HR, 12-04-2013, nr. 12/01587
ECLI:NL:HR:2013:BZ6801
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2013
- Zaaknummer
12/01587
- LJN
BZ6801
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ6801, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑04‑2013; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑04‑2013
- Vindplaatsen
V-N 2013/18.10 met annotatie van Redactie
FED 2013/58 met annotatie van W.A.P. VAN ROIJ
Uitspraak 12‑04‑2013
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Verzoek immateriële schadevergoeding na zitting.
Partij(en)
12 april 2013
nr. 12/01587
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02519, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1992 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van vijftig percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Voorts zijn aan belanghebbende over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft nadien bij ambtshalve gegeven beschikkingen van 29 oktober 2010 de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente verminderd tot nihil.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur zoals die zijn vastgesteld bij de beschikkingen van 29 oktober 2010 gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1.1.
Het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 september 2011 en het onderzoek toen gesloten. Het heeft vervolgens op 3 februari 2012 uitspraak gedaan.
3.1.2.
Na de sluiting van het onderzoek op 21 september 2011, maar vóór de uitspraak op 3 februari 2012, heeft belanghebbende bij brief van 5 januari 2012 het Hof verzocht om het onderzoek te heropenen teneinde met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb een verzoek te kunnen doen tot vergoeding van immateriële schade. Het Hof heeft dit geweigerd. Daartegen richt zich middel 1.
3.1.3.
Indien vóór de sluiting van het onderzoek door het Hof reeds sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient een verzoek om daarmee bij het doen van uitspraak rekening te houden als regel uiterlijk op de zitting te worden gedaan. Hetzelfde heeft te gelden indien de redelijke termijn nog niet is overschreden op het moment van de zitting maar wel zal zijn overschreden op het moment waarop de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, bedoeld in artikel 8:66, lid 1, Awb, verstrijkt.
3.1.4.
Het onderhavige geval kenmerkt zich daardoor dat de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak door het Hof niet in acht is genomen. Belanghebbendes betoog brengt mee dat (mede) daardoor de redelijke termijn verder is overschreden dan ten tijde van de zitting kon worden voorzien. In een zodanig geval lijdt de hiervoor onder 3.1.3 vermelde regel uitzondering, en kan de belanghebbende tot het tijdstip waarop het Hof uitspraak doet heropening van het onderzoek verlangen teneinde alsnog een beroep te doen op overschrijding van de redelijke termijn en een verzoek te doen tot vergoeding van daaruit voortvloeiende immateriële schade. Het verzoek hoeft dan niet beperkt te blijven tot immateriële schade die het gevolg is van het tijdsverloop na de zitting. Middel 1 slaagt derhalve.
3.2.
Gelet op het hiervoor in 3.1 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 12/01564, 12/01566, 12/01567, 12/01587, 12/01591, 12/01592, 12/01594, 12/01595, 12/01596, 12/01600, 12/01601, 12/01603, 12/01604, 12/01605, 12/01609 met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat betreft het verzoek tot vergoeding van immateriële schade,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een vijftiende van € 4248, derhalve € 283,20, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013.
Beroepschrift 12‑04‑2013
Edelhoogachtbare dames, heren,
Namens belanghebbende heb ik hierbij de eer krachtens artikel 28 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bij uw Raad over te gaan tot motivering van het pro-forma beroepschrift in cassatie tegen bovenvermelde uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Gravenhage, waarvan het afschrift van de schriftelijke uitspraak ter post is bezorgd op 17 februari 2012.
Gronden van cassatie
Aan het beroep in cassatie ligt het navolgende cassatiemiddel ten grondslag:
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed in rechtsoverweging 2.4. van de bestreden uitspraak de brief van 5 januari 2012 niet tot de gedingstukken heeft gerekend en daarin geen reden gezien heeft om het onderzoek te heropenen.
Toelichting
1.1.
Bij brief van 5 januari 2012 van zijn gemachtigde had belanghebbende aan het Gerechtshof verzocht om hem op grond van artikel 8:73 een immateriële schadevergoeding toe te kennen. Ter motivering van het feit waarom hij dit verzoek niet bij de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft gedaan, heeft hij verwezen naar het arrest dat uw Raad op 10 juni 2011 inzake de mogelijkheid tot vergoeding van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft gewezen. Verder had de gemachtigde verwezen naar een verminderde inzetbaarheid wegens ziekte. Belanghebbende heeft daarom het Gerechtshof verzocht om het onderzoek te heropenen.
1.2.
Het Gerechtshof heeft deze brief niet tot de gedingstukken gerekend. Het Gerechtshof heeft daartoe overwogen, dat de brief na sluiting van het onderzoek ter zitting was binnengekomen. Het Gerechtshof heeft verder overwogen geen reden te zien om het onderzoek te heropenen, dat met de brief niets was aangevoerd wat niet eerder aangevoerd had kunnen worden en er overigens niet is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.
1.3.
In deze zaak heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden op 21 september 2011 en had belanghebbende zijn op de uitspraak van uw Raad van 10 juni 2011 berustende verzoek tot vergoeding van de immateriële schade kunnen indienen.
1.4.
Het enkele feit dat het verzoek na de sluiting van het onderzoek was ingediend levert echter onvoldoende grond op om het onderzoek niet te heropenen, te meer daar het oordeel van het Gerechtshof dat niet gebleken zou zijn dat het onderzoek niet volledig zou zijn geweest en dat er op die grond geen aanleiding zou zijn om het onderzoek te heropenen, onjuist is.
1.5.
Bij de brief van 5 januari 2012 was een verzoek gedaan om de immateriële schade te vergoeden. Er was derhalve anders dan het Gerechtshof heeft geoordeeld hoe dan ook nog een onderzoek naar de omvang van de schade noodzakelijk.
1.6.
Uw Raad heeft voorts in het arrest van 10 juni 2011 verwezen naar een eerder arrest van 22 april 2005. In dat arrest heeft uw Raad bepaald dat bij de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden als de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van betrokken partijen op het verloop van het geding en de wijze waarop de rechter heeft gehandeld. Ook op deze punten was nieuw onderzoek noodzakelijk.
1.7.
Omdat de schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn voor zover die moet worden toegerekend aan de beroepsfase niet voor rekening van de Inspecteur zou komen, maar voor rekening van de Minister van Veiligheid en Justitie, zou ook aan deze Minister de gelegenheid moeten worden geboden om aan het geding deel te nemen. Ook op deze grond zou het onderzoek heropend moeten worden.
1.8.
Tot slot zij verwezen naar het bepaalde in artikel 8:73, tweede lid Awb op grond waarvan het Hof in haar uitspraak op het ingestelde beroep had kunnen bepalen, dat voor de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding het onderzoek wordt heropend. Voor zover het Gerechtshof gemeend zou hebben, dat het door belanghebbende ingediende verzoek tot een ongewenste vertraging van de procedure zou leiden, is dat oordeel ongegrond.
Conclusie:
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge ik uw Raad in overweging geven het beroep gegrond te verklaren, de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 3 februari 2012 met kenmerk BK-04/02519 te vernietigen en om uitspraak te doen zoals het Gerechtshof 's‑Gravenhage had behoren te doen.
Voorts verzoek ik uw Raad om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Hoogachtend,