Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/13.10.2
13.10.2 Beoordeling
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947810:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo vond ook de Commissie-Veling, zie: Commissie-Veling 2018, p. 50.
CDL-AD(2020)032 van de Venice Commission (14 december 2020), Guidelines on political party regulation. Second edition, par. 229.
De minister van BZK leek er in een brief aan de Kamer van uit te gaan dat de Green European Foundation, die in 2019 en 2020 een gift verstrekte aan (het wetenschappelijk bureau van) GroenLinks, een Europese zusterpartij is. Dat lijkt me onjuist: de Green European Foundation is geen politieke partij. Kamerstukken II 2021/22, 35657, nr. 60, p. 3.
Barnard 2019, p. 525-527.
Kamerstukken II 2020/21, 35657, nr. 3, p. 15. Zie ook art. 2 VEU.
Zie HvJ EG 5 februari 1963, ECLI:EU:C:1963:1; CDL-AD(2006)014 van de Venice Commission (31 maart 2006), Opinion on the prohibition of financial contributions to political parties from foreign sources, par. 24. Ook de klaagster in de zaak Parti Nationaliste Basque – Organisation Régionale d’Iparralde/France beriep zich (tevergeefs) op dit argument.
Zie ook Trapman 2022b, p. 24-25.
Donaties van buitenlandse (rechts)personen, die geen onderdeel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde maar daarop niettemin invloed trachten uit te oefenen, zijn ongewenst en kunnen een bedreiging vormen voor de Nederlandse democratie. Het feit dat substantiële giften niet vaak voorkomen doet daaraan niets af. Het is immers zaak om het risico op buitenlandse inmenging te beperken.1 Voorkomen moet worden dat buitenlandse actoren zich met nationale politieke aangelegenheden gaan bemoeien. 2Financiële banden met het buitenland kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat partijen zich in het parlement op het behartigen van buitenlandse belangen gaan richten. Die beschermingsgedachte is de Nederlandse staatsrechtelijke doctrine overigens niet vreemd. Het is bijvoorbeeld de reden dat artikel 4 Gw het kiesrecht voorbehoudt aan degenen met de Nederlandse nationaliteit.3 Het parlement moet, wanneer onderwerpen met een internationale component behandeld worden, immers de
Nederlandse belangen behartigen. Buitenlandse invloed op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging staat daarmee op gespannen voet.
Transparantie is een ontoereikend middel om deze buitenlandse beinvloeding tegen te gaan. Daarbij geldt een vergelijkbaar argument als in de vorige paragraaf werd aangevoerd om de wenselijkheid van een giftenplafond te bepleiten: transparantie maakt gevallen van ongewenste beïnvloeding wel zichtbaar, maar allerminst onmogelijk. Transparantie stelt de kiezer in staat om voorkomende gevallen van buitenlandse financiering te beoordelen (en te veroordelen). Ook hier geldt dat het kiezersoordeel slechts een beperkte waarborg is tegen ongewenste partijfinanciering. Een verbod op buitenlandse financiering is daarom het enige aangewezen middel om buitenlandse financiering uit te sluiten.
Het aanvankelijk door de regering gemaakte onderscheid tussen EU- en niet-EU-lidstaten is daarbij terecht achterwege gelaten. De twee argumenten die de regering aanvoerde ter handhaving van dit onderscheid, te weten het contact tussen zusterpartijen en het vrije verkeer van kapitaal, houden geen stand. Wat de contacten met Europese zusterpartijen betreft, zij volstaan met de opmerking dat het dan meer in de rede had gelegen om slechts giften van Europese zusterpartijen toe te staan. Het argument schiet op zichzelf tekort om dan alle giften uit andere EU-lidstaten toe te laten. Terzijde kan worden opgemerkt dat uit de door de minister van BZK gepubliceerde giftenoverzichten valt af te leiden dat geen enkele in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partij in de afgelopen jaren een substantiële gift van een Europese zusterpartij ontvangen heeft.4
Wat betreft het vrije verkeer van kapitaal geldt het volgende. Als enige van de vier Unierechtelijke vrijheden kunnen ook derde landen, zijnde landen die geen onderdeel uitmaken van de EU, daar een beroep op doen. 5Wel kan het beginsel ten opzichte van deze derde landen verdergaand worden beperkt dan ten opzichte van EU-lidstaten geoorloofd is, indien dat onderscheid gerechtvaardigd kan worden. In haar oorspronkelijke voorstel zocht de regering de rechtvaardiging van dat onderscheid enerzijds (opnieuw) in het feit dat Nederlandse partijen contacten onderhouden met Europese zusterpartijen, waar dat met partijen uit derde landen minder het geval is. Hierboven werd al aangetoond dat dat argument niet toereikend is. Anderzijds stelde zij dat het ‘harmonisatie-en samenwerkingsmaatregelen betreft, waarvan het doel en de juridische context van de liberalisatie van het kapitaalverkeer kunnen verschillen al naargelang het gaat om de betrekkingen en ook het vrij verkeer van kapitaal tussen lidstaten onderling en in de relatie met derde landen’.6 De regering wierp de aard van de EU als ‘waardengemeenschap en gemeenschappelijke rechtsorde’ als reden op om giften afkomstig uit derde landen aan verdergaande beperkingen onderhevig te maken.7 Betwijfeld kan echter worden of het feit dat de EU een ‘waardengemeenschap en gemeenschappelijke rechtsorde’ betreft, betekent dat politieke beïnvloeding vanuit andere EU-lidstaten minder bezwaarlijk is dan uit derde landen. Toegegeven, lidstaten hebben hun nationale soevereiniteit ten behoeve van de EU begrensd,8 zodat men kan aanvoeren dat een beroep op deze soevereiniteit bij het reguleren van partijfinanciering uit EU-lidstaten slechts beperkt opgaat. Voor zover de EU echter het handelen van politieke partijen normeert, gaan deze regels alleen over de wisselwerking tussen de in het Europees Parlement vertegenwoordigde partijen en nationale politieke partijen.9 Daar kan niet uit worden afgeleid dat financiering van nationale partijen vanuit andere EU-lidstaten moet worden toegelaten, laat staan dat deze vorm van financiering wenselijk is. Of het nu gaat om financiering vanuit landen binnen of buiten de EU, de onafhankelijkheid van de Nederlandse politieke partij is in beide gevallen evenzeer in het geding. Waar het doel is om de democratie te beschermen tegen buitenlandse invloeden, moet het niet uitmaken uit welk land deze invloed afkomstig is. Een onderscheid tussen EU-lidstaten en derde landen is dan ook ongewenst en in de Evaluatiewet Wfpp (uiteindelijk) terecht achterwege gelaten.10
Het andere argument dat werd aangevoerd om dit onderscheid terzijde te schuiven – donateurs uit derde landen kunnen anders (rechts)personen binnen de EU als tussenpersoon gebruiken – snijdt overigens minder hout. Op zichzelf is dat juist, maar met een algemeen verbod op buitenlandse giften verschuift dat probleem slechts. Het laat immers de mogelijkheid open voor buitenlandse donateurs om geld over te maken naar een Nederlandse (rechts)persoon, die het geld vervolgens doorsluist naar de politieke partij. Deze situatie is moeilijk te voorkomen. De in de vorige paragrafen uiteengezette transparantieverplichtingen kunnen helpen om in dergelijke praktijken inzage te geven, maar andermaal moet geconcludeerd worden dat er manieren blijven om de verplichtingen te ontduiken.