Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.8.2
3.5.8.2 Overgang van de vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587092:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ten aanzien van de overdracht van een vordering waarop het besluit van de Secretaris-Generaal van het Departement van Justitie van 15 oktober 1942, tot vergemakkelijking van de inning van kleine geldvorderingen van toepassing was, HR 24 mei 1963, NJ 1966, 339. Ook de nieuwe schuldeiser kon de vordering langs de in dit besluit aangegeven weg innen. Zie ook Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 4; Wiarda 1937, p. 344-345. Vgl. voorts Hondius 1976, p. 1061.
Het delen van een vordering door overdracht kan misbruik van procesbevoegdheid opleveren. Zie HR 19 december 1969, NJ 1970, 200 (Eckmann/De Auto Onderlinge), m.nt. GJS. Vgl. Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 272; Gebrandy 1995, nr. 207; Wiarda 1937, p. 345; en Van Creveld 1936, p. 63.
Zie HR 19 februari 1960, NJ 1960, 178 (Sanders c.s./Daumiller).
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 84. Hetzelfde geldt als voor een deel van de vordering afstand is gedaan.
Zie HR 19 december 1969, NJ 1970, 200 (Eckmann/De Auto Onderlinge), m.nt. GJS; en vgl. HR 16 januari 1981, NJ 1981, 663, m.nt. WHH. Zie ook Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 272; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.l.M van Mierlo), art. 6:142, aant. 5.
Dit kunnen partijen ook overeenkomen. Vgl. HR 19 februari 1960, NJ 1960, 178 (Sanders c.s./Daumiller); M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 534; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-l* 2008, nr. 136-137.
Niet duidelijk is wat geldt indien slechts een deel van de vordering is verpand of in vruchtgebruik gegeven. Naar mijn mening dient een dergelijke verkrijging van zeggenschap over slechts een gedeelte van de vordering géén gevolgen te hebben voor de bevoegdheid van de rechter.
Zie Wiarda 1937, p. 344-345.
Zie Wiarda 1937, p. 345.
Zie A-G Franx in zijn conclusie (sub 5.4) voor HR 1 februari 1985, NJ 1985, 698, m.nt. J.C. Schultsz; en Verschuur 1984, p. 275. Vgl. Hof Amsterdam 19 december 1985, NJ 1987, 364. Een dergelijke overdracht is geldig. Zie Heemskerk in zijn noot (sub 17) onder HR 16 januari 1981, NJ 1981, 663, en de conclusie van A-G Haak voor dit arrest, met verdere verwijzingen.
Aangenomen dat Nederlands recht van toepassing is.
Zie over dit begrip nader T&T Sr art. 36f Sr (sub b). De schade kan ook geleden zijn door een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon. Zie HR 11 april 2006, NJ 2006, 263.
Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11.
Zie HR 19 april2005, NJ 2007, 510, NbSr 2005/234; HR 6 maart 2007, NJ 2007, 157. Dit is anders in het geval bedoeld in art. 51 a lid 2 Sv, dat ziet op het overlijden van het slachtoffer; vgl. art. 6:108 BW.
Zie Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11; en HR 23 maart 1999, NJ 1999, 403. Zie ook T&T Sr art. 36f Sr.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 274: 'De enkele omstandigheid dat sommige aan de vordering verbonden rechten niet vatbaar zijn voor uitoefening door een derde, belet de subrogatie niet, maar belet enkel de mogelijkheid ook van die bevoegdheden gebruik te maken. [ ... ] Evenmin zou, ingeval van betaling van een advocatendeclaratie, subrogatie in de vordering worden belet, indien men zou willen aannemen dat de derde niet de bijzondere weg van invordering kan volgen welke voor de advocaat in de 3e titel van de Wet tarieven in burgerlijke zaken is voorgeschreven; vergelijk in dit verband Rb. Utrecht 16 maart 1927, NJ 1927, p. 1246.'
Zie hierna nr. 263.
Biedt de status van een bepaalde schuldeiser of een bepaalde rechtsgang bijzondere bescherming aan een schuldenaar, dan is de vordering niet voor overgang vatbaar. Zie voor vorderingen tot terugbetaling van een geldlening van de Staat, die als schuldeiser in het kader van de inning gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, HR 12 januari 1990, NJ 1990, 766 (Staat/Appels), m.nt. WMK. Zie voor schadevergoedingsvorderingen uit hoofde van bestuursaansprakelijkheid bij faillissement (art. 2:138/248 BW), die door de curator worden ingesteld onder toezicht van de rechter-commissaris, HR 7 september 1990, NJ 1991, 52 (Den Toom/De Kreek), m.nt. Ma.
Is de vordering onoverdraagbaar vanwege de bescherming van de schuldenaar, dan is de vordering evenmin vatbaar voor stille cessie.
