Parketnummer 23-000700-20.
HR, 08-07-2025, nr. 23/00651
ECLI:NL:HR:2025:1074
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/00651
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1074, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3789
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:570
ECLI:NL:PHR:2025:570, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1074
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑08‑2023
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Voorhanden hebben van vuurwapen (art. 26.1 WWM). Bewijsklacht opzet. Had verdachte wetenschap van aanwezigheid van wapen in rugzak? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:504 m.b.t. vereisten voor veroordeling van voorhanden hebben van wapen. Hof heeft vastgesteld dat, terwijl politieagenten bezig waren met fouilleren van groep jongens, andere jongens (onder wie verdachte) zich in groep mengden. Verdachte was naar die groep gegaan “om hen uit de problemen te halen”. Er werd rugzak in zijn richting gegooid, verdachte ving die rugzak en rende er mee weg van politie. Tijdens rennen liet verdachte de rugzak vallen. In rugzak zijn bruin samengeperst blok dat vermoedelijk hasj bevatte, masker en in bewezenverklaring genoemd vuurwapen aangetroffen. Hof heeft in dit verband overwogen dat verdachte heeft geprobeerd rugzak te onttrekken aan politie en dat rugzak met dat doel aan hem is overhandigd. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte (met het in hiervoor omschreven situatie weghouden van rugzak voor politie, zonder te controleren wat inhoud ervan was) bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat rugzak verboden voorwerpen bevatte, en dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op voorhanden hebben van wapen “en zich in die zin in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van aanwezigheid van wapen in rugzak”, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00651
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 februari 2023, nummer 23-000700-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.A.C. de Bruijn bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen, en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak.
2.2.1
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 14 juni 2019 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten revolver van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 long rifle zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris op 17 juni 2019 heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van verhoor verdachte.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
Ik was in de buurt en zag daar veel jongens van mijn platenlabel. Ik zag ook dat er politie bij kwam. Ik ging er naartoe om hen uit de problemen te halen. Er werd een tas in mijn richting gegooid die ik heb gevangen. Het klopt dat ik ben weggerend met de tas die ik had gevangen. Ik kwam later bij de groep en was niet al staande gehouden toen de tas naar mij werd gegooid.
2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2019123351-13 van 14 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 16 - 18).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:
Op 14 juni 2019 waren wij te Amsterdam. Wij vernamen dat er zich een groep jeugd bij [metrostation] zou bevinden. Wij zagen dat personen zich door de staande gehouden personen bewogen. Door deze situatie zag een van de personen kans weg te rennen. Deze persoon droeg een zwarte rugzak met een wit Nike logo op zijn rug en bleek later te zijn genaamd: [verdachte] . Ik, [verbalisant 1] , ben direct achter verdachte aan gerend. Ik zag dat verdachte de rugzak op de grond liet vallen en door bleef rennen in de richting van [straat] met in zijn kielzog een motoragent. Ik heb de rugtas gepakt en trof in de rugtas een zwarte revolver aan.
3. Een proces-verbaal van onderzoek met registratienummer 2019123351 van 15 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. - 33).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Het inbeslaggenomen vuurwapen werd door mij onderzocht. Uit het onderzoek bleek mij het volgende.
Voorwerp : revolver
Merk : BBM / Bruni
Model : Olympic 38
Kaliber : .22 long rifle
Deze revolver is een vuurwapen in de zin van categorie III onder I van de Wet wapens en munitie.
4. Een proces-verbaal van bevindingen camerabeelden met nummer PL1300-2019123351 van 20 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (ongenummerde pag.).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:
Ik bekeek de camerabeelden van het incident op [metrostation] te Amsterdam. Ik zag een aantal mannen bij een ijzeren trap staan. Ik zag dat een man een rugtas op zijn rug had. Ik zag dat op de rugtas een groot wit logo van het merk Nike stond. Ik zag dat de politie ter plaatste kwam. Ik zag dat er een grote groep mensen zich rondom de ter plaatste gekomen politie verzamelde waaronder de later aangehouden verdachte [verdachte] . Ik zag dat de groep naar de politieagenten keek. Ik zag dat [verdachte] een zwarte rugtas vasthield en vervolgens hiermee wegrende van de politie.”
