Procestaal: Slowaaks.
HvJ EU, 23-01-2025, nr. C-677/23
ECLI:EU:C:2025:37
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
23-01-2025
- Magistraten
F. Biltgen, M. L. Arastey Sahún, J. Passer
- Zaaknummer
C-677/23
- Roepnaam
Slovenská sporiteľňa (Informations dans les contrats de crédit aux consommateurs)
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:37, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑01‑2025
Uitspraak 23‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van consumenten — Consumentenkredietovereenkomsten — Richtlijn 2008/48/EG — Eisen inzake de in een dergelijke overeenkomst te vermelden informatie — Informatieplicht — Duur van de overeenkomst — Jaarlijks kostenpercentage (JKP) — Hypothesen die worden gebruikt voor de berekening van het JKP
F. Biltgen, M. L. Arastey Sahún, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-677/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 12 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 14 november 2023, in de procedure
A. B.,
F. B.
tegen
Slovenská sporiteľňa a.s.,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, M. L. Arastey Sahún (rapporteur), president van de Vijfde kamer, en J. Passer, rechter,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
A. B en F. B., vertegenwoordigd door I. Šafranko, advokát,
- —
Slovenská sporiteľňa a.s., vertegenwoordigd door M. Dubovský, advokát,
- —
de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en A. Tokár als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22), alsook van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40 en PB 2011, L 234, blz. 46), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90/EU van de Commissie van 14 november 2011 (PB 2011, L 296, blz. 35) (hierna: ‘richtlijn 2008/48’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen twee consumenten, A. B. en F. B., enerzijds, en de bank Slovenská sporiteľňa a.s., anderzijds, over een verzoek om bepaalde bedingen van een kredietovereenkomst (hierna: ‘overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding’) nietig te verklaren en vast te stellen dat het betrokken krediet vrij is van rente en kosten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2005/29
3
Artikel 3 (‘Toepassingsgebied’) van richtlijn 2005/29 bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product.’
Richtlijn 2008/48
4
In overweging 31 van richtlijn 2008/48 staat het volgende te lezen:
‘De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.’
5
Artikel 5 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Precontractuele informatie’ en bepaalt in lid 1
‘Geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en, in voorkomend geval, de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. […]
Deze informatie heeft betrekking op:
[…]
- g)
het jaarlijkse kostenpercentage [(JKP)] en het totale door de consument te betalen bedrag, aan de hand van een representatief voorbeeld en met vermelding van alle voor de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen; indien de consument de kredietgever in kennis heeft gesteld van één of meer elementen van het krediet waarnaar zijn voorkeur uitgaat, zoals de duur van de kredietovereenkomst en het totaalbedrag van het krediet, houdt de kredietgever met deze elementen rekening; indien een kredietovereenkomst verschillende mogelijkheden van kredietopneming met verschillende kosten of debetrentevoeten biedt en de kredietgever gebruikmaakt van de hypothese vermeld in bijlage I, deel II, onder b), geeft hij aan dat andere kredietopnemingsmechanismen voor dat soort kredietovereenkomst hogere jaarlijkse kostenpercentages tot gevolg kunnen hebben;
[…]’
6
Artikel 6 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Voorschriften inzake precontractuele informatie voor bepaalde kredietovereenkomsten in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening en voor bepaalde kredietovereenkomsten’, bepaalt:
- ‘1.
Geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod voor een kredietovereenkomst in de zin van artikel 2, lid 3, 5 of 6, wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en, in voorkomend geval, de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst.
Deze informatie heeft betrekking op:
[…]
- f)
het [JKP], aan de hand van representatieve voorbeelden en met vermelding van alle voor de berekening van dat percentage gebruikte hypothesen;
[…]’
7
In artikel 10 (‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’) van die richtlijn, wordt bepaald:
- ‘1.
De kredietovereenkomst wordt op papier of op een andere duurzame drager opgesteld.
Elke overeenkomstsluitende partij krijgt een exemplaar van de kredietovereenkomst. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale voorschriften inzake de geldigheid van het sluiten van kredietovereenkomsten, mits deze voorschriften overeenstemmen met het gemeenschapsrecht.
- 2.
