De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.4
2.3.4 Zakelijke rechtsvorderingen
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS388445:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Land 1901, p. 324-325, noot 3: “Wij moeten de zakelijke actie van den erfpachter, die tegen iederen houder geldt (de zoogen. utilis rei vindicatio, actio vectigalis) onderscheiden van de persoonlijke acties tusschen erfpachter en eigenaar (actio emphyteuticaria).”
Bijvoorbeeld HR 8 november 1889, W. 5793 (Veen/Haarlem) in vervolg op Hof Amsterdam 8 februari 1889, W. 5708 (Haarlem/Veen). Zie ook Hof Den Haag 28 maart 1881, W. 4801 (Vereeniging der geïnteresseerden in de Gors en Ambachtsheerlijkheid Zuid-Beijerland/Volker), alledrie uitspraken in incident omtrent de bevoegdheid van de kantonrechter te oordelen over een vordering tot betaling van (achterstallige) erfpachtcanon.
Land 1901, p. 9-10.
Van Boneval Faure 1866, p. 217. Het kader vormde een bespreking van het regeringsontwerp voor de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin voorstellen waren opgenomen omtrent de relatieve bevoegdheid van de rechter.
Van Boneval Faure 1866, p. 220-221. Noot 4: “Men bedenke, dat de pacht verschuldigd is aan den eigenaar van den grond.” Met andere woorden, er is sprake van een betalingsverplichting van de ene persoon (erfpachter) aan de andere (erfverpachter) en dat is een gewone vordering.
Van Boneval Faure 1866, p. 221. Nadruk toegevoegd. Het contract van erfpachtgunning uit het Ontwerp 1816 is kort behandeld in par. 2.2.
HR 30 december 1881, W. 4727 (Bongaards/Dorpspolder Zaltbommel). In deze zaak verduidelijkte de Hoge Raad dat de betrokkenen bij een opstalrecht verschillende soorten verplichtingen konden afspreken en dat het in casu ging om een verplichting die rustte op degene die de hoedanigheid van opstaller had, een kwalitatieve verplichting dus.
Van Boneval Faure 1882, p. 154-157. Alle andere conclusies en uitspraken in deze zaak namen het vorderingsrecht conform art. 129 B.R. als uitgangspunt en leidden daar de aard van het recht uit af.
Van Boneval Faure 1882, p. 162.
Roëll 1888.
Roëll 1888, p. 15.
Roëll 1888, p. 18. Bij opstalrechten werd de vergoeding naast retributie ook wel aangeduid met de term solarium.
Roëll 1888, p. 41.
Houwing 1906, Rb. Alkmaar 29 juni 1905, W. 8313 (Polder De Schermer/Graftdijk).
De verwijzing naar Molengraaff betrof zijn systematiek voor de overgang van verbintenissen krachtens bijzondere titel, een onderwerp dat in het OBW niet geregeld was. Als voorbeeld van een kwalitatieve verbintenis noemde ook Molengraaff de canonverplichting, waarbij de vereiste wettelijke grondslag werd gevonden in art. 767, zie Molengraaff 1912, p. 202-203.
Land maakte als eerste onderscheid tussen de zakelijke actie van de erfpachter jegens iedereen die hem in het ongestoord bezit van zijn recht stoorde en de persoonlijke actie van de erfpachter jegens de grondeigenaar.1 Ook dit onderscheid wees op een aanname van verbintenissen uit erfpachtrechten, want een persoonlijke actie was alleen nodig voor een inbreuk op een persoonlijk recht terwijl een inbreuk op een zakelijk recht een zakelijke actie vereiste. Al eerder was de invalshoek van het procesrecht gericht op de rechtsverhouding. Het negentiende-eeuwse systeem van burgerlijke rechtsvordering baseerde de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter op de aard en/of de herkomst van de voorgelegde vordering. Iedere vordering uit een zakelijk recht werd beschouwd als een zakelijke vordering, ook indien het een verbintenis betrof. Alle zakelijke vorderingen werden behandeld door de rechtbank, op grond van art. 38 lid 2 RO (oud) was de kantonrechter niet bevoegd over zakelijke rechtsvorderingen te oordelen.2
Ten aanzien van de kwalitatieve rechten en verplichtingen tussen de eigenaren van naburige erven waren de rechtsmiddelen voor verbintenissen van toepassing.3 Over deze regeling werd in de negentiende eeuw een debat gevoerd met als inzet de vraag of een vordering die betrekking had op betaling van grondrente, tiend of erfpacht een zakelijke rechtsvordering was. De Leidse hoogleraar en rector, tevens auteur van een invloedrijk handboek op het gebied van het burgerlijk procesrecht, R. van Boneval Faure (1826-1909) wierp deze vraag het eerst op.4 Terwijl de zakelijke aard van de verplichting tot betaling van grondrente en tienden volgde uit de verbondenheid van het erf, was de zakelijke aard van de verplichting tot betaling van erfpachtcanon op de grondslag van art. 767 OBW minder duidelijk. In ieder geval vormde art. 775 OBW daarvoor geen overtuigend argument:
