Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/7.9.3
7.9.3 Nadere voorschriften ten aanzien van de openbaarmaking door middel van een persbericht
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS499983:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 12 van deze uitvoeringsrichtlijn van de Transparantierichtlijn bevat de minimumnonnen die bij de verspreiding van gereglementeerde informatie in acht dienen te worden genomen.
In de Nota van toelichting op het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft (Stb. 2008, 578), p. 26, wordt vermeld dat in de praktijk aan dit vereiste kan worden voldaan door in het persbericht op te nemen dat de informatie gereglementeerde informatie betreft die op grond van de wet openbaar moet worden gemaakt.
Zie art. 2 lid 1 van de Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking.
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 11 oktober 2005, JOR 2005/300 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (LsoTis/AFM).
Zie de AFM-brochure Koersgevoelige informatie, p. 13.
Zie art. 2 lid 1 van de Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking.
Vgl. in dit verband de regels die de Amsterdamse beurs mede naar aanleiding van de beursintroductie van WorldOnline heeft opgesteld in AEX-mededeling 2000-167 (Voorwaarden met betrekking tot `initial public offerings') van 24 november 2000. Die regels dwingen tot terughoudendheid met reclame-uitingen in de aanloop naar een beursintroductie. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om op enigerlei wijze reclame te maken gericht op de beursintroductie vanaf de datum van publicatie van de advertentie waarmee het (voorlopig) prospectus algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Verder dient in iedere reclame-uiting duidelijk gemaakt te worden dat de belegger zijn beleggingsbesluit uitsluitend dient te baseren op het (voorlopig) prospectus.
Zie HR 27 november 2009, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink (WorldOnline N.V.).
De wettelijke regeling reikt verder dan het louter opleggen van een verplichting aan de uitgevende instelling om koersgevoelige informatie door middel van een persbericht openbaar te maken (art. 5:25m lid 2 Wft). Zo kunnen op grond van art. 5:25w lid 1 Wft bij AMvB nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in hoofdstuk 5.1A van de Wet op het financieel toezicht geregelde onderwerpen ter uitvoering van een bindend besluit van de Europese Commissie dat gebaseerd is op de Transparantierichtlijn. Ter uitvoering van onder meer de Uitvoeringsrichtlijn Transparantierichtlijn1 zijn deze regels in het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft opgenomen. Daarnaast dient in dit verband gewezen te worden op diverse wenken die de AFM in enkele brochures aan uitgevende instellingen heeft gegeven aangaande de wijze waarop koersgevoelige informatie bij voorkeur openbaar gemaakt dient te worden.
Op wie rust de verplichting tot naleving van deze voorschriften?
De nadere voorschriften voor de wijze waarop koersgevoelige informatie openbaar gemaakt dient te worden, dienen uiteraard nageleefd te worden door de uitgevende instelling voor wie de openbaarmakingsplicht geldt. Uit § 4.4 is gebleken dat de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie onder meer geldt voor de uitgevende instelling die financiële instrumenten heeft uitgegeven die met haar instemming zijn toegelaten tot de handel op een in Nederland gelegen gereglementeerde markt (art. 5:25i lid 1 onderdeel a onder 1° Wft). Art. 5 lid 6 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft bepaalt verder dat ingeval gereglementeerde informatie betrekking heeft op door een uitgevende instelling uitgegeven financiële instrumenten ten aanzien waarvan door een persoon zonder toestemming van die uitgevende instelling om toelating tot de handel op een gereglementeerde markt is verzocht, de verplichting tot naleving van de in het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft gegeven nadere voorschriften op die persoon rust. Mijns inziens is deze bepaling strikt genomen overbodig, omdat de naleving van deze voorschriften het sequeel is van de wettelijke openbaarmakingsplicht die voor de betrokken persoon geldt (art. 5:25m lid 8 Wft).
Gegevensbeveiliging en storingen
De uitgevende instelling is verplicht de koersgevoelige informatie op zodanige wijze openbaar te maken dat de beveiliging van het persbericht is gewaarborgd. Daarmee wordt bedoeld dat het risico op gegevenswijziging en ongeoorloofde toegang zo veel mogelijk is uitgesloten en zekerheid bestaat over de bron van de gereglementeerde informatie (art. 5 lid 1 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft).
