Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.10
2.10 Toegang tot de rechter I: procedurele voorschriften, waaronder termijnen, en griffierecht
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002/88 (Janosevic), par. 81. Zie in gelijke zin eerder EHRM 21 februari 1984, NJ 1988/937 (eiztiirk).
Zie ook EHRM 1 maart 2006, NJ 2006/661 (Sejdovic) inzake de (on)mogelijkheid van heropening van een bij verstek gewezen strafrechtelijke veroordeling.
EHRM 16 december 1992, NJCM-Bulletin 1993, p. 566 (Hennings).
EHRM 17 januari 2006, RvdW 2006/262 (Barbier).
EHRM 25 mei 2004, EHRC 2004/65 (Kadlec).
EHRM 24 mei 2006, AB 2006/257 (Liakopoulou).
EHRM 19 juni 2001, EHRC 2001/54 (Kreuz).
EHRM 12 juli 2007, EHRC 2007/105 (Stankov).
EHRM 15 februari 2000, EHRC 2000/30 (Garcia Manibardo).
EHRM 30 juni 2009, no. 49852/06 (Schneider).
EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002188 (Janosevic).
EHRM 24 november 2005, RvdW 2006/64 (Capital Bank AD).
EHRM 16 juli 2009, no. 20082/02 (Zehentner), par. 39.
Rb Rotterdam 21 november 2005, JOR 2006/15.
Volgens vaste jurisprudentie staat art. 6 lid 1 EVRM er niet aan in de weg dat het bestuursgaan een boete oplegt en de 'overtreder' vervolgens beroep moet instellen teneinde een beoordeling door een onafhankelijke rechter over de boeteoplegging te verkrijgen. Zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Janosevic:
'The Court notes that the basis for the various proceedings in the present case is the Tax Authority's decisions of 22 and 27 December 1995, which imposed additional taxes and tax surcharges on the applicant. The tax authorities are administrative bodies which cannot be considered to satisfy the requirements of Article 6 par. 1 of the Convention. The Court considers, however, that Contracting States must be free to empower tax authorities to impose sanctions like tax surcharges even if they come to large amounts. Such a system is not incompatible with Article 6 par. 1 so long as the taxpayer can bring any such decision affecting him before a judicial body that has full jurisdiction, including the power to quash in all respects, on questions of fact and law, the challenged decision (…).’1
Voorts bestaan geen bezwaren tegen het hanteren van een redelijke bezwaar- en beroepstermijn.2 In de zaak Hennings oordeelde het Hof dat het verstrijken van de beroepstermijn aan de klager kan worden tegengeworpen als hij heeft nagelaten maatregelen te treffen om zich te verzekeren van tijdige ontvangst van zijn post.3 In een geval waarin een gedetineerde voor het tijdig bezorgen van zijn beroepschrift afhankelijk was van een bewaker, kon het tekortschieten van de bewaker om de brief die dag naar de griffie te brengen uiteraard niet worden afgewenteld op de klager.4 Verder kunnen er wel eisen worden gesteld aan beroepschriften, maar die voorschriften moeten wel redelijk zijn en mogen niet doorslaan in een excessief formalisme. Zo werd een niet-ontvankelijkverklaring door het Tsjechische Constitutionele Hof van een beroep, omdat op het schutblad van het beroepschrift de bestreden uitspraak is aangeduid met een verkeerd nummer en een verkeerde datum, te formalistisch bevonden.5 Ook de door de Griekse cassatierechter strak gehanteerde, maar niet in de wet neergelegde eis dat het cassatieschriftuur de op de zaak betrekking hebben feiten waarop de feitenrechter zijn oordeel heeft gebaseerd moeten bevatten, vond in de ogen van het EHRM geen genade.6 Een dergelijk excessief formalisme staat teveel in de weg aan de in art. 6 EVRM gewaarborgde toegang tot de rechter. In deze zaken was verder van belang dat er geen enkele herstelmogelijkheid werd geboden.
