Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.2.1.4.2
4.2.1.4.2 Arm's length sales benadelend voor de schuldeisers
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS403474:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
V.P.G. de Serière, 'Enige opmerkingen omtrent financiële herstructurering en (faillissements)pauliana', in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Financiering en aansprakelijkheid, Zwolle, 1994, p. 77.
De Serière bespreekt de problemen van de verkoop van een (gedeelte van de) onderneming in het kader van herstructureringen. Voor zover de verkoop onderdeel is van een meer omvattende herstructurering, zal deze herstructurering zelf onderwerp kunnen, en m.i. moeten zijn van een paulianaprocedure. Zie over herstructureringen § 4.2.1.4.5 hieronder. Het is uiteraard niet altijd het geval dat de verkoop van een gedeelte van de onderneming onderdeel is van een herstructurering. Het kan ook zijn dat bepaalde activiteiten eenvoudig worden afgestoten.
Zie artikel 51 Fw.
Ook Hartkamp gaat ervan uit dat er bij de betaling van een normale prijs sprake kan zijn van paulianeus handelen, zij het slechts onder bijzondere omstandigheden, Asser/Hartkamp 4-II (2005), nr. 444. 'In het algemeen levert verkoop van goederen tegen een normale prijs geen benadeling van crediteuren op (..), doch onder omstandigheden kan dit wel degelijk het geval zijn (..). Steeds zal met de omstandigheden van het geval moeten worden rekening gehouden, waarbij soms verschillende zelfstandige rechtshandelingen als één complex kunnen worden beschouwd.' Hartkamp werkt deze bijzondere omstandigheden helaas niet verder uit. Hartkamp verwijst o.a. naar het Montana I-arrest waarbij de wederpartij indirect een voordeel genoot bij de transactie.
A.J. Verdaas, 'Noot bij HR 8 juli 2005, (Van Dooren q.q./ABN AMRO II)' , NTBR 2006, 8, p. 34: 'De koper heeft op de besteding van de koopsom door de schuldenaar geen invloed uitgeoefend. Enige tijd later failleert de schuldenaar. Zijn curator stelt de koopovereenkomst te kunnen vernietigen omdat de koopovereenkomst in combinatie met de besteding van de koopsom tot een verkorting van de verhaalsmogelijkheden van de (resterende) schuldeisers heeft geleid. Het zou volstrekt onredelijk zijn als de curator in die vernietiging zou slagen.' en `Reactie op de bespreking van het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO door F.P. van Koppen, TvI 2005, 43', TvI 2006, 6, p. 35: 'Voor vernietiging van een rechtshandeling met een beroep op de pauliana zou mijns inziens dan ook uitsluitend ruimte moeten zijn als de wederpartij van de schuldenaar door het samenstel van de handelingen is bevoordeeld of bevoordeling van derden aan hem kan worden toegerekend.'
Zie in deze zin met een kritische reactie op Verdaas, A. van Hees, 'Reactie op de bespreking van Van Dooren q.q./ABN AMRO II door A.J. Verdaas in NTBR 2006', NTBR 2006, p. 115.
W.J.B. van Nielen en S.E. Bartels, 'Kroniek van 5 jaar Insolventierecht', NTBR 2006, p. 182.
A. van Hees, 'Reactie op de bespreking van Van Dooren q.q./ABN AMRO II door A.J. Verdaas in NTBR 2006', NTBR 2006, p. 114.
Indien de schuldeisers benadeeld zijn door een samenstel van handelingen doet de vraag zich voor of de pauliana ingeroepen kan worden indien de rechtshandeling van de schuldenaar met diens wederpartij de benadeling niet direct heeft veroorzaakt, maar deze slechts mogelijk heeft gemaakt. De Hoge Raad heeft voor de vraag in hoeverre verschillende handelingen kunnen worden samengenomen een algemeen criterium geformuleerd. Zie over deze problematiek, hierboven § 4.2.1.2.1.
