NJ 2025/227
Ontucht. De opgelegde bijzondere voorwaarde die inhoudt dat de verdachte zich door een zorgverlener laat behandelen en zich houdt aan aanwijzingen van de zorgverlener, waaronder ook het innemen van medicijnen kan vallen, is niet in strijd met artikel 14c, tweede lid, aanhef en onder 11°, Sr of met artikel 8 EVRM.
HR 27-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:775, m.nt. P.C. Vegter
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 mei 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/02499
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Noot
P.C. Vegter
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD24106:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:775, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:322, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑05‑2024
- Wetingang
Essentie
Ontucht. Aan de verdachte wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke straf opgelegd met als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling voor een maximale duur van twee jaren. Als onderdeel van die voorwaarde heeft het hof opgenomen dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, waaronder ook het innemen van medicijnen kan vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. In cassatie wordt tevergeefs geklaagd dat deze voorwaarde in strijd is met artikel 14c lid 2 onder 11° Sr en een vorm van dwangmedicatie inhoudt die inbreuk maakt op het zelfbeschikkingsrecht van de verdachte zoals ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.