In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
[…]
- c)
de duur van de kredietovereenkomst;
[…]
- g)
het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst; alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen worden vermeld;
- h)
het bedrag, het aantal en de frequentie van de door de consument te verrichten betalingen, en, in voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende openstaande saldi tegen verschillende debetrentevoeten worden toegerekend met het oog op aflossing;
[…]’
8
Artikel 14 van richtlijn 2008/48, ‘Herroepingsrecht’, bepaalt in lid 1:
‘De consument beschikt over een termijn van veertien kalenderdagen om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen.
De termijn waarbinnen een overeenkomst kan worden herroepen gaat in:
- a)
op de dag van de sluiting van de kredietovereenkomst, of
- b)
op de dag waarop de consument de contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 10 ontvangt, als die dag later valt dan de onder a) van deze alinea bedoelde datum.’
9
Artikel 19 van die richtlijn, met als opschrift ‘Berekening van het [JKP]’, luidt als volgt:
‘[…]
- 3.
Bij de berekening van het [JKP] wordt uitgegaan van de hypothese dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen binnen de termijnen en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald.
- 4.
Bij kredietovereenkomsten waarin clausules zijn opgenomen op grond waarvan een wijziging kan plaatsvinden in de debetrentevoet en, in voorkomend geval, de kosten die deel uitmaken van het jaarlijkse kostenpercentage, welke wijziging bij de berekening daarvan evenwel niet kan worden gekwantificeerd, wordt bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage uitgegaan van de hypothese dat de rentevoet en de overige kosten vast blijven ten opzichte van het oorspronkelijke niveau en tot de afloop van de kredietovereenkomst van toepassing blijven.
- 5.
Zo nodig kan voor de berekening van het [JKP] worden uitgegaan van de in bijlage I genoemde aanvullende hypothesen.
Indien de in dit artikel en in deel II van bijlage I genoemde hypothesen niet voldoende zijn om het [JKP] op uniforme wijze te berekenen of niet meer aangepast zijn aan de commerciële marktsituatie, kan de Commissie de aanvullende hypothesen vaststellen die nodig zijn om het [JKP] te berekenen of de bestaande wijzigen. […]’
10
Artikel 22, lid 1, van deze richtlijn, met het opschrift ‘Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn’, luidt:
‘In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.’
11
Artikel 23 (‘Sancties’) van dezelfde richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
12
Bijlage I bij richtlijn 2008/48 somt in deel II, onder a) tot en met j), de aanvullende hypothesen op die noodzakelijk zijn voor de berekening van het JKP.
Slowaaks recht
13
Zákon č. 129/2010 Z. z. o spotrebiteministratiských úveroch a o iných úveroch a pôžičkách pre spotrebiteles ov a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 129/2010 inzake consumentenkrediet en andere kredieten en leningen aan consumenten en tot wijziging van bepaalde andere wetten) van 9 maart 2010 (nr. 129/2010 Z. z), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wet nr. 129/2010’), strekt tot omzetting van richtlijn 2008/48 in Slowaaks recht.
14
§ 9 van wet nr. 129/2010 luidt:
- ‘1.
De consumentenkredietovereenkomst moet schriftelijk worden aangegaan. Elke partij bij de overeenkomst moet op zijn minst één exemplaar ervan op papier of op een andere voor de consument toegankelijke duurzame drager ontvangen.
- 2.
De consumentenkredietovereenkomst moet, naast de algemene elementen bedoeld in de občiansky zákonník (burgerlijk wetboek) […], de volgende elementen bevatten:
[…]
- f)
de duur van de consumentenkredietovereenkomst en de laatste aflossingsdatum van het consumentenkrediet;
- g)
het totale bedrag en de specifieke valuta van het consumentenkrediet, alsmede de wijze waarop het krediet wordt gebruikt;
[…]
- i)
de rentevoet van het consumentenkrediet, de voorwaarden die de toepassing van deze rentevoet regelen, de index of referentierentevoet die gerelateerd is aan de rentevoet van de kredietovereenkomst, alsook de perioden voor de aanpassing van de rentevoet van het consumentenkrediet en de wijze waarop deze aanpassing moet plaatsvinden; indien naargelang de omstandigheden verschillende rentevoeten op het consumentenkrediet van toepassing zijn, moet deze informatie betrekking hebben op alle toepasselijke consumentenkredietrentevoeten,
- j)
het [JKP] en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend op basis van ten tijde van de sluiting van de consumentenkredietovereenkomst relevante gegevens; alle voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage gebruikte hypothesen worden vermeld;
- k)
het bedrag, het aantal en de data van de aflossingen van het kapitaal, de rente en andere kosten, en, in voorkomend geval, de volgorde waarin de betalingen aan de verschillende openstaande saldi tegen verschillende rentevoeten van het consumentenkrediet worden toegerekend met het oog op aflossing,
[…]
- m)
een overzicht van de perioden en voorwaarden voor de betaling van rente en terugkerende en niet-terugkerende kosten, indien er kosten en rente worden betaald zonder aflossing van het kapitaal,
- n)
de eventuele kosten voor het aanhouden van een of meer rekeningen voor de boeking van zowel betalingen als kredietopnemingen, als het openen van een rekening verplicht is, tezamen met de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel voor zowel betalingen als kredietopnemingen, andere uit de consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende kosten, alsmede de voorwaarden waaronder die kosten kunnen worden gewijzigd,
[…]
- r)
het bedrag van de door de consument voor notariële akten verschuldigde kosten, indien deze bij de kredietgever bekend zijn.
[…]’
15
§ 11, lid 1, van wet nr. 129/2010 bepaalt:
‘Het consumentenkrediet wordt geacht zonder interest en kosten te zijn verleend, indien:
[…]
- b)
de consumentenkredietovereenkomst niet de in § 9, lid 2, onder a) tot en met k), r) en y), bedoelde elementen bevat.’
16
§ 122 van de občiansky zákonník (burgerlijk wetboek) bepaalt dat de termijnen met name in maanden en jaren moeten worden uitgedrukt.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Op 29 oktober 2014 hebben A. B. en F. B. met Slovenská sporiteľňa de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding gesloten. Het betreffende kapitaal hebben zij op dezelfde dag op een bankrekening gecrediteerd gekregen. De overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding is gesloten voor bepaalde duur, waarbij verzoekers in het hoofdgeding zich hebben verplicht het betrokken krediet in 108 maandelijkse termijnen van 54,20 EUR terug te betalen. Elke maandelijkse termijn was verschuldigd op de twintigste van de maand. De eerste aflossing was verschuldigd op 20 december 2014 en er werd overeengekomen dat de laatste op 20 november 2023 zou worden betaald.
18
De overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding voorzag in een JKP van 17,93 % en een terug te betalen totaalbedrag van 5 858,98 EUR. De afdeling van deze overeenkomst met als opschrift ‘Hypothesen die zijn gebruikt voor de berekening van het JKP’, luidde als volgt: ‘Het krediet wordt onmiddellijk volledig uitbetaald en de debiteur voldoet aan zijn verplichtingen volgens de voorwaarden en binnen de termijnen die in de kredietovereenkomst zijn vastgelegd; de rentevoet blijft geldig tot het einde van de kredietrelatie.’ Punt 12 van deel III van deze overeenkomst bepaalde: ‘De overeenkomst wordt voor bepaalde duur gesloten, totdat alle met het krediet verband houdende betrekkingen volledig zijn vereffend.’
19
Volgens verzoekers in het hoofdgeding was deze laatste bepaling ‘onduidelijk’ en was in de plaats daarvan de verplichte aanduiding van de duur van de kredietovereenkomst vereist. Daarnaast hebben zij opgemerkt dat de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding de duur ervan niet vermeldde en evenmin de hypothesen die voor de berekening van het JKP zijn gebruikt.
20
Verzoekers in het hoofdgeding waren aldus van mening dat de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding hun rechten als consument schond. Daarom hebben zij bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) een vordering ingesteld tot vaststelling van de nietigheid van de bedingen van die overeenkomst en tot vaststelling dat het krediet vrij was van rente en kosten.
