HR, 18-06-2010, nr. 10/00322
ECLI:NL:HR:2010:BM1675
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18-06-2010
- Zaaknummer
10/00322
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BM1675
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BM1675, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑06‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM1675
ECLI:NL:PHR:2010:BM1675, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑04‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM1675
- Wetingang
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑06‑2010
Inhoudsindicatie
WSNP. Tussentijdse beëindiging toepassing schuldsanering krachtens art. 350 F.; niet-voldoening schuldenaar aan informatieplicht en afdrachtplicht (art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F.); schuldenaar heeft bovenmatige nieuwe schulden laten ontstaan (art. 350 lid 3, aanhef en onder d, F.). (81 RO)
18 juni 2010
Eerste Kamer
10/00322
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. de Boorder.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 08/259 R van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 oktober 2009,
b. het arrest in de zaak 200.047.493/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 januari 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 juni 2010.
Conclusie 16‑04‑2010
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage van 12 januari 2010. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank 's‑Gravenhage van 29 oktober 2009, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] tussentijds is beëindigd, bekrachtigd.
2.
Het cassatieberoep berust op één middel. De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3.
Het middel bevat vier klachten.
4.
De eerste klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] vanaf de toelating tot de schuldsaneringsregeling nimmer heeft voldaan aan de verplichting om maandelijks af te dragen aan de boedel. Volgens het middel is deze vaststelling onjuist en daardoor onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, omdat [verzoeker] in hoger beroep een betalingsbewijs heeft overgelegd van zijn volledige achterstand.
5.
De klacht faalt omdat, nog daargelaten dat het bestreden oordeel feitelijk van aard is en derhalve op juistheid in cassatie niet kan worden onderzocht, de omstandigheid dat [verzoeker] in één keer zijn achterstand in boedelbetalingen heeft betaald, niet afdoet aan (de begrijpelijkheid van) het oordeel van het hof dat [verzoeker] — vóór die betaling — nimmer heeft voldaan aan de verplichting om maandelijks af te dragen aan de boedel.
6.
De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet, althans niet naar behoren, heeft voldaan aan de informatieplicht door niet te reageren op informatieverzoeken van de bewindvoerder, onbegrijpelijk is want in strijd met de voorliggende feiten, nu de advocaat van [verzoeker] in het kader van het hoger beroep informatie heeft verstrekt. Voorts wijst de klacht erop de bewindvoerder eerst in de hoger beroepsprocedure heeft aangegeven dat [verzoeker] voor begeleiding moet zorgen, indien hij niet zelf in staat is naar behoren aan zijn informatieplicht te voldoen.
7.
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Bij de beoordeling van de vraag of [verzoeker] aan zijn informatieplicht heeft voldaan, komt het aan op de informatie die [verzoeker] tijdens de uitvoering van de schuldsaneringsregeling aan de bewindvoerder verschaft, en niet op informatie die zijn advocaat ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep alsnog aandraagt. Nu het hof — onbestreden in cassatie — heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het tekortschieten van [verzoeker] in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen geheel of in overwegende mate te wijten is aan diens psychische problemen, kan de door de klacht aangevoerde omstandigheid dat de bewindvoerder eerst in de hoger beroepsprocedure zou hebben aangegeven dat [verzoeker] voor begeleiding had moeten zorgen (wat daar verder ook van zij), niet in de weg staan aan het oordeel van hof dat [verzoeker] toerekenbaar in zijn informatieplicht is tekortgeschoten.
8.
De derde klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat in aanmerking moet worden genomen dat [verzoeker] nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan (in verband met een aanrijding en een diefstal). Dit oordeel is volgens de klacht onbegrijpelijk en in strijd met het recht, aangezien de vader van [verzoeker] deze schulden voor zijn rekening heeft genomen dan wel zal nemen.
9.
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Miskend wordt dat het aanknopingspunt voor de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 sub d Fw niet zozeer ligt in de toename van de schuldenlast, maar in het gedrag van de schuldenaar, die door het laten ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden ervan blijk geeft niet in staat of van zins te zijn om zijn financiën op orde te houden en daardoor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling in gevaar brengt. Vgl. Wessels, Insolventierecht, Deel IX, 2e dr. 2009, nr. 9372. Het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de vader van [verzoeker] bereid is om af te lossen op de bovenmatige schulden die [verzoeker] tijdens de schuldsaneringsregeling heeft laten ontstaan, niet ertoe leidt dat het laten ontstaan van die schulden buiten beschouwing gelaten dient te worden, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
10.
De vierde klacht, die zich richt tegen het oordeel van het hof dat alle omstandigheden in aanmerking nemende sprake is van tekortkomingen die — elk afzonderlijk alsook tezamen — in de weg staan aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling, mist zelfstandige betekenis naast de eerder aangevoerde klachten.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,