In een geval als het Montana-arrest (IIR 22 mei 1992, NJ 1992, 526) was de moeder de kopende partij bij de gewraakte verkoop en werd de koopprijs betaald op een rekening van de schuldenaar met een debetstand, waarvoor de moeder zich borg had gesteld. Onder dergelijke omstandigheden ligt een ruime benadering van de 'als eenheid opgevatte rechtshandeling' voor de hand. Evenzeer ligt het voor de hand aan te nemen dat er in dergelijke gevallen sprake kan zijn van wetenschap van benadeling zonder dat daarvoor vereist is dat partijen wisten dat het faillissement zou volgen. Opvallend is dat de Hoge Raad in het Montana I-arrest niet de borgstelling bij zijn oordeel ten aanzien van de benadeling betrekt. Verdaas signaleert dit ook, en onderschrijft het oordeel van de Hoge Raad, maar wel juist omdat de moeder door het samenstel van handelingen was bevoordeeld ten detrimente van de andere schuldeisers van Montana. Zie hierover A.J. Verdaas, 'Reactie op de bespreking van het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO door F.P. van Koppen, TvI 2005, 43', 7v/2006, 6, p. 35. Aan de wetenschapsvraag kwam de Hoge Raad uiteindelijk niet toe omdat het verwijzingshof oordeelde dat de verkoop aan de moeder plaatsvond binnen een raamovereenkomst en op grond daarvan verplicht was. De overdracht diende daarom niet aan artikel 42 Fw, maar aan artikel 47 Fw getoetst te worden. In HR Montana II (IIR 12 april 1996, NJ 1996, 448) verwierp de Hoge Raad het middel van de curator dat er van een onverplichte rechtshandeling sprake was geweest.
Aanzienlijk gecompliceerder dan de benadeling van schuldeisers door de verkoop tegen een te lage prijs, zijn de gevallen van een verkoop tegen marktwaarde waarbij toch benadeling van de schuldeisers optreedt. Een verkoop tegen marktwaarde kan benadelend zijn voor de gezamenlijke schuldeisers indien de koopprijs per datum faillissement niet meer voor de gezamenlijke schuldeisers beschikbaar is.
Men zou de keuze kunnen maken dat, zolang de wederpartij de marktprijs voldoet en niet via een omweg zelf weer profijt heeft bij de transactie, geen sprake kan zijn van paulianeus handelen. Hoewel veel (maar niet voldoende) voor een dergelijke keuze te zeggen is, kan dit niet als geldend Nederlands recht worden beschouwd. Indien de schuldenaar aangeeft dat hij zijn laatste kostbare bezitting wenst te verkopen tegen de marktprijs om vervolgens het geld te verbrassen in een laatste weekend van luxe voordat het faillissement zal worden aangevraagd, kan bij de wederpartij wetenschap van benadeling worden aangenomen.
In de praktijk geeft vooral de verkoop van een onderneming of een belangrijk gedeelte daarvan aanleiding tot zorgen in verband met de pauliana Immers, zelfs de betaling van een marktconforme prijs garandeert niet dat de schuldeisers niet benadeeld worden. De Serière suggereert dat, om het paulianarisico te beperken, de opbrengst van de verkoop naar een aparte rekening wordt overgemaakt of in escrow gegeven wordt.1 Hij voegt daar meteen aan toe, dat een dergelijke wijze van desinvesteren niet eenvoudig is en ook zeker niet bevorderlijk voor de continuïteit van de verkoper.2
Bedacht dient te worden dat de wederpartij bij de transactie zelf geen onmiddellijk voordeel heeft. Hij heeft immers de marktprijs betaald. Mocht de transactie als paulianeus hebben te gelden, dan riskeert de wederpartij zijn gehele prestatie te verliezen, omdat hij hiervoor slechts een concurrente vordering krijgt voor zover de boedel niet gebaat is.3 Vooral bij omvangrijke transacties kunnen de gevolgen voor de wederpartij desastreus zijn. Toch is het niet uitgesloten dat de pauliana in deze gevallen succesvol ingeroepen wordt.4 Verdaas gaat dan ook te ver door te stellen dat van paulianeus handelen geen sprake kan zijn als geen sprake is van bevoordeling aan de zijde van de wederpartij.5 De pauliana stelt niet de eis dat de wederpartij bevoordeeld is, maar slechts dat van benadeling van schuldeisers sprake is.6 Van Nielen en Bartels stellen dan ook voorop dat de vereiste benadeling uitgaat van 'middellijke benadeling' en zij betrekken vervolgens de discussiepunten opgeworpen door Verdaas bij de vraag of voldaan is aan het vereiste van de wetenschap van benadeling.7 Ook A. van Hees kritiseert de benadering van Verdaas als te eenzijdig omdat deze blijft steken in de benadelingsvraag en niet de wetenschapsvraag bij de beoordeling betrekt.8 Van Hees voegt daar aan toe dat in het voorbeeld de benadeling voor de koper 'zonder meer duidelijk moet zijn geweest' wil een beroep op de pauliana kunnen slagen.