21
De Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije), de verwijzende rechter, waarbij verzoekers in het hoofdgeding hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter, is van oordeel dat de data van de eerste en de laatste vervaldag van de betaling van het krediet niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met de werkelijke duur van een overeenkomst. Volgens de verwijzende rechter is het ‘uiterst problematisch’ om een nauwkeurig tijdskader voor de kredietdienst, de duur ervan en de datum waarop alle verplichtingen van de kredietovereenkomst daadwerkelijk volledig zijn nagekomen, vast te stellen.
22
Volgens de verwijzende rechter vereisen de bepalingen van richtlijn 2008/48 en met name artikel 10, lid 2, ervan evenwel dat de duur van de kredietovereenkomst expliciet in die overeenkomst wordt vermeld, en volstaat het niet dat de consument deze duur kan berekenen op basis van de aflossingstermijnen van het krediet.
23
Aangezien § 122 van de občiansky zákonník (burgerlijk wetboek) bepaalt dat de termijnen met name in maanden en jaren moeten worden uitgedrukt, kan de vaststelling van de duur van de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding bovendien als expliciet worden beschouwd, waardoor de overeenkomst voldoet aan het in richtlijn 2008/48 gestelde vereiste van duidelijkheid en beknoptheid.
24
Wat betreft richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en richtlijn 2005/29, richtlijnen waarvoor de verwijzende rechter niet om verdere uitlegging heeft gevraagd, is deze rechter om te beginnen van oordeel dat bij de uitlegging van het vereiste van nauwkeurigheid van contractuele bedingen overeenkomstig richtlijn 2008/48 rekening moet worden gehouden met richtlijn 93/13. Voorts stelt hij vast dat de vraag of de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen van wezenlijk belang zijn, verband houdt met het onderzoek naar mogelijke misleidende handelspraktijken. In dit verband rijst de vraag of in casu de periode na het einde van de verlening van de kredietdienst, die de duur van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst zou kunnen overschrijden, overeenkomt met de periode na de betrokken handelstransactie in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29.
25
Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af waarom volgens richtlijn 2008/48 in de kredietovereenkomst niet alleen een vermelding van het JKP is vereist, maar ook een aanduiding in die overeenkomst van alle gebruikte hypothesen voor de berekening daarvan, gezien het feit dat alle voor die berekening noodzakelijke hypothesen verplichte elementen van die overeenkomst zijn die daarin specifiek moeten worden vermeld.
26
Deze rechter is van oordeel dat het in deze richtlijn neergelegde vereiste om in de kredietovereenkomst de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen uiteen te zetten, gerechtvaardigd is omdat een gemiddelde consument niet geacht kan worden al deze hypothesen zelf te kunnen identificeren.
27
In die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 10, lid 2, onder s), van [richtlijn 2008/48] aldus worden uitgelegd
- —
dat de duidelijke en beknopte vermelding van de duur van een kredietovereenkomst in een contractueel beding vereist dat de looptijd van de betreffende overeenkomst duidelijk wordt vermeld, bijvoorbeeld door de datum van sluiten en aflopen van de overeenkomst (van… tot…) aan te geven, mogelijk met gebruikmaking van op een kalender terug te vinden tijdseenheden zoals maanden of jaren (bijvoorbeeld voor een periode van één jaar), of
- —
dat het voor een duidelijke en beknopte vermelding van de duur van een kredietovereenkomst volstaat dat de consument de duur van de overeenkomst kan berekenen op basis van de contractuele bedingen of deze duur anderszins kan vaststellen, bijvoorbeeld op basis van het aantal maandelijkse termijnen of het tijdstip van volledige aflossing van het krediet?
- 2)
Moet artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 aldus worden uitgelegd dat de in een kredietovereenkomst opgenomen vermelding van de duur ervan overeenstemt met de periode die in artikel 3, lid 1, van [richtlijn 2005/29] wordt omschreven met de bewoordingen ‘gedurende de commerciële transactie’?
- 3)
Moeten de in artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 opgenomen bewoordingen ‘op duidelijke en beknopte wijze’ en ‘alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen’ aldus worden uitgelegd dat
- —
de hypothesen die zijn gebruikt voor de berekening van het [JKP] in de betreffende overeenkomst duidelijk als zodanig moeten worden vermeld, of dat
- —
de consument op basis van de contractuele bedingen zelf de relevante hypothesen dient vast te stellen die voor de berekening van dat percentage zijn gebruikt?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
28
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de duur van een kredietovereenkomst uitdrukkelijk moet worden vermeld in de overeenkomst, dan wel of het in het licht van die bepaling volstaat dat de consument op basis van de bedingen van die overeenkomst die duur zonder problemen en met zekerheid kan bepalen.
