Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/1.2
1.2 De te onderzoeken vraagstelling
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS299530:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Leveringen van goederen en diensten genoemd in het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968; onder bepaalde voorwaarden is de aan deze leveringen en diensten toerekenbare voorbelasting niet aftrekbaar.
Bij een lezing op 1 februari 2007 op het afsluitend seminar van de Topmasters Indirecte Belastingen 2006/2007 van de Europese Fiscale Studies in Rotterdam, heb ik mijn verbazing uitgesproken over het feit dat het Ministerie van Financiën zo lang heeft gewacht met het wijzigen van art. 15 en blijkbaar toch nog verrast werd door HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles/Charles-Tijmens), BNB 2005/284 (noot B.G. van Zadelhoff), want uiteindelijk werd het voorstel tot wijziging van art. 15 pas ingediend in het kader van het Belastingplan 2007 op 19 september 2006 (Kamerstukken 2006/2007, 30 804; zie V-N 2006/48.6).
Gelet op de ingrijpende omvang van de wijzigingen werd het wetsvoorstel met een ongehoorde snelheid als onderdeel van het Belastingplan 2007 door het parlement zijn gejaagd; zie hierover: Th.J.M. van Schendel, Open brief aan alle belastingrechters in Nederland, WFR 2006/1335.
K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW, Kluwer, Deventer, 2002.
Zie o.a. Van Hilten en Van Kesteren, Omzetbelasting, 11de druk, Kluwer, Deventer, 2007, hoofdstuk 3, Harmonisatie van de omzetbelasting in EG-verband; over de directe werking van richtlijnen: Terra/Kajus, A Guide to the European VAT Directives, Volume 1 Introduction to European VAT 2009, Chapters 3 en 5.
Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting was het in de periode van 1968 tot met 2006 in Nederland in principe voldoende dat de aangeschafte goederen en diensten werden gebezigd in het kader van de onderneming. Om te kunnen bezigen in het kader van de onderneming was het nodig dat de goederen en diensten werden aangeschaft door een ondernemer in de zin van de btw. Anders dan de Zesde richtlijn stelde de wet niet de eis dat de aangeschafte goederen en diensten werden gebruikt voor belaste prestaties. Als eenmaal kon worden vastgesteld dat een persoon of lichaam goederen en diensten als ondernemer had aangeschaft en had gebezigd in het kader van de onderneming, stond daarmee in Nederland de aftrek in beginsel vast, tenzij een uitdrukkelijk genoemde aftrekbeperking van toepassing was. De belangrijkste aftrekbeperkingen hadden betrekking op de in art. 11 wet opgesomde vrijgestelde prestaties en op de zogenoemde Bua-verstrekkingen1 (voornamelijk personeelsvoorzieningen en prestaties om niet aan stichtingen en dergelijke instellingen). De onder de Europese regelgeving nog relevante vraag of de goederen en diensten waren gebezigd voor belaste prestaties hoefde niet meer beantwoord te worden.
Deze verschillende uitgangspunten van Europese en Nederlandse regelgeving veroorzaakten een niemandsland waarin de wet wel en de richtlijn geen aftrek kent. In zijn noot onder HR 17 februari 1988, nr. 24 275, BNB 1988/147, beschrijft Reugebrink het verschil op een schematische wijze als volgt:
(...) Dat verschil kan in het volgende schema worden weergegeven.
→belastbaar
→ 1. belast
Ondernemerprestaties
→ 2. vrijgesteld
→onbelastbaar
→ 3. vrijgesteld, indien belastbaar
→ 4. andere
De regeling van de Wet is dat bij 2 geen aftrek wordt genoten, de jurisprudentie kent evenmin aftrek toe in geval 3. In alle andere gevallen gaat de aftrek van voorbelasting gewoon door. De regeling van de Richtlijn daarentegen is dat de aftrek alleen geldt in geval 1. Het is duidelijk dat deze verschillende benadering (waarop uiteraard in de Richtlijn ook uitzonderingen bestaan) een ‘niemandsland’ schept, waar de Wet OB ’68 wel, en de Richtlijn geen aftrek kent.
Aldus leek, zoals gezegd, Nederland een ruimer aftreksysteem te kennen dan de Europese regelgeving toeliet. Dat was echter niet helemaal het geval. Als in Nederland een ondernemer goederen of diensten aanschafte die hij geheel of gedeeltelijk ging gebruiken voor privédoeleinden of voor Bua-verstrekkingen kon hij het daarop betrekking hebbende deel van de voorbelasting niet in aftrek brengen. De goederen en diensten werden immers niet gebruikt in het kader van de onderneming. De btw-richtlijn kent voor de onttrekking2 en het gebruik van goederen en het gebruik van diensten voor andere dan bedrijfsdoeleinden (zoals gebruik voor privédoeleinden van de ondernemer of voor privédoeleinden van het personeel) een fictieve levering (art. 16) en een fictieve dienst (art. 26). Dat zijn belaste prestaties, zodat de ondernemer de voorbelasting welke drukt op de aanschaf van goederen en diensten die hij geheel of gedeeltelijk gaat gebruiken voor deze doeleinden volledig in aftrek kan brengen. In dit opzicht was het Nederlandse aftreksysteem dus beperkter dan het Europese aftreksysteem.