“Maar wat kan dit [de vordering tot betaling van de jaarlijkse pacht (canon) bedoeld in art. 767 OBW] anders zijn dan eene vordering, spruitende uit eene persoonlijke verbintenis? Het moge waar zijn, dat volgens art. 775 ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond, ten gevolge van de onsplitsbaarheid der verbintenis, voor de geheele pacht aansprakelijk blijft, daarom drukt de last nog niet uitsluitend op het goed zoo als de grondrente naar art. 786 [4]; ook de verplichting tot betaling der beklemhuur is onsplitsbaar, maar daarom niet minder contractueel. Het moge eveneens waar zijn, dat de praestatie hier verschuldigd is wegens ’t genot der zaak, het toegestaan vererfelijk en vervreemdbaar gebruiksrecht, maar worden ook niet de huur- en pachtpenningen voor ’t genot eener zaak betaald?”5
Dat de canonverplichting onsplitsbaar was zoals art. 775 OBW vermeldde, dat het een vergoeding was voor het genot van de onroerende zaak, dat het recht erfelijk en vervreemdbaar was vormden allemaal geen argumenten om het als een zakelijke vordering te beschouwen omdat dezelfde kenmerken ook bij persoonlijke rechten zoals huur, pacht en beklemming werden gevonden. Het verschil met grondrente was dat bij dat recht door de wet duidelijk was aangegeven dat alleen de onroerende zaak kon worden uitgewonnen bij wanbetaling. Volgens Van Boneval Faure was dat bij erfpacht anders en kon de erfverpachter zich bij wanbetaling van de canon zowel op het erfpachtrecht als op het vermogen van de erfpachter verhalen. De wet liet het in het midden. Hij verwees indirect naar het contract van erfpachtgunning uit het Ontwerp 1816 waaruit naar zijn mening het contractuele karakter van de canonverplichting volgde, dat er van was afgezien dat in de wet op te nemen maakte dat niet anders:
“En zoude men er wel ooit aan gedacht hebben, de vordering tot betaling van erfpacht eene zakelijke te maken, als ook het contract van erfpachtgunning opzettelijk in de wet was behandeld, wat daarmede toch niet uit de rij der rechtsinstituten verdwenen is, doch door welke weglating te eerder aanleiding ontstond om de uiterlijke gelijkenis met grondrente in gelijkstelling te laten overgaan.”6
Van Boneval Faure concludeerde dat de vordering tot betaling van erfpachtcanon een persoonlijke rechtsvordering was en dat hetzelfde gold voor andere periodieke prestaties die als kwalitatieve verplichting deel uitmaakten van de inhoud van een zakelijk recht. De rechtspraak ging echter nog niet mee in deze visie waarin als vaststaand werd aangenomen dat uit zakelijke rechtsverhoudingen zowel zakelijke rechten als verbintenissen konden voortvloeien.
Van Boneval Faure kwam op de vraag terug bij een bespreking van een arrest van de Hoge Raad inzake een vordering tot betaling van een overeengekomen jaarlijkse vergoeding voor een opstalrecht.7 Die vergoeding was, in tegenstelling tot de canon bij erfpachtrechten, niet wettelijk geregeld. De in de besproken procedure aangedragen argumenten voor de zakelijke of de persoonlijke aard van de vordering overtuigden Van Boneval Faure niet, met uitzondering van het oordeel van de rechtbank Tiel dat het om een persoonlijke vordering van de grondeigenaar en een persoonlijke verplichting van de opstalhouder ging die voortvloeiden uit de overeenkomst tot vestiging van het opstalrecht.8 Uit het feit dat een vordering en de bijbehorende verplichting kwalitatief waren, en dus overgingen op rechtsopvolgers, mocht niet worden afgeleid dat het om een zakelijke rechtsvordering ging. De persoonlijke verbintenissen tussen erfpachter en grondeigenaar werden tegelijk met het zakelijk recht gevestigd en gingen over op rechtsopvolgers:
“Al behoort de verplichting tot betaling van een canon tot het wezen van het erfpachtsrecht, de vordering tot betaling van dien canon is daarom niet minder eene persoonlijke.”9
Omdat de vergoeding bij opstalrechten niet wettelijk geregeld was kon deze uitsluitend een overeenkomst tot grondslag hebben, waarmee het verbintenisrechtelijke karakter van de verplichting was gegeven.
