Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/1.5
1.5 Verantwoording onderzoek(smethode)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp , datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291499:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor het belang van (meer) juridisch-dogmatisch onderzoek zie: R. van Gestel, ‘Revitalisering van juridisch-dogmatisch onderzoek’, NJB 2021/4, p. 286-295.
J.B.M. Vranken, Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/8 (online, bijgewerkt op 19 januari 2014).
Er zijn - behalve de Engelse taal - drie redenen waarom ik met name naar de Australische en Nieuw-Zeelandse GST heb gekeken. In de eerste plaats zijn deze GST’s net als de Europese btw indirecte, algemene verbruiksbelastingen die beogen consumptief verbruik te belasten (C. Peacock, ‘Is There a Viable Way to Tax the Concumption of Immovable Property That is More Consistent with the Economic of the VAT?’, Journal of the Australasian Tax Teachers Association 2018, Volume 18, nr. 1, p. 336). De tweede reden is de leeftijd van deze GST’s. De Nieuw-Zeelandse GST is op 1 oktober 1986 ingevoerd en heeft model gestaan voor de grote meerderheid van landen die sindsdien een moderne btw hebben ingevoerd (A. Sawyer, ‘New Zealand’s Succesful Experience Introducing GST: Informative Guidance for Hong Kong?’, Hong Kong Law Journal 2013, Volume 43, nr. 1, p. 171). De Australische GST is op 1 juli 2000 in werking getreden en dus aanzienlijk jonger dan de Nieuw-Zeelandse GST, maar is met haar twintig jaar oud genoeg om de fase van de kinderziekten voorbij te zijn. In de derde plaats speelt bij de keuze voor de Nieuw-Zeelandse GST een rol dat deze GST - voor zover mij bekend - de eerste moderne btw is. De keuze voor een belastingheffing ter zake van vastgoedtransacties die afwijkt van de (traditionele) Europese btw berust dan ook op een bewuste keuze. Dit geldt eveneens voor de Australische GST, aangezien Australië in navolging van Nieuw-Zeeland heeft gekozen voor een moderne btw met een beperkt aantal vrijstellingen. Voor de uitleg van begrippen in de Australische GST wordt in de jurisprudentie en beleid regelmatig verwezen naar de uitleg van vergelijkbare begrippen door het Hof van Justitie (Thomas Ecker, Micheal Lang en Ine Lejeune (ed.), The Future of Indirect Taxation. Recent Trends in VAT and GST Systems Around the World, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2012, p. 28.). Zie bijv. Miscellaneous Taxation Ruling 2006/1. The New Tax System: the meaning of entity carrying on an enterprise for the purpose of entitlement to an Australian Business Number, punten 198 en 199 waarin voor de belastingplicht van een holding wordt verwezen naar de “overseas VAT cases” (te weten: HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633 (Polysar) en HvJ EG 14 november 2000, zaak C-142/99, V-N 2000/53.17 (Floridienne/Berginvest)). Dit ‘putten’ uit de (traditionele) Europese btw onderstreept dat de keuze van Australië om ter zake van vastgoedtransacties een koers te varen die afwijkt van de Europese een welbewuste is.
Naast de website van het Hof van Justitie, www.curia.europa.eu is ook gebruikgemaakt van de website www.rechtspraak.nl (Nederlandse jurisprudentie) en in een enkel geval de website van een nationale rechtelijke instantie in een andere EU-lidstaat.
Voor de openbaar gemaakte documenten met betrekking tot de Tweede Richtlijn betreft dit “cm20358.xx67” t/m “cm20383.xx67” en voor de documenten die betrekking hebben op de Zesde Richtlijn betreft het documenten met de nummers 170 t/m 268.
De verstrekte pdf-bestanden en de daarin vervatte documenten die betrekking hebben op de Zesde Richtlijn zijn - in tegenstelling tot de documenten die betrekking hebben op de Tweede Richtlijn - beveiligd waardoor het doorzoeken van deze bestanden aan de hand van zoektermen helaas niet mogelijk was.