Zie Wiarda 1937, p. 344. Zie voorts HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302-304, m.nt. PS, waartegen Heemskerk 1976a en Heemskerk 1976b. Zie ook V.V. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 542-543 en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 543-544; HR 5 februari 1971, NJ 1971, 193; en HR 1 juli 1993, NJ 1994, 461, m.nt. HJS. Zie voor bedingen inzake de bevoegdheid van de rechter, arbitrage en bindend advies, Van Achterberg 1999, nr. 11; Wibier 2009a, nr. 14; Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo ), art. 6:142, aant. 16.1 en 16.4; Wiarda 1937, p. 324 e.v., i.h.b. p. 327; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 266 (overigens in het kader van art. 6:145 BW, niet art. 6:142 BW); Hofmann, Drion & Wiersma, p. 332; Asser/Van Schaick 5-IV 2004, nr. 240. Zie hierover ook H.J. Snijders 2007, art. 1020, aant. 7, met verdere literatuurverwijzingen: Sanders 2001, art. 1020, aant. 13; Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 189. Zie ook Pels Rijcken 1982, p. 35; Hondius 1976, p. 1060; Brunner 1976, p. 1065 e.v.; met reactie van Heemskerk 1976b; Pabbruwe 1967. Zie voor het forumkeuzebeding, HR 2 december 1932, NJ 1933, p. 509, W 12547; Heemskerk 1976a, p. 122.
Zie voor de arbitrageovereenkomst, Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 189.
Zie Losbladige Verbintenissenrecht 2004 (A.I.M. van Mierlo), art. 6:142, aant. 16.12. Vgl. ook art. 79 lid 2, tweede en derde zin Rv. Het wordt niet als een nevenrecht aangemerkt.
158. Door de overgang van de vordering veranderen de absolute bevoegdheid van de rechter en de subsectorcompetentie niet. Niet de persoon van de schuldeiser, maar de omvang en de aard van de vordering zijn daarvoor bepalend, en deze veranderen in beginsel niet door de overgang. Een nieuwe schuldeiser kan daarom een overgedragen loon- of huurvordering aanhangig maken bij de sector kanton van de rechtbank, ook al is hij niet de werkgever of de verhuurder.1 Hieruit volgt dat ook door een stille cessie de absolute bevoegdheid van de rechter en de subsectorcompetentie in beginsel niet veranderen.
159. Als een geldvordering gedeeltelijk overgaat, bijvoorbeeld door partiële cessie,2 kan dit wel gevolgen hebben voor de bevoegdheid van de rechter. Door gedeeltelijke overgang wordt de vordering gesplitst in twee afzonderlijke vorderingen.3 Voor de bevoegdheid is de hoogte van de na de splitsing ontstane vorderingen bepalend.4 Wordt van een vordering van EUR 12.000,-een deel van EUR 8.000,- gecedeerd, dan is de sector kanton van de rechtbank ten aanzien van het restant bevoegd, en de rechtbank ten aanzien van het overgegane gedeelte.5 Als door de partiële cessie alleen een aandeel in de vordering overgaat en een gemeenschappelijke vordering bestaat, blijft de hoogte van deze vordering bepalend voor de bevoegdheid.6 Vóór de integratie van de kantongerechten in de rechtbanken had een splitsing gevolgen voor de absolute bevoegdheid van de rechter. Onder het huidige recht heeft een splitsing alleen gevolgen voor de subsectorcompetentie.7Art. 72 en 73 Rv, die betrekking hebben op de absolute competentie, zijn niet van toepassing. De kantonrechter dient zich niet-ontvankelijk te verklaren, en de zaak naar de sector civiel van de rechtbank te verwijzen.8
Is na een partiële stille cessie (art. 3:96 jo 3:94 lid 3 BW) de sector kanton ten aanzien van een of meer van de deelvorderingen in beginsel bevoegd, dan de schuldenaar desondanks een beroep doen op de onbevoegdheid van de kantonrechter. Op grond van art. 3:94 lid 3 tweede zin jo 3:96 BW kan de splitsing van de vordering niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen. De sector kanton dient de stille cedent niet ontvankelijk te verklaren en de zaak door te verwijzen naar de sector civiel van de rechtbank. Als de stille cedent alleen zijn deelvordering int, kan de schuldenaar daar ook de gevolgtrekking aan verbinden dat de stille cedent (kennelijk) afstand doet van een deel van zijn vordering (art. 6:160 BW). De procedure kan dan worden voortgezet bij de sector kanton, maar na de mededeling van de stille cessie kan de cessionaris niet alsnog nakoming eisen van dat deel waarvan de stille cedent afstand heeft gedaan.