Uiteindelijk dwong het Charles/Charles-Tijmens-arrest Nederland tot het aanpassen van art. 15 wet. Het Hof van Justitie EU besliste in dit arrest dat de Europese regelgeving in de weg staat van het Nederlandse aftreksysteem waarin een ondernemer de voorbelasting die drukt op investeringsgoederen, die hij voor zijn onderneming bestemt en zowel voor ondernemingsdoeleinden als voor privédoeleinden gebruikt, niet volledig in aftrek kan brengen. Kortom, bij aanschaf van investeringsgoederen die voor de onderneming worden bestemd en zowel in het kader van de onderneming als privé worden gebruikt is maar één systeem mogelijk: onmiddellijke en volledige aftrek en vervolgens fictieve heffing in verband met privégebruik.
Dit noodzaakte de Nederlandse wetgever tot het nemen van actie. Met een beroep op de Zesde richtlijn konden ondernemers immers onmiddellijke en volledige aftrek claimen, terwijl er geen fictieve heffing tegenover stond. De fictieve heffing kende de Nederlandse regelgeving niet. Vervolgens heeft de wetswijziging nog bijna anderhalf jaar op zich laten wachten.3 Het op 19 september 2006, als onderdeel van het Belastingplan 2007, ingediende voorstel tot wijziging van de Wet OB 1968 werd op 12 december 2006 door de Eerste Kamer aangenomen.4 Kort gezegd kwam de wijziging neer op aanpassing van art. 15, lid 1, Wet OB 1968 aan art. 168 btw-richtlijn en aanvulling van de wet met fictieve leveringen en diensten.
Enerzijds werd het Nederlandse aftreksysteem verruimd, omdat bij aanschaf door een ondernemer van goederen en diensten die hij voor de onderneming bestemt altijd onmiddellijke en volledige aftrek mogelijk is, ook al zijn de aangeschafte goederen en diensten gedeeltelijk bestemd voor privégebruik. Evenals in de MvT bij het Belastingplan 20075 kan dit goed geïllustreerd worden met een voorbeeld op basis van een casus die vergelijkbaar is met de casus die aan de orde was in het Charles/Charles-Tijmens-arrest.
Stel dat een ondernemer een investeringsgoed – een nieuwe vakantiewoning – aanschaft voor € 100 000 (exclusief € 19 000 btw), en het goed vervolgens elk jaar voor 80% verhuurt en voor 20% privé gebruikt. Onder de oude tekst van art. 15, lid 1, van de wet had de ondernemer aftrek voor zover hij het goed in het kader van zijn onderneming gebruikte. Dat was voor 80%, dus kon hij 80% van de voorbelasting in aftrek brengen. Latere wijzigingen in het privégebruik, vermeerdering of vermindering, leidden niet meer tot een correctie van de 80% aftrek.
Met de aanpassing van artikel 15, eerste lid, van de wet, ontstaat voor de ondernemer die het goed volledig tot zijn ondernemingsvermogen rekent, een volledig recht op aftrek van de hem in rekening gebrachte btw van € 19 000.
Ingevolge de uitbreiding van het belastbaar feit met de dienst betreffende het privégebruik, dient deze dienst te worden belast en wel met als maatstaf van heffing de ‘gedane uitgaven’. Die uitgave voor privégebruik bedraagt € 20 000 (20% van € 100 000) en wordt – aansluitend bij de herzieningstermijn voor onroerende zaken – toegerekend aan de tien jaar gedurende welke de zaak toch al wordt gevolgd in verband met een eventuele herziening, € 2000 per jaar derhalve. Voor het privégebruik is aldus jaarlijks € 380 (19% van € 2000) verschuldigd (na tien jaar in totaal € 3800, zijnde 19% van de totale uitgave voor privégebruik van € 20 000).
Anderzijds werd het Nederlandse aftreksysteem beperkt omdat het enkele bezigen in het kader van de onderneming niet meer voldoende is om de voorbelasting in aftrek te kunnen brengen. Het is ook vereist dat de aangeschafte goederen en diensten gebruikt (gaan) worden voor belaste doeleinden.
Deze aanpassing van art. 15, lid 1, Wet OB 1968 aan art. 168 btw-richtlijn per 1 januari 2007 roept de vraag op wat de gevolgen hiervan zullen zijn voor de heffing van btw. Dit onderzoek beoogt deze vraag te beantwoorden, waarbij het zich uitsluitend richt op de door de wijziging per 1 januari 2007 beoogde algemene beperking van het aftrekrecht. Voor een onderzoek in bredere zin naar de aftrek van voorbelasting in de Nederlandse regelgeving, mede in relatie tot de Europese regelgeving en jurisprudentie, verwijs ik naar de dissertatie van Braun.6
Buiten het kader van het onderzoek valt een beschrijving van het communautaire recht, de verschillende instrumenten die het kent (besluiten, beschikkingen, verordeningen, richtlijnen) en de werking van deze instrumenten. Voor beschrijvingen van de rol van het gemeenschapsrecht voor de btw en met name de verhouding tussen de Europese richtlijnen op het gebied van btw en de natio nale regelgeving verwijs ik naar bestaande literatuur over dit onderwerp.7