De uitgevende instelling draagt er zorg voor dat eventuele tekortkomingen of storingen in het persbericht en in de gereglementeerde informatie waarnaar in het persbericht wordt verwezen zo spoedig mogelijk worden verholpen (art. 5 lid 2 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft). De uitgevende instelling is niet verantwoordelijk voor fouten of tekortkomingen in de systemen via welke de gereglementeerde informatie algemeen verkrijgbaar wordt gesteld (art. 5 lid 3 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft).
Voorschriften met betrekking tot de inhoud van het persbericht
In art. 5 lid 4 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft zijn diverse voorschriften opgenomen met betrekking tot de wijze waarop koersgevoelige informatie door uitgevende instellingen openbaar gemaakt moet worden. Die voorschriften hebben betrekking op:
(i) Signalering
Vereist wordt dat uit het persbericht duidelijk blijkt dat het om koersgevoelige informatie gaat.2 Niet voldoende is de enkele vermelding dat het om een persbericht van een uitgevende instelling gaat.
(ii) Correcte en tijdige inschatting
Bepaald is verder dat de wijze van openbaarmaking van koersgevoelige informatie een correcte en tijdige inschatting door het beleggend publiek mogelijk moet maken. Dit voorschrift betekent niet alleen dat het persbericht alle koersgevoelige informatie dient te bevatten, maar ook dat de informatie in begrijpelijke taal moet worden opgeschreven en op een overzichtelijke wijze moet worden gepresenteerd.3 In voorkomend geval zal ook vereist zijn dat een begrijpelijke toelichting door de uitgevende instelling wordt gegeven op de in het persbericht opgenomen koersgevoelige informatie.
(iii) Identiteit van de uitgevende instelling
Uit het persbericht moet duidelijk de identiteit van de betrokken uitgevende instelling blijken. In het bijzonder bij koersgevoelige informatie die betrekking heeft op meerdere uitgevende instellingen en bij gezamenlijke persberichten zou verwarring kunnen ontstaan over de herkomst van een persbericht.4
(iv) Onderwerp
Het onderwerp van de koersgevoelige informatie dient duidelijk te blijken uit het persbericht. Aan dit voorschrift zou de uitgevende instelling kunnen voldoen door een specifieke kop (headline) boven het persbericht te plaatsen die een duidelijke samenvatting van het bericht bevat.5
(v) Tijdregistratie
Het tijdstip en de datum van het persbericht dienen duidelijk uit het persbericht te blijken. Tot heden bevatte het persbericht gewoonlijk slechts de datum van het uitbrengen van het persbericht.
In art. 6 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft is voorzien in een uitdrukkelijke verplichting van de uitgevende instelling om bepaalde informatie aan de AFM te verstrekken over de wijze waarop koersgevoelige informatie door haar openbaar is gemaakt. Ook zonder een dergelijke grondslag zou de AFM deze informatie op grond van art. 1:74 Wft hebben kunnen opvragen (zie § 9.4.2).
Geen verwarring met reclame-uitingen
Verder wordt vereist dat de uitgevende instelling de openbaarmaking van koersgevoelige informatie niet doet vergezellen van reclame-uitingen voor haar activiteiten, indien dit mogelijk misleidend is (art. 5 lid 5 van het Besluit transparantie uitgevende instellingen Wft).6 Uiteraard zal een uitgevende instelling die koersgevoelige informatie openbaar maakt er veelal niet aan ontkomen ook bepaalde mededelingen te doen over de bedrijfsvoering alsook over de producten en/of diensten die zij voortbrengt of levert. Het voorschrift beoogt hiertegen geen dam op te werpen. Wat het voorschrift in essentie beoogt, is om verwarring te voorkomen met reclame-uitingen van de uitgevende instelling. Aan deze reclame-uitingen zal gewoonlijk een zekere vorm van overdrijving niet vreemd zijn. Wat in elk geval aan het voorschrift opvalt, is dat de uitgevende instelling een ruime veiligheidsmarge in acht dient te nemen. Zelfs mogelijke misleiding dient voorkomen te worden.