160. Door de overgang van de vordering treedt geen verschil op in de relatief bevoegde rechter. De nieuwe schuldeiser moet de schuldenaar dagvaarden voor de rechter die vóór de overgang relatief bevoegd zou zijn geweest. Treedt de schuldenaar als gedaagde op, dan is zijn woonplaats bepalend voor de relatieve bevoegdheid. De nieuwe schuldeiser dient de schuldenaar te dagvaarden voor de rechter die ook in het geschil tussen de oude schuldeiser en de schuldenaar bevoegd zou zijn geweest. Als de schuldeiser de schuldenaar krachtens een bijzondere wetsbepaling voor de rechter van zijn eigen woonplaats (de woonplaats van de schuldeiser) kon dagen, bijvoorbeeld als de schuldenaar geen werkelijke of erkende woonplaats in Nederland heeft, kan de nieuwe schuldeiser de schuldenaar dagvaarden voor de rechter van zíjn woonplaats.9 Het heeft geen redelijke zin om de nieuwe schuldeiser hier aan de woonplaats van de oude schuldeiser gebonden te achten.10 Bij een vordering uit een consumentenovereenkomst kan de nieuwe consumentschuldeiser de schuldenaar naar mijn mening alleen voor de rechtbank van de woonplaats van de oude consumentschuldeiser dagvaarden (art. 101 Rv), niet bij de rechtbank van zijn eigen woonplaats.
De overgang van de vordering kan tot gevolg hebben dat de Nederlandse rechter voor het eerst bevoegd wordt om van het geschil kennis te nemen. De Nederlandse rechter is bevoegd als de vordering wordt overgedragen aan een natuurlijke persoon die woonachtig is in Nederland of aan een Nederlandse rechtspersoon, zelfs als de rechtspersoon daarvoor speciaal is opgericht.11
Uit het voorgaande volgt dat bij een stille cessie door de overgang van de vordering als zodanig in beginsel geen verschil optreedt in de relatief bevoegde rechter. Is dat wel het geval, bijvoorbeeld omdat de woonplaats van de schuldeiser bepalend is of omdat door de overdracht van de vordering voor het eerst de Nederlandse rechter bevoegd wordt, dan kunnen bij de stille cessie op grond van art. 3:94 lid 3 tweede zin BW deze veranderingen niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen tot het moment van mededeling.12
161. De nieuwe schuldeiser kan geen gebruik maken van bijzondere procedures waarbij de persoon van de schuldeiser bepalend is. Alleen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn schadevergoedingsvordering als benadeelde partij in het strafproces voegen. Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd.13 De strafbepalingen beschermen niet het belang van rechtsopvolgers.14 Erfgenamen kunnen zich bijvoorbeeld niet voegen als benadeelde partij om de schadevergoedingsvordering in de strafprocedure in te dienen.15 Hetzelfde geldt voor een verzekeraar die is gesubrogeerd in de schadevergoedingvordering van het slachtoffer van een misdrijf.16 Zij dienen de schadevergoedingsvordering in te stellen in een gewone civiele procedure. Voor de overgang van een vordering tot betaling van een advocatendeclaratie geldt hetzelfde. De overgang van de vordering is mogelijk, maar de rechtsverkrijger kan de bijzondere procedure zoals gegeven in de WTBZ niet volgen.17 Hetzelfde geldt voor de vorderingen van de fiscus die krachtens overdracht of subrogatie op een nieuwe schuldeiser overgaan.18 Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor het geval dat de vordering overgaat van de ene advocaat op de andere advocaat, of van het ene slachtoffer op het andere slachtoffer bij hetzelfde misdrijf of van de ene (regionale) belastingdienst op de andere (regionale) belastingdienst.19
Uit het voorgaande volgt dat bij de stille cessie van een vordering waarvoor een bijzondere rechtsgang is gegeven, de stille cessionaris in beginsel niet bevoegd is om van deze rechtsgang gebruik te maken. Blijft de stille cedent even wel bevoegd tot inning van de vordering, dan is hij naar mijn mening ook bevoegd om de bijzondere rechtsgang te blijven gebruiken om nakoming te vorderen. Op dit aspect wordt hieronder nader ingegaan. Wordt mededeling gedaan door de stille cessionaris tijdens de procedure, dan komt hieraan hetzelfde rechtsgevolg toe als bij de openbare overgang van de vordering tijdens de procedure.20
162. Zijn de schuldenaar en de oude schuldeiser prorogatie, sprongcassatie, arbitrage, bindend advies of een forumkeuze overeengekomen, dan gaan dergelijke bedingen als nevenrechten met de vordering over (art. 6:142 BW).21 Zij bepalen nader de inhoud van de vordering. De nieuwe schuldeiser kan zich jegens de schuldenaar beroepen op deze bedingen en overeenkomsten. Na de overgang zijn de nieuwe schuldeiser en de schuldenaar partij bij deze bedingen en overeenkomsten.22 Het staat hun om die reden vrij deze bedingen en overeenkomsten waarbij zij partij zijn, te wijzigen. Ook zijn zij bevoegd om nieuwe bedingen, zoals een arbitragebeding en een forumkeuzebeding, aan te gaan. De nieuwe schuldeiser is gebonden aan een door partijen gekozen woonplaats.23
Hetzelfde geldt bij de stille cessie. Afwijkende bedingen zoals een arbitragebeding of een forumkeuzebeding gaan als nevenrecht met de vordering op de stille cessionaris over, zodat zij in de verhouding tussen de schuldenaar en de stille cessionaris gelden. In beginsel is alleen de stille cessionaris als nieuwe schuldeiser van de vordering bevoegd om dergelijke bedingen aan te gaan.