2.2.3
In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring verder overwogen:
“4. Inleiding
Op 14 juni 2019 ziet een beveiliger op camerabeelden gemaakt bij het winkelcentrum [A] te Amsterdam dat een groep jongens bezig is met een jerrycan en een fles. Het vermoeden ontstaat dat zij een molotovcocktail aan het maken zijn. De politie houdt de groep jongens die zij aantreffen staande. Nadat de ter plaatse gekomen politie bij één van de jongens een mes heeft aangetroffen, sommeren zij de jongens te gaan zitten om hen allen te kunnen fouilleren. De jongens geven hier gehoor aan. Terwijl de verbalisanten bezig zijn met het fouilleren, komen er andere jongens op het tumult af. Zij spreken de staande gehouden jongens aan en mengen zich in de groep. Op dat moment rent een jongen met rugzak weg van de politie, volgens een van de verbalisanten een van de staande gehouden jongens. Tijdens het rennen laat hij de rugzak vallen. Uiteindelijk wordt de jongen, verdachte, op straat aangehouden.
In de rugzak worden onder meer een bruin samengeperst blok omwikkeld met folie, een masker en een revolver aangetroffen. Het samengeperste blok bevat vermoedelijk hasj.
Verdachte ontkent dat hij wist dat er een wapen in de rugzak zat. Bij de rechter-commissaris verklaart hij dat hij niet was staande gehouden, dat de rugzak naar hem werd gegooid en dat hij deze opving. Vervolgens is hij met de rugzak gaan rennen omdat degene die de rugzak naar hem gooide zei dat er hasj in zat. Hij wil niet zeggen wie degene is die de rugzak gooide.
5. Waardering van het bewijs
(...)
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat sprake is van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen.
De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of verdachte de rugzak vanaf het begin bij zich had of dat de rugzak door een ander in zijn richting is gegooid vlak voordat hij met de rugzak is gaan rennen. Als verdachte de rugzak namelijk steeds bij zich heeft gehad, dan moet hij zich sowieso in meer mate bewust zijn geweest van de inhoud daarvan. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij pas ter plaatse kwam nadat de groep was gesommeerd te gaan zitten. Hij was in de buurt en zag een groep jongens en de politie. Vervolgens is hij naar hen toe gegaan om de jongens te helpen. Bij de groep aangekomen werd er een rugzak naar hem gegooid. Verdachte zegt de rugzak te hebben opgevangen en ermee te zijn weggerend. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de camerabeelden gemaakt op 14 juni 2019. Op de beelden is te zien dat één van de jongens uit de groep, voorafgaand aan de staande houding, een tenminste soortgelijke rugzak draagt als die waarin het wapen is aangetroffen. Ook wordt gezien dat verdachte zich onder de personen bevindt die zich later rondom de ter plaatse gekomen politie verzamelt. Tot slot blijkt dat verdachte de rugzak in zijn hand houdt en daarna ermee wegrent van de politie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte is weggerend met de rugzak van een ander. Rechtstreeks opzet op het voorhanden hebben van een wapen in die rugzak valt uit het dossier niet af te leiden. Dat een van de verbalisanten verklaart dat hij zag dat een van de jongens die eerder door hen was staande gehouden met de rugzak weg rende komt niet overeen met de camerabeelden en de conclusie die de rechtbank daarop baseert. De rechtbank weegt de bevindingen aan de hand van de camerabeelden zwaarder.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of verdachte met het overnemen van een rugzak met inhoud bewust het risico heeft aanvaard dat er een wapen in de rugzak zat. De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er een wapen in de rugzak zat.
Hij zegt met de rugzak te zijn weggerend omdat de persoon gelijktijdig met het gooien van de rugzak riep dat er hasj in zat. Nog afgezien van de omstandigheid dat er geen steun is voor de stelling van verdachte dat hem is medegedeeld dat er specifiek hasj in de rugzak zat, kan in ieder geval worden vastgesteld:
- dat verdachte heeft geprobeerd de rugtas te onttrekken aan de politie en;
- dat met dat doel de rugzak aan hem is overhandigd. Kennelijk wilde de persoon die de rugzak gooide niet dat de politie kennis zou nemen van de inhoud van de rugzak.
