkensieper.
Hof Arnhem 23 juni 1996, nr. 96/0968, V-N 1999/35.3.3.
Hof Arnhem 23 juni 1996, nr. 96/0968, V-N 1999/35.3.3.
M. Soltysik, ‘Btw, leegstand, instandhoudings- en verbeteringskosten: It’s still the same’, NTFR 2014/25 en M. van der Wulp, ‘Voorgenomen gebruik en gebruik voor een voornemen’, BtwBrief 2018/36, p. 3.
M. van der Wulp, ‘Voorgenomen gebruik en gebruik voor een voornemen’, BtwBrief 2018/36, p. 3.
M. Soltysik, ‘Btw, leegstand, instandhoudings- en verbeteringskosten: It’s still the same’, NTFR 2014/25.
In de Nederlandse literatuur wordt ook wel gesproken van ‘verbeteringskosten’ (zie bijv. M. Soltysik, ‘Btw, leegstand, instandhoudings- en verbeteringskosten: It’s still the same’, NTFR 2014/25 en J. Rous en K.F.H. van Lierop, ‘Verslag 44e Fiscale Conferentie “Vastgoed”’, WFR 2018/26, p. 158). Dit begrip is ontleend aan de Nederlandse inkomsten- en vennootschapsbelasting. Voor deze belastingen is (pas) sprake van een verbetering indien door de aard van de werkzaamheden (in bouwtechnische zin) en materialen een wezenlijke verandering is aangebracht waardoor het vastgoed naar inrichting, aard of omvang een wijziging heeft ondergaan (T.M. Berkhout, ‘Activeren, tenzij: ingrijpende renovaties en transformaties van vastgoedcomplexen’, NTFR 2013/982). Het komt mij voor dat als sprake is van een verbetering voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting sprake is van goederen en diensten om wijzigen aan onroerend goed aan te brengen. Of het omgekeerde ook geldt, betwijfel ik. Voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting is er bijvoorbeeld bij modernisering van vastgoed geen sprake van een verbetering indien de verbeteringsuitgaven minder bedragen dan de uitgaven voor het herstel (T.M. Berkhout, ‘Activeren, tenzij: ingrijpende renovaties en transformaties van vastgoedcomplexen, NTFR 2013/982). Voor de btw komt aan de hoogte van de uitgaven evenwel geen beslissende betekenis toe waardoor naar mijn mening ook in die situatie sprake kan zijn van wijzigingskosten. Om die reden geef ik de voorkeur aan het begrip ‘wijzigingskosten’.
HR 4 december 2009, nr. 07/13230, BNB 2010/64, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.4.6 en HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11, m.nt. Blokland, r.o. 2.3.3.
HR 28 juni 2000, nr. 36.465, BNB 2000/332, m.nt. Van Zadelhoff en HR 4 december 2009, nr. 07/13230, BNB 2010/64, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 4 december 2009, nr. 07/13230, BNB 2010/64, m.nt. Van Zadelhoff.
HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11, m.nt. Blokland, r.o. 2.3.3.
HR 7 juni 2019, nr. 17/05587, BNB 2020/11, m.nt. Blokland, r.o. 2.3.3. Betrekt een belastingplichtige goederen en diensten om in eigen bedrijf een onroerend investeringsgoed tot stand te brengen, dan geldt art. 15 lid 4 Wet OB ook, maar die situatie is reeds aan bod gekomen in de vorige paragraaf.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is naar mijn mening af te leiden dat niet-investeringsgoederen en diensten met betrekking tot vastgoed het aftrekregime volgen dat geldt voor het vastgoed.4 Naar ik meen is dat wenselijk op grond van de inwendige fiscale neutraliteit, omdat dit leidt tot het meest nauwkeurige aftrekresultaat. Dit betekent bijvoorbeeld dat als het werkelijk gebruik van het vastgoed aan de hand van objectieve en nauwkeurige gegevens vast te stellen is en dit werkelijk gebruik afwijkt van het pro rata (zie paragraaf 8.3.5), de gebruikmethode zowel geldt voor de splitsing van de (eventuele) btw op het vastgoed zelf als de btw op de niet-investeringsgoederen en diensten met betrekking tot dit vastgoed (bijv. het onderhoud en de schoonmaak van het vastgoed).