Evenmin wordt aangenomen dat het heffen van griffierecht of het vereiste van zekerheidstelling als zodanig de toegang tot de rechter op ontoelaatbare wijze hoeft te blokkeren. De lidstaten hebben daarbij een zekere beoordelingsruimte. Indien een excessief griffierecht wordt geheven of een zeer hoge zekerheidstelling wordt verlangd zal het EHRM dat als een ontoelaatbare beperking op de toegang tot een rechter bestempelen. Zo werd in een geval, waarin klager aannemelijk had gemaakt dat hij geen inkomen had en aanzienlijke verliezen had geleden, het opleggen van een griffierecht van een bedrag ter hoogte van een Pools jaarsalaris in strijd bevonden met het recht op een effectieve toegang tot de rechter.7 In een Bulgaarse zaak werd achteraf een griffierecht geheven bijna ter hoogte van de schadevergoeding wegens achteraf onrechtmatig voorarrest, omdat het griffierecht werd gerelateerd aan het afgewezen deel van de vordering die de schadevergoeding ruimschoots overtrof. Ook dat kon niet door de beugel.8 In een Spaanse procedure tot schadevergoeding naar aanleiding van een dodelijk verkeersongeluk, waarin de klaagster door de rechter in eerste aanleg was veroordeeld tot de betaling van 18 miljoen peseta's, diende de klaagster dit bedrag als zekerheidstelling te geven ten einde haar hoger beroep te kunnen instellen. Tevens stelde klaagster een procedure in om te doen vaststellen dat zij aan deze verplichting niet kon voldoen. Hoewel dit beroep, gelet op haar financiële situatie werd gehonoreerd, werd haar hoger beroep tegen de veroordeling tot schadevergoeding niet ontvankelijk verklaard, omdat zij niet had voldaan aan de wettelijke verplichting tot zekerheidstelling. Het zal niet verbazen dat het Hof concludeerde dat sprake was van een onacceptabele beperking op de toegang tot de rechter.9 Het gaat hier steeds om burgerlijke rechten en plichten. Bij strafsancties zal te meer reden zijn griffierechten en/of zekerheidstellingen laag te houden. In de zaak Schneider werd de heffing van een griffierecht van € 375 en € 180 voor een tweetal boetezaken van de klager, mede gelet op het jaarinkomen van het gezin van klager van € 42.000, akkoord bevonden.10
Beperkingen in de toegang tot de rechter mogen er niet toe strekken dat de toegang tot de rechter zodanig wordt afgesneden of gereduceerd dat de toegang zelf illusoir wordt en beperkingen zullen verder niet acceptabel zijn als zij niet een legitiem doel dienen of indien de verhouding tussen het middel en het doel disproportioneel is.11 In dit verband kan ten slotte ook op twee civiele zaken worden gewezen die zien op de toegang tot de rechter. In de zaak Capital Bank AD12 werd deze kredietinstelling door de centrale bank, een bestuursorgaan, insolvent bevonden. Gelet daarop had de centrale bank de vergunning van Capital Bank AD ingetrokken en een verzoek tot liquidatie bij de nationale rechter ingediend. Het Hof achtte art. 6 lid 1 EVRM geschonden onder meer omdat Capital Bank AD tijdens de liquidatieprocedure werd vertegenwoordigd door personen die verantwoording schuldig waren aan de centrale bank, de tegenpartij. Aldus had Capital Bank AD niet op een effectieve manier kunnen deelnemen aan de procedure. In Zehentner ging het om een handelingsonbekwame vrouw die op wilde komen tegen de verkoop van haar woning. Zij was bij het aanwenden van rechtsmiddelen afhankelijk van haar bewindvoerder. Het Hof overwoog:
'The Court observes that the conditions goveming individual applications are not necessarily the same as national criteria relating to locus standi. National mies in this respect may serve purposes different from those contemplated by Article 34 of the Convention and, whilst those purposes may sometimes be analogous, they need not always be so (...). The Court notes that the appointment of a guardian under domestic law prevents a person lacking legal capacity from validly entering into contacts or conducting proceedings. Thus it serves, inter alla, to protect the person concerned from disposing of his or her rights or assets to their own disadvantage. In Convention proceedings the need for a person lacking legal capacity to be represented by a guardian is less obvious. In certain circumstances it may therefore be justified to allow a person lacking legal capacity under domestic law to conduct Convention proceedings in his or her own right. Indeed, under Article 34 of the Convention the Court may receive applications from any person claiming to be the victim of a violation by one of the High Contracting Parties of the rights set forth in the Convention or the Protocols thereto. There is no obligation in general, or for persons lacking legal capacity in particular, to be represented at the initial stage of the proceedings.'13
Waar in bepaalde zaken nog kan worden beargumenteerd dat een handelingsonbekwame tegen zichzelf beschermd moet worden door een bewindvoerder, gaat dat niet op voor het opkomen tegen leedtoevoeging. Met betrekking tot bestraffende sancties vereist art. 6 lid 3, onderdeel c, EVRM dat men zichzelf moet kunnen verdedigen. De mogelijkheid om rechtsmiddelen tegen een strafoplegging aan te wenden kan dan niet afhankelijk worden gemaakt van de bereidheid van een bewindvoerder om namens de gestrafte onderbewindgestelde persoon te procederen.14