Met het in deze situatie weghouden van de rugzak voor de politie, zonder te controleren wat de inhoud was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de rugzak verboden voorwerpen zaten. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van een wapen en zich in die zin in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak. Met het opvangen van de rugzak en ermee aan de haal gaan heeft verdachte voorts de beschikkingsmacht gehad over het wapen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen voorhanden heeft gehad.”
2.3
Voor een veroordeling wegens het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.Verder vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. (Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504.)
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. Terwijl politieagenten bezig waren met het fouilleren van een groep jongens, mengden andere jongens – onder wie de verdachte – zich in de groep. De verdachte was naar die groep gegaan “om hen uit de problemen te halen”. Er werd een rugzak in zijn richting gegooid, de verdachte ving die rugzak en rende er mee weg van de politie. Tijdens het rennen liet de verdachte de rugzak vallen. In de rugzak zijn een bruin samengeperst blok dat vermoedelijk hasj bevatte, een masker en het in de bewezenverklaring genoemde vuurwapen aangetroffen. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de verdachte heeft geprobeerd de rugzak te onttrekken aan de politie en dat de rugzak met dat doel aan hem is overhandigd.
2.4.2
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte – met het in de onder 2.4.1 omschreven situatie weghouden van de rugzak voor de politie, zonder te controleren wat de inhoud ervan was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rugzak verboden voorwerpen bevatte, en dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van een wapen “en zich in die zin in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak”, getuigt in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Voorhanden hebben wapen (art. 26.1 WWM). Falend middel over bewijsvoering voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Conclusie strekt tot vernietiging en strafvermindering wegens overaschrjidng van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige (81.1 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00651
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 6 februari 20231.het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2020 bevestigd. De verdachte is bij voormeld vonnis wegens “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank beslissingen genomen over het beslag en een tweetal vorderingen tenuitvoerlegging.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.2.
Het middel
2.1
In het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de verdachte zich “in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest” van de aanwezigheid van een vuurwapen.
Bewijsoverwegingen
2.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof, door een bevestiging van het vonnis van de rechtbank, bewezenverklaard dat hij:
“op 14 juni 2019 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten revolver van het merk BBM/Bruni, type Olympic 38, kaliber .22 long rifle zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad.”
2.3
Over het bewezenverklaarde heeft de rechtbank in het vonnis het volgende overwogen, welke bewijsoverwegingen het hof heeft overgenomen:
“De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat sprake is van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen.
De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of verdachte de rugzak vanaf het begin bij zich had of dat de rugzak door een ander in zijn richting is gegooid vlak voordat hij met de rugzak is gaan rennen. Als verdachte de rugzak namelijk steeds bij zich heeft gehad, dan moet hij zich sowieso in meer mate bewust zijn geweest van de inhoud daarvan. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij pas ter plaatse kwam nadat de groep was gesommeerd te gaan zitten. Hij was in de buurt en zag een groep jongens en de politie. Vervolgens is hij naar hen toe gegaan om de jongens te helpen. Bij de groep aangekomen werd er een rugzak naar hem gegooid. Verdachte zegt de rugzak te hebben opgevangen en ermee te zijn weggerend. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de camerabeelden gemaakt op 14 juni 2019. Op de beelden is te zien dat één van de jongens uit de groep, voorafgaand aan de staande houding, een tenminste soortgelijke rugzak draagt als die waarin het wapen is aangetroffen. Ook wordt gezien dat verdachte zich onder de personen bevindt die zich later rondom de ter plaatse gekomen politie verzamelt. Tot slot blijkt dat verdachte de rugzak in zijn hand houdt en daarna ermee wegrent van de politie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte is weggerend met de rugzak van een ander. Rechtstreeks opzet op het voorhanden hebben van een wapen in die rugzak valt uit het dossier niet af te leiden. Dat een van de verbalisanten verklaart dat hij zag dat een van de jongens die eerder door hen was staande gehouden met de rugzak weg rende komt niet overeen met de camerabeelden en de conclusie die de rechtbank daarop baseert. De rechtbank weegt de bevindingen aan de hand van de camerabeelden zwaarder.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of verdachte met het overnemen van een rugzak met inhoud bewust het risico heeft aanvaard dat er een wapen in de rugzak zat. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er een wapen in de rugzak zat. Hij zegt met de rugzak te zijn weggerend omdat de persoon gelijktijdig met het gooien van de rugzak riep dat er hasj in zat. Nog afgezien van de omstandigheid dat er geen steun is voor de stelling van verdachte dat hem is medegedeeld dat er specifiek hasj in de rugzak zat, kan in ieder geval worden vastgesteld:
- dat verdachte heeft geprobeerd de rugtas te onttrekken aan de politie en;
- dat met dat doel de rugzak aan hem is overhandigd. Kennelijk wilde de persoon die de rugzak gooide niet dat de politie kennis zou nemen van de inhoud van de rugzak.