Een treffende illustratie van misleidende berichtgeving van een uitgevende instelling is te lezen in Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154 m.nt. M.W. den Boogert (WorldOnline N.V.). Zo had WorldOnline na het bekendmaken van haar voorgenomen beursintroductie in maart 2000 een tiental persberichten uitgegeven onder meer over samenwerking met diverse toonaangevende bedrijven. Volgens het Hof mocht van WorldOnline verwacht worden dat zij de publiciteit rond haar beursintroductie terughoudend zou organiseren (rechtsoverweging 2.21). Daarbij wordt door het Hof mede betekenis toegekend aan de in de USA wel verlangde quiet period en de ratio daarvan.7 Die terughoudendheid heeft WorldOnline niet betracht "Onbestreden is immers dat Brink opdracht heeft gegeven aan marketing managers van WorldOnline om in de periode van de beursgang, zo mogelijk dagelijks, nieuws over WorldOnline te publiceren, klaarblijkelijk om het aandeel WorldOnline in de publieke belangstelling te houden. Nu de onder 2.21.2 aangehaalde persberichten alle gingen over allianties van WorldOnline met andere, belangrijke bedrijven en van deze aangekondigde allianties er vrijwel geen was die enige werkelijke substantie had — het hof verwijst naar de opmerkingen daarover in het artikel in The Wall Street Journal die niet voldoende zijn bestreden — kan het handelen van WorldOnline als niet anders dan onzorgvuldig jegens de beleggers worden gekwalificeerd. Nu het hier niet ging om daadwerkelijke allianties kan ook niet gezegd worden dat het ging om zodanig koersgevoelige informatie dat WorldOnline gehouden was deze te publiceren (...)." Het Hof ziet deze persberichten kennelijk niet als openbaarmaking van koersgevoelige informatie, maar als opgeklopte reclame-uitingen. Het merendeel van de aangekondigde allianties of belangrijke commerciële overeenkomsten had weinig om het lijf en leek volgens annotator Den Boogert meer weg te hebben van name dropping. Dat het in de aanloop naar een beursintroductie verspreiden van persberichten die onvoldoende substantie hebben onzorgvuldig is jegens beleggers, lijkt mij nauwelijks voor redelijke betwisting vatbaar. De tegen het oordeel van het Hof gerichte cassatieklacht van WorldOnline dat ten tijde van de beursgang van WorldOnline niet een zorgvuldigheidsnorm gold tot het betrachten van terughoudendheid bij publiciteit over (voorgenomen) allianties met andere ondernemingen wijst de Hoge Raad dan ook op goede gronden af.8 De Hoge Raad wijst deze klacht af door te verwijzen naar de inleidende rechtsoverweging 4.25.2 waarin een zorgvuldigheidsverplichting wordt geformuleerd met betrekking tot mededelingen over de situatie waarin de uitgevende instelling verkeert of zal komen te verkeren (en welke zorgvuldigheidsverplichting derhalve geldt als (nog) geen verband is te leggen met de aanstaande beursgang van de uitgevende instelling). De Hoge Raad overweegt: "Ten aanzien van mededelingen die niet in voldoende verband staan met of niet in voldoende mate gericht zijn op de beursgang zelf, en daarom niet kunnen gelden als mededelingen "omtrent aangeboden goederen of diensten" (hier: effecten) als bedoeld in art. 6:194, maar die wel in de periode rond de beursgang gedaan worden en betrekking hebben op de onderneming van de uitgevende instelling, dient de uitgevende instelling de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid in acht te nemen met het oog op de belangen van potentiële beleggers (waarbij ook hier de `maatman-belegger' tot uitgangspunt moet worden genomen). Dat brengt mee dat ook dergelijke mededelingen moeten stroken met hetgeen in het prospectus is vermeld, en geen onjuiste indruk of ongefundeerde verwachtingen mogen wekken aangaande de situatie waarin de onderneming van de uitgevende instelling verkeert of zal komen te verkeren. Derhalve zal vaak ook terughoudendheid betracht moeten worden met berichtgeving waarin positieve ontwikkelingen met betrekking tot de uitgevende instelling worden aangekondigd. De hier bedoelde algemene zorgvuldigheidsverplichtingen golden ook in de periode van begin 2000 toen de beursgang van World Online plaatsvond." Niet valt in te zien waarom deze normering voor misleidende berichtgeving — behoudens de in de aangehaalde rechtsoverweging gestelde eis van prospectusconformiteit — niet ook betekenis heeft voor mededelingen die buiten de periode van een beursgang van een uitgevende instelling worden gedaan.