Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/65.2
65.2 Misbruik van recht – de rechtspraak
mr. E.J. Daalder, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. E.J. Daalder
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1636.
Zie bijv. ABRvS 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1636 en 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS: 2018:1499.
ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3482, AB 2018/149 m.nt. E.C. Pietermaat.
ABRvS 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2017:2190.
Zie bijv. ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1840, Gst. 2016/141 m.nt. C.N. van der Sluis en ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118, AB 2016/34 met noot P.J. Stolk.
Zie bijv. ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:396, Gst. 2016/68 m.nt. C.N. van der Sluis.
ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1354. Zie voor een combinatie van de tweede en derde vorm van misbruik ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1987.
ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:974, AB 2018/186 m.nt. P.J. Stolk.
Zie ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3310.
ABRvS 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2478, AB 2018/14 m.nt. M.A.J. West.
In de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 november 2014 is de volgende, veel geciteerde, overweging opgenomen:
‘De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht, tenzij de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet. De bestuursrechtelijke aard van een rechtsbetrekking verzet zich niet tegen toepassing van deze regel, zoals wordt bevestigd door artikel 3:3 en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, waarin voor bestuursorganen soortgelijke normen zijn neergelegd. Bovendien liggen soortgelijke normen – ook voor particulieren – besloten in artikel 6:15, derde lid, artikel 8:18, vierde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, welke bepalingen voorzien in sancties in geval van misbruik van bestuursprocesrechtelijke bevoegdheden. Die bepalingen bevestigen tevens dat processuele bevoegdheden vatbaar zijn voor misbruik, zodat het derde lid van artikel 13 van Boek 3 van het BW niet van toepassing is.
Gelet op het voorgaande, kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep
(…)
Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de – soms zeer verstrekkende – bevoegdheden waarover de overheid beschikt en welke een burger in de regel niet pleegt te hebben. In het licht daarvan en gelet op artikel 13, tweede lid, van Boek 3 van het BW (…) zijn in geval van een dergelijk rechtsmiddel zwaarwichtige gronden onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.’
Daarmee wordt de lat hoog gelegd: er moet heel wat aan de hand zijn voordat misbruik wordt aangenomen. Onlangs heeft de Afdeling bestuursrechtspraak beslist dat de rechter ambtshalve mag onderzoeken of de aanwending van een rechtsmiddel misbruik van recht oplevert.1 In de rechtspraak – die vooral betrekking heeft op verzoeken om informatie op grond van de Wob – zijn er inmiddels vier categorieën van gevallen ontwikkeld.
In de eerste plaats kan sprake zijn van misbruik wanneer verzoeken of de aanwending van rechtsmiddelen uitsluitend tot doel hebben het behalen van financieel gewin, zoals het krijgen van proceskosten of dwangsommen.2 In de meeste gevallen gaat het daarbij om het handelen van gemachtigden. In de gevallen waarin iemand vraagt om stukken met betrekking tot een hem opgelegde verkeersboete wordt, nu hij die stukken ook in een administratieve beroepsprocedure op kan vragen, in beginsel steeds misbruik aangenomen.3 Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak beslist dat een gemachtigde die misbruik van recht maakt omdat hij uitsluitend persoonlijk financieel gewin nastreeft op grond van artikel 2:3 Awb door een bestuursorgaan als gemachtigde mag worden geweigerd.4
Daarnaast is er een categorie van zaken waarin is vastgesteld dat er verzoeken waren gedaan met een ander doel dan waarvoor zij zijn bedoeld. Het meest bekende voorbeeld betreft (soms omvangrijke) verzoeken om informatie op grond van de Wob, waarbij de verzoeker om informatie niet aannemelijk kan maken dat hij met het doen van een dergelijk verzoek een redelijk doel voor ogen heeft.5 In die zaken kan het procesgedrag van de appellant en/of zijn gemachtigde ook een rol spelen, bijvoorbeeld in het geval de betrokkene weigert ter zitting te verschijnen om informatie aan de rechter te verstrekken.6 In een dergelijk geval wordt het oordeel dat sprake is van misbruik daarmee mede bepaald door het handelen van betrokkene(n) in de rechterlijke procedure.
In de derde plaats kan sprake zijn van misbruik van recht omdat het de appellant er niet om gaat om materieel gelijk te krijgen maar om het bestuursorgaan dwars te zitten of te frustreren.7 Bekend voorbeeld zijn de gevallen waarin iemand veelvuldig, vaak omvangrijke, Wob-verzoeken doet en daarbij aangeeft dat hij daarmee het bestuursorgaan het lastig wil maken.8 Vaak vloeit een dergelijke handelwijze voort uit een breder conflict met het bestuursorgaan.9
De laatste vorm van misbruik is het geval waarin iemand oneigenlijk gebruik maakt van hem toekomende rechten. Dat laatste is beslist bij een bekende Wobverzoeker, toen hij delen van archieven van de inlichtingendiensten met een beroep op de Wob opvroeg. Met de afhandeling van deze verzoeken was, evenals met de afhandeling van verschillende eerder ingediende verzoeken van deze appellant, zeer veel menskracht gemoeid. De Afdeling was van oordeel dat de bevoegdheid tot het indienen van informatieverzoeken werd gebruikt voor een ander doel dan waartoe deze was verleend en dat sprake was van onevenredigheid tussen het met die verzoeken gediende belang en de belasting die het beslissen hierop oplevert voor de betrokken ministers. Daarom was sprake van misbruik van de bevoegdheid de verzoeken in te dienen.10