Deze opvatting werd gevolgd door Roëll die in zijn dissertatie de opvatting van de Hoge Raad beoordeelde zoals die bleek uit het arrest van 30 december 1881 in het licht van het stelsel van burgerlijke rechtsvordering waarbij de aard van de actie de bevoegdheid van de rechter bepaalde.10 De aard van de actie hing af van de aard van het recht tot bescherming waarvan de vordering was gegeven. Een persoonlijke rechtsvordering had tot onderwerp de vervulling van een persoonlijke verbintenis die voortvloeide uit overeenkomst of uit de wet, terwijl een zakelijke rechtsvordering diende tot handhaving van een zakelijk recht. Een grondeigenaar die betaling vorderde van een beperkt gerechtigde deed dat niet tot handhaving van zijn eigendomsrecht, maar tot vervulling van een verbintenis uit de wet (bij erfpacht) of uit overeenkomst (bij opstal). Dat die vordering moest worden gericht tegen een bepaalde persoon, degene die op dat moment de hoedanigheid van opstalhouder had, maakte die vordering echter nog niet persoonlijk. Roëll ging er daarbij van uit dat ook de functie van de retributie bij opstal bestond uit erkenning van het eigendomsrecht van de grondeigenaar, net als bij de erfpachtcanon,11 en hij concludeerde dat in het kader van die rechtsverhouding de bedongen retributie een persoonlijke vordering was die voortvloeide uit de overeenkomst tot vestiging van een opstalrecht.12 De vraag of de retributie alleen kon worden gevorderd van de eerste opstalhouder of ook van diens rechtsopvolgers, beantwoordde Roell met een beroep op de geschiedenis en de wet in de laatste zin omdat de bedongen retributie als een zakelijk beding moest worden beschouwd, naar analogie van de erfpachtcanon:
‘(…) met dit solarium heeft de opstaller zich in het algemeen tot iets verbonden en niet tot een bepaald persoon; en omgekeerd heeft de eigenaar zich iets bedongen zonder betrekking op een bepaald persoon.’13
Het rechtsgeleerde debat toont aan dat de kwestie vanuit verschillende invalshoeken kon worden beoordeeld en ingewikkeld werd gevonden, zeker nu de wetgever ten aanzien van het ene zakelijk recht (erfpacht) wel en ten aanzien van het andere zakelijk recht (opstal) geen vergoedingsplicht in de definitie van het recht had opgenomen en in het stelsel van burgerlijke rechtsvordering de aard van de vordering de bevoegdheid van de rechter bepaalde.
Een synthese van het negentiende-eeuwse debat over de aard van de canonverplichting, mede in het licht van de bevoegdheid van de kantonrechter, is te vinden in de bespreking door de Amsterdamse hoogleraar J.F. Houwing (1857-1921) van een uitspraak van de rechtbank Alkmaar.14 In deze uitspraak stond de vraag centraal of het polderbestuur als grondeigenaar een zakelijke of een persoonlijke vordering had ingesteld tegen de gedaagde erfhuurder. Houwing achtte de opvatting van de rechtbank dat de canon een zakelijke vordering was onjuist. Dit was reeds door Van Boneval Faure in 1882 aangetoond, en bevestigd door Moltzer, Eyssel, Land en Molengraaff, die allen uitgingen van een persoonlijke verbintenis. In hoeverre die persoonlijke vordering op grond van art. 775 OBW werd aangevuld met de bevoegdheid van de grondeigenaar zich ook op het erfpachtrecht te verhalen, stond nog niet onomstotelijk vast. Uit de overweging bleek verder dat de kwalitatieve verbintenis nog geen vanzelfsprekend begrip was, al werd dit in de buitenlandse literatuur al uitvoerig beschreven.15
Uit de negentiende-eeuwse rechtsgeleerde geschriften en het debat over de aard van de rechtsvordering kwam als nieuw inzicht naar voren dat de canonverplichting beschouwd moest worden als een kwalitatieve verbintenis die, net als andere periodieke prestaties die als kwalitatieve verplichting deel uitmaakten van de inhoud van een zakelijk recht, als een verbintenis en als een persoonlijke rechtsvordering moest worden beschouwd. Die vordering behoorde daarmee tot de bevoegdheid van de kantonrechter. De erfpachter was met zijn hele vermogen aansprakelijk voor betaling van de canon en de grondeigenaar kon zich daarenboven op het erfpachtrecht verhalen.