HR, 10-06-2025, nr. 24/01156 J
ECLI:NL:HR:2025:777
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-06-2025
- Zaaknummer
24/01156 J
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:777, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑06‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:927
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:645
ECLI:NL:PHR:2025:645, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:777
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. Medeplegen feitelijke aanranding van de eerbaarheid op middelbare school (meermalen gepleegd), art. 246 (oud) Sr. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Schriftuur te laat. HR kan beroep van verdachte dus niet in behandeling nemen. Verdachte n-o. Samenhang met 24/01175 J.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01156 J
Datum 10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 maart 2024, nummer 20-001231-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem een schriftuur ingediend, die echter pas bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2025.
Conclusie 01‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jeugdzaak. Cassatieschriftuur niet binnen de termijn ingediend. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. Samenhang met 24/01175.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01156 J
Zitting 1 april 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 15 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 100 uren taakstraf, bestaande uit een werkstraf, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren taakstraf subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft het hof bijzondere voorwaarden opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01175. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 20 september 2024 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt ingediend. De schriftuur is eerst binnengekomen op 21 november 2024.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden