NJB 2026/192:Een advocaat verzuimt tijdig hoger beroep in te stellen. In deze aansprakelijkheidsprocedure vordert de cliënt schadevergoeding van de advocaat. De rechtbank wijst de vordering af. Het hof wijst de vordering alsnog gedeeltelijk toe op basis van een schatting aan de hand van goede en kwade kansen. Hoge Raad: 1. Aansprakelijkheidsprocedure. Maatstaf. In gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd tijdig hoger beroep in te stellen, moet de rechter in de aansprakelijkheidsprocedure de schade vaststellen door te beoordelen hoe de appelrechter, indien wel tijdig hoger beroep was ingesteld, had behoren te beslissen, althans het toewijsbare bedrag schatten aan de hand van de goede en kwade kansen. 2. Bewijsaanbod in de aansprakelijkheidsprocedure. Bij de beoordeling van de vraag hoe de appelrechter had behoren te beslissen moet worden uitgegaan van de in die appelprocedure geldende rechtsregels, waaronder de regels met betrekking tot bewijslevering. Eiser heeft in de aansprakelijkheidsprocedure bewijs aangeboden van hetgeen hij in de appelprocedure te bewijzen zou hebben aangeboden. Het hof kon pas toekomen aan een schatting als het niet mogelijk zou zijn om vast te stellen hoe de appelrechter had behoren te beslissen. Het hof had het bewijsaanbod kenbaar in zijn oordeelsvorming moeten betrekken. 3. Devolutieve werking. Het hof heeft hetzij ten onrechte – namelijk onder miskenning van de devolutieve werking van het hoger beroep – niet onderzocht en beslist op wat geïntimeerde in zijn conclusie van antwoord heeft aangevoerd, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.