29
Allereerst zij eraan herinnerd dat de kredietovereenkomst volgens die bepaling op duidelijke en beknopte wijze de duur van de kredietovereenkomst moet vermelden.
30
Zoals blijkt uit artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 31 van die richtlijn, is het vereiste dat in een op papier of op een andere duurzame drager opgestelde kredietovereenkomst in duidelijke en beknopte vorm de in die bepaling bedoelde informatie wordt opgenomen, noodzakelijk opdat de consument kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen (arresten van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 31, en 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Voor een goede uitvoering van de kredietovereenkomst is vereist dat de consument de gegevens kent en begrijpt die deze overeenkomst moet bevatten overeenkomstig artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48(arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
Dat vereiste draagt bij tot de verwezenlijking van het met richtlijn 2008/48 nagestreefde doel, dat erin bestaat om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige, dwingende harmonisatie tot stand te brengen, die nodig wordt geacht om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken (arresten van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 32, en 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Het Hof heeft zich ook meer specifiek uitgesproken over de draagwijdte van dat vereiste met betrekking tot de overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder h), van deze richtlijn in een kredietovereenkomst op te nemen vermelding van het bedrag, het aantal en de frequentie van de door de consument te verrichten betalingen.
34
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat laatstgenoemde bepaling tot doel heeft te waarborgen dat de consument op de hoogte is van de datum waarop elke te verrichten betaling opeisbaar is. Wanneer de consument aan de hand van de voorwaarden van die overeenkomst zonder problemen met zekerheid kan weten op welke data hij moet betalen, wordt derhalve aan dat doel voldaan (arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punten 48 en 49).
35
Op grond van deze overwegingen is het Hof tot de slotsom gekomen dat artikel 10, lid 2, onder h), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de kredietovereenkomst niet iedere door de consument te verrichten betaling met vermelding van een nauwkeurige datum hoeft aan te geven, mits de consument aan de hand van de voorwaarden van die overeenkomst zonder problemen met zekerheid kan weten op welke data hij moet betalen (arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 50).
36
De redenering die in laatstgenoemd arrest is gevolgd voor de uitlegging van artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 moet in het onderhavige arrest worden toegepast.
37
Zoals blijkt uit de in de punten 30 en 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, is het van fundamenteel belang dat de consument op de hoogte is van het tijdstip waarop de overeenkomst eindigt, opdat hij zijn rechten kan uitoefenen en zijn verplichtingen kan nakomen en deze overeenkomst goed kan worden uitgevoerd.
38
Bovendien is, zoals het Hof heeft geoordeeld, de uitvoering van een overeenkomst de natuurlijke wijze waarop contractuele verbintenissen tenietgaan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 279).
39
Het tenietgaan van contractuele verbintenissen betekent het einde van de overeenkomst en bepaalt dus de duur ervan.
40
Het Hof heeft geoordeeld dat wanneer de kredietovereenkomst volledig is uitgevoerd, de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 geformuleerde informatieplicht in beginsel niet langer kan bijdragen tot de verwezenlijking van het door die bepaling nagestreefde doel, te weten de consument in staat stellen alle informatie te verkrijgen die noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de overeenkomst en met name voor de uitoefening van zijn rechten, waartoe ook zijn herroepingsrecht behoort, zodat hij kennis kan nemen van de omvang van zijn rechten en plichten. Hieruit volgt dat deze verplichtingen niet meer in dezelfde mate van nut zijn wanneer de overeenkomst volledig is uitgevoerd (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 277).
41
In casu specificeert de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding niet uitdrukkelijk de duur van de overeenkomst. Wel wordt weergegeven hoeveel maandelijkse termijnen verzoekers in het hoofdgeding moeten betalen en wat de vervaldatum van de eerste en de laatste van die maandelijkse termijnen is.