M. Hillebrandt, ‘Het Duitse voorzitterschap van de EU-raad. Een kantelpunt voor transparantie van besluitvorming?’, NJB 2020/1643.
In dit onderzoek is gekozen voor de juridisch-dogmatische onderzoeksmethode.1 Deze onderzoeksmethode is door Vranken omschreven als de onderzoeksmethode die tot object van onderzoek heeft het geldende positieve recht, zoals dat is neergelegd in geschreven en ongeschreven nationale, Europese of internationale regels, beginselen, begrippen, leerstukken en jurisprudentie, en van commentaar is voorzien in de literatuur.2 In dit onderzoek is het object van onderzoek beperkt tot het geldende positieve Europese btw-recht, zoals dat is neergelegd in de Btw-richtlijn, de Btw-uitvoeringsverordening en de jurisprudentie van het Hof van Justitie, en van commentaar voorzien is in de (inter)nationale fiscaal-wetenschappelijke literatuur. In mijn onderzoek zal ik steeds eerst ingaan op de betreffende bepaling in de Btw-richtlijn of Btw-uitvoeringsverordening en haar historie (“richtlijn(historie)”). Vervolgens ga ik in op de uitleg van deze bepaling in de jurisprudentie van het Hof van Justitie (“Hof van Justitie”). Indien een richtlijnbepaling lidstaten een keuze laat en het in kaart brengen van de gemaakte keuzes door de lidstaten nodig of verhelderend kan zijn voor de beantwoording van de onderzoeksvraag, dan zal de praktijk in de lidstaten op hoofdlijnen worden geschetst (“praktijk lidstaten”). Indien sprake is van een keuzemogelijkheid met een (ruime) beoordelingsruimte, dan zal tevens worden ingezoomd op de keuze die Nederland heeft gemaakt (“Nederland”).
Ik heb overwogen om naast de juridisch-dogmatische onderzoeksmethode te kiezen voor de onderzoeksmethode van internationale rechtsvergelijking, door de belastingheffing van vastgoedtransacties in de Europese btw te vergelijken met de belastingheffing van vastgoedtransacties in één of meer landen met een moderne btw, zoals Australië of Nieuw-Zeeland. Dat ik hiervan uiteindelijk heb afgezien, heeft een kwalitatieve, een temporele en een kwantitatieve reden. De kwalitatieve (en belangrijkste) reden is dat een internationaal rechtsvergelijkend onderzoek voor de beantwoording van de onderzoeksvraag niet noodzakelijk is. De temporele en kwantitatieve reden zijn pragmatisch van aard: het ontbreken van de beschikbare tijd en de reeds aanzienlijke omvang van het onderzoek. Wat de beschikbare tijd betreft merk ik op dat het onderzoek van het op grond van de Eurowob verstrekte richtlijnhistorische materiaal dermate tijdrovend was dat mij de beschikbare tijd ontbrak voor nog een tijdrovend onderzoek. Daarnaast heeft mijn onderzoek – niet alleen vanwege het uitvoerige richtlijnhistorische onderzoek, maar ook vanwege de enorme hoeveelheid relevante jurisprudentie en literatuur – reeds een aanzienlijke omvang. Het achterwege laten van een extra internationaal rechtsvergelijkend onderzoek voorkomt dat de omvang van het onderzoek onnodig verder uitdijt tot ‘Dikke Van Dale-achtige’ proporties. Hoewel geen sprake is van een uitputtend internationaal rechtsvergelijkend onderzoek, zal ik in mijn aanbevelingen wel verwijzen naar de belastingheffing van vastgoedtransacties in landen met een moderne btw en met name naar Australië en Nieuw-Zeeland.3
