Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.5.1.1
5.5.1.1 Zelfstandige onderdelen
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633519:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Kooten 2017, p. 218, 228.
Van Kooten 2017, p. 218.
Van Kooten 2014, p. 355, 361.
Het universele statuut van RKK (canon 116 CIC 1983) kent het onderscheid tussen publieke kerkelijke rechtspersonen (opgericht door het kerkgenootschap) en private kerkelijke rechtspersonen (opgericht door katholieke gelovigen en waaraan het bevoegde kerkelijke gezag kerkelijke rechtspersoonlijkheid heeft toegekend); zie daarover Pel 2013, p. 129 en Meijers 2012, p. 38.
Een bisdom of diocees is een kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder het bestuur van een plaatselijke bisschop valt.
Een parochie is een zelfstandige kerkelijke gemeenschap onder de zorg van een pastoor.
Een dekenaat is bestuurlijke en territoriale eenheid, een tussenlaag tussen het bisdom en de parochies.
Een diaconie is een kerkelijke instelling die verantwoordelijk is voor het maatschappelijk werk.
Van Bijsterveld & Vermeulen webeditie 2021, par. 9, laatst geraadpleegd op 29 november 2021; Vleugel 2018, p. 271, 277; Van Kooten 2014, p. 355; Santing-Wubs 2002, p. 25. Zie voor de rechtspraak hierover Van Bijsterveld 1998, p. 46; zie voor een uitgebreide lijst van voorbeelden van zelfstandige onderdelen Pel 2013, p. 127 e.v.
Asser/Rensen 2-III 2017/380, sub a.
Asser/Rensen 2-III 2017/380, aanhef en sub a.
Santing Wubs 2002, p. 25.
HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392, r.o. 3.2.
Annotatie Maeijer bij HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392, onderdeel 2.
Pel 2013, p. 129.
Van Kooten 2017, p. 217-223; p. 229-230.
HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392, r.o. 3.2.
Vleugel 2018, p. 279, 280, 291; Van Kooten 2017, p. 220; Santing-Wubs 2002, p. 31. Volgens Asser/Rensen 2-III 2017/380, sub a) is het niet noodzakelijk dat een zelfstandig onderdeel een religieus karakter heeft, want die religiositeitseis geldt alleen voor het kerkgenootschap waarvan het deel uitmaakt, zodat in de visie van Rensen een bierbrouwerij en een pensioenfonds wel degelijk als een zelfstandig onderdeel kunnen kwalificeren.
Santing-Wubs 2002, p. 29.
Hof Den Haag 13 december 1984, kenbaar uit HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
Van Kooten 2017, p. 220, 221; Santing-Wubs 2002, p. 31, 32.
Van Kooten 2017, p. 221.
Over dit kenmerk van een zelfstandig onderdeel woedt discussie in de literatuur. Zo is volgens Asser/Rensen 2-III 2017/380, sub a de eis van zeggenschap in strijd met de vrijheid van inrichting van het kerkgenootschap en niet af te leiden uit de wet maar Santing-Wubs (2002, p. 32) vindt dat een kerkgenootschap in meerdere of mindere mate zeggenschap moet hebben over het zelfstandig onderdeel.
Van Kooten 2017, p. 218, 228.
Een kerkgenootschap-rechtspersoon is vrij om zelfstandige onderdelen op te richten. Volgens artikel 2:2 BW bezitten zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat zij zelfstandig aan het maatschappelijk (rechts)verkeer kunnen deelnemen. Deze rechtspersoonlijkheid ontlenen ze aan het kerkgenootschap waarvan ze een zelfstandig onderdeel uitmaken.1 Ze worden geregeerd door het statuut van het kerkgenootschap waarvan ze deel uitmaken. Voor het bepalen of er sprake is van een zelfstandig onderdeel vormt het statuut het uitgangspunt. Uit het statuut zou onder meer moeten blijken hoe het zelfstandig onderdeel in de organisatorische structuur van het kerkgenootschap is ingebed, welke autonomie het zelfstandig onderdeel geniet en welke zeggenschap het kerkgenootschap heeft in het zelfstandig onderdeel (goedkeurings- of instemmingsrecht).2 Net als bij het kerkgenootschap kan registratie van het zelfstandig onderdeel in het Handelsregister een indicatie voor deze status zijn, maar de meeste zekerheid biedt ook hier een verklaring-voor-rechtprocedure krachtens artikel 3:302 BW.3 Voorbeelden van zelfstandige onderdelen zijn binnen het RKK4 bisdommen,5 parochies6, dekenaten,7 kloosterorden, seminaries en-congregaties en zelfstandige kloosters en binnen de PKN plaatselijke diaconieën8 en classes.9
Een wettelijke definitie van een zelfstandig onderdeel ontbreekt. Gezien de inrichtingsvrijheid en de daaruit voortvloeiende organisatorische diversiteit van kerkgenootschappen is het passend dat de wetgever kerkgenootschappen de ruimte geeft zelf te bepalen wat als ‘zelfstandige onderdelen’ moet worden aangemerkt.10 Volgens de parlementaire toelichting moet de rechter op grond van kerkrechtelijke criteria beoordelen of er sprake is van een zelfstandig onderdeel.11 Deze criteria vloeien voort uit het statuut en eventueel de reglementen van het betreffende kerkgenootschap.
Rensen omschrijft een zelfstandig onderdeel als ‘een organisatorische eenheid van een kerkgenootschap die aan het rechtsverkeer kan deelnemen en die door het kerkgenootschap als zelfstandig onderdeel in de zin der wet wordt aangemerkt’.12 Santing-Wubs beklemtoont dat de aanduiding ‘zelfstandig’ niet wijst op een van het kerkgenootschap geheel onafhankelijk functioneren van het onderdeel, maar op ‘het zijn van een apart optredende entiteit, die haar identiteit ontleent aan het kerkgenootschap’.13 Het kerkgenootschap zou dan het onderdeel de bevoegdheid moeten toekennen zelfstandig, onder eigen naam naar buiten op te treden. Of een instelling een zelfstandig onderdeel vormt van een kerkgenootschap, wordt volgens de Hoge Raad primair bepaald door het feit of het kerkgenootschap de instelling als zelfstandig onderdeel aanmerkt.14 Dit is echter niet zonder meer beslissend en is voor rechterlijke toetsing vatbaar.15 De rechter dient zich daarbij te laten leiden door de organieke regels van het kerkgenootschap en de in het statuut aan het onderdeel toegekende structuur en zelfstandigheid.16
Van Kooten onderscheidt aan de hand van wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie drie categorieën criteria om vast te stellen of er sprake is van een zelfstandig onderdeel: (a) rechtspersoonlijkheid, (b) onderdeel van een kerkgenootschap en (c) positie van het onderdeel ten opzichte van het kerkgenootschap.17 Kenmerken van de rechtspersoonlijkheid (a) zijn het beschikken over een bepaalde mate van autonomie, een vorm van organisatie en deelname aan het civiele rechtsverkeer.
Het zelfstandig onderdeel moet verder volgens de analyse van Van Kooten deel uitmaken van het kerkgenootschap (b). Dit betekent allereerst dat het kerkgenootschap – via bijvoorbeeld het statuut of stilzwijgende of expliciete verklaring – het zelfstandig onderdeel als zodanig erkent of aanvaardt, niet dat het kerkgenootschap de betreffende organisatie als zijn onderdeel behoort te bezien.18
Daarnaast moet de betrokken organisatie een religieus karakter hebben, dat moet blijken uit haar doel en/of activiteiten. Volgens de enge interpretatie van dit vereiste is een rechtstreekse betrokkenheid van het zelfstandig onderdeel bij de godsdienstuitoefening vereist. De ruime interpretatie – die in de literatuur wordt bepleit – laat ook organisaties toe met activiteiten die samenhangen met de geloofsleer van het kerkgenootschap. Het religieuze karakter van een zelfstandig onderdeel houdt in die opvatting niet in dat het zich moet richten op louter godsdienstige verering of bezinning of rechtstreeks bij de godsdienstuitoefening moet zijn betrokken. Het gaat er veeleer om dat het bestaan van het zelfstandig onderdeel en de daarin verrichte activiteiten rechtstreeks voortvloeien uit de geloofsleer van het kerkgenootschap.19 Een charitatief of een beherend karakter is in de ruime interpretatie niet uitgesloten.20 Zo kan een zelfstandig onderdeel gebruikt worden voor het in stand houden van een bejaardenhuis, een school, een ziekenhuis en andere sociale en culturele instellingen, voor zover geen winst wordt beoogd.21
Hoewel het mogelijk is dat een commerciële activiteit binnen een zelfstandig onderdeel plaatsvindt, ligt het niet voor de hand dat een zelfstandig onderdeel uitsluitend commerciële activiteiten verricht, omdat dan de feitelijke activiteiten van het zelfstandig onderdeel te ver verwijderd zijn van de doelstelling van een kerkgenootschap.22 Om een bierbrouwend klooster als zelfstandig onderdeel aan te kunnen merken moet het kerkgenootschap in de visie van Van Kooten voor de rechter voldoende aannemelijk maken dat het bestaan van het zelfstandig onderdeel en de daarbinnen verrichte commerciële activiteiten rechtstreeks voortkomen uit de leer van het kerkgenootschap en bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het kerkgenootschap.23
Het derde kenmerk van deel uitmaken van een kerkgenootschap is dat ambtsdragers van het kerkgenootschap voldoende (direct of indirect) zeggenschap hebben in het onderdeel.24 Zeggenschap kan onder meer blijken uit het feit dat ambtsdragers van het kerkgenootschap in het bestuur van het zelfstandig onderdeel zitting nemen of dat het statuut zeggenschap waarborgt door aan het kerkgenootschap de bevoegdheid toe te kennen om bestuursleden van het zelfstandig onderdeel te benoemen of te ontslaan.
Tot slot zou volgens Van Kooten vastgesteld moeten worden wat de positie van het onderdeel ten opzichte van het kerkgenootschap is (c). Kenmerkend voor een zelfstandig onderdeel is dat het zijn rechtspersoonlijkheid aan het kerkgenootschap ontleent, waarvan het een zelfstandig onderdeel is, iets wat moet blijken uit het statuut.25