De pauliana is wel een extreem harde sanctie indien de wederpartij niet bevoordeeld is door de transactie. Bij de verkoop tegen de marktprijs zal op de curator een zware bewijslast rusten. Er zal in elk geval sprake moeten zijn van een sterke wetenschap ten aanzien van het naderende faillissement, wil men tot de conclusie kunnen komen dat het faillissement van de schuldenaar 'met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien'. In deze gevallen past m.i. dan ook een sterke wetenschap van benadeling, namelijk 'dat partijen vrijwel zeker wisten of behoorden te weten dat een faillissement zou volgen'. Een dergelijke wetenschap is m.i. echter nog niet voldoende. Tevens moet er een bepaalde wetenschap zijn dat de opbrengst van de verkoop om een of andere reden niet beschikbaar zal zijn voor de schuldeisers, terwijl deze dat anders wel zou zijn geweest. De omstandigheid dat de koopprijs niet aanwezig is, wordt veroorzaakt door een andere handeling of een andere gebeurtenis.9 De wederpartij dient hier dan ook wetenschap van te hebben. Ook aan deze wetenschap dienen m.i. hoge eisen gesteld te worden. Gesteld en zo nodig bewezen zal moeten worden dat de wederpartij wist dat de opbrengst niet voor de schuldeisers aanwezig zou zijn. Het aannemen van een plicht voor de wederpartij om er actief op toe te zien dat de koopprijs voor de schuldeisers beschikbaar blijft, lijkt mij niet gepast.
Hoewel de pauliana in het algemeen wel als een risico wordt gezien bij omvangrijke transacties waarbij de verkoper vanwege financiële nood activa afstoot, zijn er geen aansprekende gevallen bekend uit de rechtspraak waarbij een derde die een goed voor de marktprijs krijgt overgedragen én deze marktprijs ook daadwerkelijk betaalt later geconfronteerd wordt met een succesvol beroep op de pauliana. Wel zijn er gevallen waarbij een marktconforme koopprijs wordt overeengekomen en waarbij de pauliana slaagt. Dit zijn echter in de regel gevallen waarbij de koopprijs niet daadwerkelijk betaald wordt, maar wordt verrekend of bewust betaald wordt op een rekening met een debetstand waarvoor de koper zich borg had gesteld10 of doorbetaald wordt aan een schuldeiser jegens wie de wederpartij zich borg had gesteld. In deze gevallen profiteert de wederpartij van het tenietgaan van de schuld en past het minder zware eisen te stellen om tot wetenschap van benadeling te komen.
In de gevallen van arm's length sales zal dan ook slechts in uitzonderingsgevallen sprake kunnen zijn van paulianeus handelen. Bedacht dient te worden dat de benadeling van de schuldeisers altijd nog een andere handeling of gebeurtenis veronderstelt waardoor de schuldeisers niet kunnen profiteren van de opbrengst. Daarenboven heeft ingrijpen hier zeer harde gevolgen voor de wederpartij. Aan de wetenschap van benadeling dienen dan ook hoge eisen gesteld te worden; zowel aan de wetenschap van het naderende faillissement als de wetenschap dat de opbrengst niet voor de schuldeisers beschikbaar zal zijn. Dit uitgangspunt behoeft niet gevolgd te worden wanneer de wederpartij zelf indirect profiteert van de wijze waarop de schuldenaar de opbrengst aanwendt.