Met voorgaande verantwoording van de gekozen onderzoeksmethode heb ik nog geen verantwoording gegeven van de wijze waarop ik het richtlijnhistorisch, jurisprudentie- en literatuuronderzoek feitelijk heb verricht. Dienaangaande licht ik het volgende toe. Voor het vinden van de relevante gepubliceerde richtlijnhistorie, jurisprudentie en literatuur heb ik via trefwoorden en artikelsgewijze commentaren gezocht in digitale (literatuur)databanken.4 Daarnaast heb ik via trefwoorden gezocht op de websites van het Hof van Justitie en van nationale rechterlijke instanties.5 Voorts is aan de hand van de verwijzingen in gevonden gepubliceerde richtlijnhistorie, jurisprudentie en literatuur andere gepubliceerde richtlijnhistorie, jurisprudentie en literatuur achterhaald. Ten slotte is gedurende het onderzoek gebruikgemaakt van nieuwsbrieven van fiscale uitgevers en wekelijkse overzichten van verschenen literatuur in onder meer V-N, WFR en NLFiscaal om er zeker van te zijn dat relevante nieuwe jurisprudentie en recente literatuur niet over het hoofd is gezien. Door de combinatie van voornoemde zoekmethoden ben ik ervan overtuigd dat in mijn onderzoek de relevante gepubliceerde richtlijnhistorie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn verwerkt. Ten aanzien van de verwerking van de literatuur merk ik op dat de omvang van de literatuur die betrekking heeft op de deelonderwerpen van dit onderzoek dusdanig is dat ik niet gestreefd heb naar volledigheid. Wel heb ik gepoogd om de heersende opvattingen in de literatuur weer te geven en waar de opvattingen in de literatuur uiteenlopen of waar mijn opvatting afwijkt van de heersende opvatting aan te geven waarom ik een opvatting (niet) onderschrijf.
Met betrekking tot het feitelijke onderzoek van de richtlijnhistorische documenten die op grond van een ‘Eurowob-verzoek’ zijn ontvangen, merk ik ter verantwoording het volgende op. Deze documenten zijn op een CD-ROM ontvangen. Hierop staan pdf-bestanden met een (map)nummer.6 Een inhoudsopgave of een (voor mij) logische indeling van de documenten is niet verstrekt. Om die reden heb ik alle ontvangen bestanden één-voor-één doorgenomen op eventuele relevante punten voor dit onderzoek.7 Uit de doorgenomen documenten is mij gebleken dat de documenten die betrekking hebben op de raadszittingen – zonder opgaaf van redenen – niet zijn verstrekt. Ieder afzonderlijk pdf-bestand bevat één of meer documenten in al de verschillende taalversies waarin deze documenten zijn opgemaakt. Voor dit onderzoek ben ik uitgegaan van de Nederlandse taalversie, tenzij van een relevant document de Nederlandse taalversie ontbreekt (dit kwam een enkele keer voor). De verstrekte pdf-bestanden alsmede de documenten die daarin zijn opgenomen, zijn niet altijd chronologisch geordend. Aan de hand van de datum op de documenten heb ik niettemin de chronologie van de openbaar gemaakte documenten kunnen vaststellen. Op een aantal documenten staat niet vermeld of het een document betreft van de (voorzitter van de) Groep financiële vraagstukken of (de voorzitter van) het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Niettemin heb ik van deze document aan de hand van de datering en/of het verband met andere documenten wel kunnen vaststellen van wie deze afkomstig (moeten) zijn. In voorkomende gevallen zal dit worden aangegeven. In het licht van het voorgaande is het denk ik niet te veel gezegd dat de transparantie van de besluitvorming op Raadsniveau door Hillebrandt verre van bevredigend genoemd is, maar dat terzijde.8 De omvang van de onderzochte openbaargemaakte documenten is aanzienlijk (in totaal circa 3 gigabyte aan documenten). De openbaar gemaakte documenten die betrekking hebben op de Tweede en Zesde Richtlijn in de Nederlandse taal omvatten uitgeprint in totaal circa vier ordners van 8 cm breed (A4-formaat).
Het onderzoek is afgesloten op het moment dat het manuscript naar de promotiecommissie is verzonden (3 april 2021). Nadien verschenen jurisprudentie en literatuur heb ik in dit onderzoek niet meer verwerkt.