Met het in deze situatie weghouden van de rugzak voor de politie, zonder te controleren wat de inhoud was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de rugzak verboden voorwerpen zaten. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van een wapen en zich in die zin in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak. Met het opvangen van de rugzak en ermee aan de haal gaan heeft verdachte voorts de beschikkingsmacht gehad over het wapen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen voorhanden heeft gehad.“
2.4
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld wat de Hoge Raad in zijn arresten van 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504 en ECLI:NL:HR:2020:510, heeft overwogen over het voorhanden hebben van een wapen of munitie:
“2.4 Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.”
Beoordeling van het middel
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het voorhanden hebben van het vuurwapen. Daarmee heeft het hof een zwaardere graad van schuld bij de verdachte vastgesteld dan de wet vereist voor een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in art. 26 lid 1 WWM.
2.6
In zijn conclusie voorafgaand aan een arrest van de Hoge Raad van 21 december 2021, ECLI:NLHR:2021:1945, zette toenmalig AG Vegter uiteen dat in het criterium van “een meerdere of mindere mate van bewustheid” de doorgaans bij voorwaardelijk opzet gebruikte formulering van het ‘bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans’ niet is terug te zien. Het aanmerkelijke karakter van de kans en het aanvaardingselement ontbreken. Alleen het woord ‘bewust’ komt erin voor, waaruit kan worden afgeleid dat voor het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie een minder vergaande eis wordt gesteld dan voorwaardelijk opzet.3.Dit komt mij juist voor. Hetgeen niet wegneemt dat ook met voorwaardelijk opzet op aanwezig hebben van een wapen sprake is van voorhanden hebben in deze zin.
2.7
Aan het middel wordt ten grondslag gelegd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van het vuurwapen in de naar hem toe gegooide rugtas, in weerwil van hetgeen het hof daarover heeft vastgesteld. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat niet is vastgesteld “hoe lang en onder welke omstandigheden” de verdachte de tas onder zich heeft gehad en, in het verlengde daarvan, dat het wegrennen van de politie weinig gelegenheid biedt tot onderzoek naar de inhoud van de tas.
2.8
De rechtbank, en daarmee het hof, heeft overwogen dat de tas aan de verdachte is overhandigd met het kennelijke doel deze te onttrekken aan de politie, de verdachte dat ook daadwerkelijk heeft geprobeerd door met de tas weg te rennen en hij de inhoud van de tas niet heeft gecontroleerd. Op basis van dat samenstel is tot het oordeel gekomen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tas verboden waar, zoals een vuurwapen, zou bevatten.
2.9
Het geheel van de door het hof vastgestelde feiten kan dit oordeel dragen. Dat de verdachte de tas niet heeft gecontroleerd wordt verder in cassatie niet betwist, terwijl uit de vaststellingen van het hof volgt dat hij daartoe op zich wel de gelegenheid had. Dat daarnaast nog aanvullende vaststellingen nodig zouden zijn, zie ik niet in. De in het middel besloten liggende opvatting dat in dit geval alleen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet als de verdachte daadwerkelijk zelf heeft vastgesteld of heeft kunnen vaststellen dat zich in de tas een wapen bevond, lijkt mij niet juist. Een aanmerkelijke kans (en de bewuste aanvaarding daarvan) kan immers ook dan bestaan als geen zekerheid bestaat of (op dat moment) kan worden verkregen over de feitelijke situatie of uitkomst. Het oordeel van het hof acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.10
Aangezien het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het voorhanden hebben van het wapen in stand kan blijven, behoeft hetgeen overigens in het middel wordt aangevoerd over het voor ‘voorhanden hebben’ vereiste bewustzijn geen bespreking.
Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 20 februari 2023. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.4.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
De volmacht tot het instellen van cassatie is op de laatste dag van de van toepassing zijnde cassatietermijn van veertien dagen, te weten op 20 februari 2023, om 16.03 uur per e-mail ontvangen door de griffie van het hof, toen deze nog geopend was. Hoewel de cassatieakte is gedateerd op 21 februari 2023, is het beroep daarmee tijdig ingesteld. Vgl. HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:231, rov. 2.3 en HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1562, rov. 2.1.
Conclusie voormalig A-G Vegter, 7 september 2021, ECLI:NL:PHR:2021:786, randnr. 24.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.
Beroepschrift 16‑08‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Sector strafrecht
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
Tevens digitaal ingediend
Datum | 16 augustus 2023 |
Referentie | S 23-00651 |
Betreft | Cassatieschriftuur houdende één middel van cassatie |
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
[verdachte] is verzoeker tot cassatie van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, d.d. 6 februari 2023, met parketnummer 23-000700-20. Namens verzoeker wordt hiertoe het volgende naar voren gebracht.
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid medebrengt, dan wel is sprake van een ondeugdelijke motivering, aangezien het gerechtshof het vonnis heeft bevestigd waarin verzoeker is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen waarbij is geoordeeld dat verzoeker zich ‘in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak’ terwijl de door de rechtbank genoemde omstandigheden voor het bewust zijn van de aanwezigheid van het vuurwapen slechts is gebaseerd op de vaststelling dat iemand een tas (met het vuurwapen erin) naar verzoeker gooide waarna verzoeker de tas probeerde te onttrekken aan de politie. Het oordeel van de rechtbank, overgenomen door het gerechtshof, over het criterium ‘voorhanden hebben’ is daardoor onjuist; althans, het oordeel dat deze omstandigheden steun opleveren voor het ‘voorhanden hebben’ is ondeugdelijk gemotiveerd.
Inleiding
1.
De vraag in deze zaak is de volgende. Heeft een persoon een wapen voorhanden — in het bijzonder of hij daarvan bewust is — wanneer hij een tas naar zich krijgt gegooid vanuit een groep met hem bekende mensen, die tas opvangt, en direct ermee wegrent? De persoon in kwestie (verzoeker) was bovendien niet eerder aanwezig bij de groep waardoor niet vastgesteld kan worden dat verzoeker wist wat er in de tas zat. De rechtbank heeft verzoeker veroordeeld, het gerechtshof heeft die veroordeling bevestigd.
2.
De rechtbank heeft als volgt overwogen:
‘5.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor het voorhanden hebben van een wapen is vereist dat sprake is van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen.
De vraag die eerst moet worden beantwoord, is of verdachte de rugzak vanaf het begin bij zich had of dat de rugzak door een ander in zijn richting is gegooid vlak voordat hij met de rugzak is gaan rennen. Als verdachte de rugzak namelijk steeds bij zich heeft gehad, dan moet hij zich sowieso in meer mate bewust zijn geweest van de inhoud daarvan. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij pas ter plaatse kwam nadat de groep was gesommeerd te gaan zitten. Hij was in de buurt en zag een groep jongens en de politie. Vervolgens is hij naar hen toe gegaan om de jongens te helpen. Bij de groep aangekomen werd er een rugzak naar hem gegooid. Verdachte zegt de rugzak te hebben opgevangen en ermee te zijn weggerend. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de camerabeelden gemaakt op 14 juni 2019. Op de beelden is te zien dat één van de jongens uit de groep, voorafgaand aan de staande houding, een tenminste soortgelijke rugzak draagt als die waarin het wapen is aangetroffen. Ook wordt gezien dat verdachte zich onder de personen bevindt die zich later rondom de ter plaatse gekomen politie verzamelt. Tot slot blijkt dat verdachte de rugzak in zijn hand houdt en daarna ermee wegrent van de politie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte is weggerend met de rugzak van een ander. Rechtstreeks opzet op het voorhanden hebben van een wapen in die rugzak valt uit het dossier niet af te leiden. Dat een van de verbalisanten verklaart dat hij zag dat een van de jongens die eender door hen was staande gehouden met de rugzak weg rende kómt niet overeen met dé camerabeelden en de conclusie die de rechtbank daarop baseert. De rechtbank weegt de bevindingen aan de hand van de camerabeelden zwaarder.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of verdachte met het overnemen van een rugzak met inhoud bewust het risico heeft aanvaard dat er een wapen in de rugzak zat. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er een wapen in de rugzak zat. Hij zegt met de rugzak te zijn weggerend omdat de persoon gelijktijdig met het gooien van de rugzak riep dat er hasj in zat. Nog afgezien van de omstandigheid dat er geen steun is voor de stelling van verdachte dat hem is medegedeeld dat er specifiek hasj in de rugzak zat, kan in ieder geval worden vastgesteld:
- —
dat verdachte heeft geprobeerd de rugtas te onttrekken aan de politie en;
- —
dat met dat doel de rugzak aan hem is overhandigd. Kennelijk wilde de persoon die de rugzak gooide niet dat de politie kennis zou nemen van de inhoud van de rugzak.