42
Gelet op de overwegingen in de punten 37 tot en met 40 van het onderhavige arrest moet worden vastgesteld dat de duur van een kredietovereenkomst zoals de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding nauw verband houdt met de volledige nakoming van de verplichtingen door elk van de partijen bij die overeenkomst en dus in wezen met de vrijgave van het kapitaal door de kredietgever en de volledige terugbetaling van het krediet door de kredietnemer.
43
Bijgevolg vereist artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 niet noodzakelijkerwijs dat de duur van de kredietovereenkomst formeel wordt vermeld met de precieze begin- en einddatum van die overeenkomst. Het volstaat dat de consument aan de hand van de bedingen van die overeenkomst die duur zonder problemen en met zekerheid kan bepalen.
44
Het staat aan de verwijzende rechter om rekening te houden met alle bedingen in de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding, in het bijzonder met de bedingen die het aantal te betalen maandelijkse termijnen en de vervaldatum van de eerste en de laatste termijn voor de terugbetaling van het krediet aangeven, alsook met eventuele andere bedingen waarin de verplichtingen van de partijen zijn vastgelegd, teneinde na te gaan of de consument op basis van al die bedingen in casu de duur van die overeenkomst zonder problemen en met zekerheid kan bepalen.
45
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de duur van een kredietovereenkomst niet uitdrukkelijk in die overeenkomst hoeft te worden vermeld, voor zover de consument aan de hand van de bedingen ervan die duur zonder problemen en met zekerheid kan bepalen.
Tweede vraag
46
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de in een kredietovereenkomst opgenomen vermelding van de duur ervan overeenstemt met de periode die in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29 wordt omschreven met de bewoordingen ‘gedurende’ de betrokken transactie.
47
Allereerst zij eraan herinnerd dat richtlijn 2005/29 volgens deze laatste bepaling van toepassing is op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5 ervan, ‘vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product’.
48
Hieraan moet worden toegevoegd dat het klopt dat het Hof bij de uitlegging van richtlijn 2005/29 reeds rekening heeft gehouden met de bepalingen van richtlijn 2008/48 [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Ultimo Portfolio Investment (Luxembourg), C-303/20, EU:C:2021:479, punten 42–45].
49
In casu moet evenwel worden vastgesteld dat verzoekers in het hoofdgeding met hun beroep in de eerste plaats beogen te doen vaststellen dat de bedingen van de overeenkomst aan de orde in het hoofdgeding nietig zijn wegens schending van de bepalingen van richtlijn 2008/48 en van de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn, en in de tweede plaats beogen te doen vaststellen dat het betrokken krediet vrij is van rente en kosten.
50
51
De verwijzingsbeslissing bevat overigens geen aanwijzingen om te bepalen op welke hypothese de tweede vraag is gebaseerd, en geeft niet aan waarom een antwoord op deze vraag in casu noodzakelijk zou zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.
52
In die omstandigheden is de tweede vraag hypothetisch en dus niet-ontvankelijk.
Derde vraag
53
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen uitdrukkelijk in een kredietovereenkomst moeten worden vermeld, dan wel of het volstaat dat de consument deze zelf kan identificeren aan de hand van de bedingen van die overeenkomst.
54
Allereerst zij eraan herinnerd dat volgens die bepaling de kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze het JKP en het totale door de consument te betalen bedrag, berekend bij het sluiten van de kredietovereenkomst moet vermelden. Ook alle bij de berekening van dit percentage gebruikte hypothesen moeten worden vermeld.
55
Wat betreft deze hypothesen moet worden opgemerkt dat artikel 19 van richtlijn 2008/48 ten eerste in lid 3 bepaalt dat bij de berekening van het JKP wordt uitgegaan van de hypothese dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen binnen de termijnen en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald. Ten tweede wordt in lid 4 van dat artikel bepaald dat bij kredietovereenkomsten waarin clausules zijn opgenomen op grond waarvan een wijziging kan plaatsvinden in de debetrentevoet en, in voorkomend geval, van de kosten die deel uitmaken van het JKP, welke wijziging bij de berekening daarvan evenwel niet kan worden gekwantificeerd, bij de berekening van het JKP wordt uitgegaan van de hypothese dat de rentevoet en de overige kosten vast blijven ten opzichte van het oorspronkelijke niveau en tot de afloop van de kredietovereenkomst van toepassing blijven. Ten derde bepaalt lid 5 van dat artikel dat, indien nodig, de in bijlage I bij deze richtlijn genoemde aanvullende hypothesen kunnen worden gebruikt voor de berekening van het JKP. Ten vierde preciseert deze bijlage in deel II, onder a) tot en met j), de verschillende aanvullende hypothesen die nodig zijn voor de berekening van het JKP.