Met het in deze situatie weghouden van de rugzak voor de politie, zonder te controleren wat de inhoud was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de rugzak verboden voorwerpen zaten. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van een wapen en zich in die zin in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen in de rugzak. Met het opvangen van de rugzak en ermee aan de haal gaan heeft verdachte voorts de beschikkingsmacht gehad over het wapen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wapen voorhanden heeft gehad.’
Gronden cassatie
3.
De rechtbank heeft uit de vaststelling dat verzoeker wegrende met een aan hem overhandigde tas, geconcludeerd dat er voorwaardelijk opzet is op het voorhanden hebben van een vuurwapen in die tas. Niet is vastgesteld hoe lang en onder welke omstandigheden verzoeker de tas onder zich heeft gehad. Namens verzoeker wordt primair naar voren gebracht dat er onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat er een aanmerkelijke kans is op een vuurwapen in de tas, noch dat verzoeker bewust is geweest van die kans en die heeft aanvaard. Het wegrennen van de politie biedt immers weinig gelegenheid tot een onderzoek bewust of onbewust (door bijvoorbeeld het voelen van het wapen). Aan de vereisten van voorwaardelijk opzet is daarom niet voldaan. Dit komt ook overeen met het oordeel van de rechtbank (in de strafmaat) dat verzoeker ‘dit wapen niet expres bij zich [heeft] gestoken.
4.
De bewustheid kan ook bewuste schuld omvatten, zo wordt onder meer door A-G Knigge betoogd. Namens verzoeker wordt primair echt herhaald dat geoordeeld is dat verzoeker voorwaardelijk opzet zou hebben, en niet dat hij schuld zou hebben. Bij het oordeel over het voorhanden hebben dient een normatieve dimensie te worden betrokken en ten aanzien van ‘het voorhanden hebben van een wapen [is] tenminste vereist […] dat de verdachte zich bewust is van de in de omstandigheden van het geval feitelijk voor de hand liggende mogelijkheid van aanwezigheid van een wapen.’1. Uit NJ 2020/252 blijkt dat de verdachte in ieder geval bewust moest zijn van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Het enkele feit dat een goed verborgen moet worden voor de politie, levert niet zonder meer de conclusie op dat het waarschijnlijk om een vuurwapen gaat. Het betrekken van een normatieve dimensie levert daarbij geen andere conclusie op, te meer nu de rechtbank heeft vastgesteld in de strafmaat dat verzoeker het wapen niet expres bij zich had gestoken.
Conclusie
Dat op genoemde gronden het uw Hoge Raad moge behagen de uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als noodzakelijk voorkomt.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, kantoorhoudende aan Kraanspoor 50, 1033 SE, die verklaart tot ondertekening en indiening van de schriftuur bepaaldelijk gemachtigd te zijn door verzoeker tot cassatie, [verdachte].
Amsterdam, 16 augustus 2023
M.A.C. de Bruijn
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑08‑2023
HR 31-03-2020, ECLI:NL:HR:2020:510, m.nt. H.J.B. Sackers. Conclusie onder 15 en 16.