56
Daaraan dient te worden toegevoegd dat de verplichting om de hypothesen die worden gebruikt voor de berekening van het JKP te vermelden door middel van een representatief voorbeeld, eveneens is opgenomen in artikel 5, lid 1, onder g), en artikel 6, lid 1, onder f), van richtlijn 2008/48 als een vereiste inzake precontractuele informatie.
57
De vermelding in de precontractuele fase van de verschillende hypothesen die worden gebruikt om het JKP te berekenen, maakt het mogelijk om het in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/48 vermelde doel te bereiken. Dit doel is om de consument de nodige informatie te verstrekken om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst, waarbij deze vergelijking moet kunnen plaatsvinden rekening houdend met het JKP voor de verschillende looptijden van de hem gedane aanbiedingen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Soho Group, C-686/19, EU:C:2020:582, punt 48).
58
Wat de verplichting betreft om deze verschillende hypothesen overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 in de kredietovereenkomst te vermelden, blijkt uit de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat deze verplichting ertoe strekt te verzekeren dat de consument kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen.
59
Deze vermelding moet de consument dus in staat stellen om na te gaan of de handelaar het JKP correct heeft berekend en, indien dit niet het geval is, om zijn rechten geldend te maken, met name het herroepingsrecht van artikel 14 van richtlijn 2008/48, waarbij in geval van schending van de vereisten van artikel 10 van deze richtlijn en van de andere rechten waarin de nationale regeling voorziet, de termijn voor uitoefening van deze herroeping wordt verlengd als sanctie die is vastgesteld overeenkomstig artikel 23 van die richtlijn.
60
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de verplichting om in de kredietovereenkomst met name gegevens als het in artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 bedoelde JKP te vermelden, van wezenlijk belang is (arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 70).
61
Overeenkomstig deze rechtspraak moet worden vastgesteld dat de vermelding in een kredietovereenkomst van de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen ook, met name om de in de punten 58 en 59 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen, van wezenlijk belang is voor de consument.
62
Aangezien het verzuim om die gegevens in de kredietovereenkomst te vermelden ertoe kan leiden dat de consument niet kan beoordelen waartoe hij zich heeft verbonden, moet de sanctie die erin bestaat dat de kredietgever geen recht heeft op vergoeding van rente en kosten, zoals bepaald in de nationale wetgeving, worden beschouwd als evenredig in de zin van artikel 23 van richtlijn 2008/48 (zie in die zin arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, C-42/15, EU:C:2016:842, punt 71).
63
Wegens het feit dat, zoals in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen complex kunnen zijn, moeten zij duidelijk, beknopt en uitdrukkelijk in een kredietovereenkomst worden vermeld, aangezien de enkele mogelijkheid voor de consument om deze aan de hand van de verschillende bedingen van die overeenkomst af te leiden, niet volstaat.
64
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de berekening van het JKP gebruikte hypothesen uitdrukkelijk in een kredietovereenkomst moeten worden vermeld en dat het niet volstaat dat de consument deze zelf kan afleiden uit de bedingen van die overeenkomst.
Kosten
65
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, lid 2, onder c), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90/EU van 14 november 2011
moet aldus worden uitgelegd dat
de duur van een kredietovereenkomst niet uitdrukkelijk in die overeenkomst hoeft te worden vermeld, voor zover de consument aan de hand van de bedingen ervan die duur zonder problemen en met zekerheid kan bepalen.
- 2)
Artikel 10, lid 2, onder g), van richtlijn 2008/48, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/90
moet aldus worden uitgelegd dat
de voor de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP) gebruikte hypothesen uitdrukkelijk in een kredietovereenkomst moeten worden vermeld en dat het niet volstaat dat de consument deze zelf kan afleiden uit de bedingen van die overeenkomst.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2025